Wij hebben geen oranje vlaggetjes aan ons huis. Ik draag ook geen oranje pet. Vroeger heb ik dat wel gedaan. Toen de kinderen nog jong waren, keken we met elkaar naar het Nederlandse elftal. Ik weet nog hoe zij een vlag over hun knieën hadden gelegd. Als er een doelpunt werd gemaakt, renden ze met de vlag naar buiten, juichten daar en kwamen snel weer terug om het vervolg van de wedstrijd te bekijken.
Ik ben met voetballen groot geworden. In mijn tijd was er thuis geen geld om lid te zijn van een voetbalclub. Wij voetbalden gewoon op straat. Ik herinner me nog goed de soms erg boze overburen. De bal kwam nog wel eens tegen hun raam aan. Als de bal bij hen over de schutting vloog, kregen we hem niet meer terug.
Ja, vroeger kon dat: spelen op straat. En met wit krijt een doel tekenen op een blinde muur. Het voetballen op straat was niet al te best voor je schoenen. Soms trapte je je schoenzool helemaal los aan de voorkant.
Mijn vader ging ‘s zaterdags naar de voetbalclub Zwaluwen kijken. Ik ging vaak mee. Daar moest wel entreegeld worden betaald. Maar altijd was er wel een trucje om er zonder betalen in de komen. Niet goed natuurlijk, maar we waren arm.
De uitwedstrijden werden, als het maar even kon, ook gevolgd. Naar een wedstrijd van Excelsior Maassluis ging mijn vader op de fiets. Hoogvliet was met het over en weer bootje ook wel te doen. Een vriend van mijn vader had in die tijd een heel apart autootje: een Messerschmitt. Een mini vliegtuigromp op vier wielen. Het doorzichtige dak van het autootje had veel weg van een cockpit. Je moest het optillen om er in te gaan zitten. Er konden twee volwassen mensen in. Die zaten dan achter elkaar. En met die vriend mocht mijn vader dan mee. Ik had het nakijken…
De televisie deed zijn intrede. Mijn oom Cor had er als eerste één. Als er voetbal was, zaten we wel met tien man in zijn huiskamer. De eetkamerstoelen werden keurig op een rij gezet. Net een kleine bioscoop. Mijn oom was trots op zijn tv. En de hele familie genoot mee.
In mijn studententijd kwam het er niet van. Ik voetbalde niet. Ik kwam er ook niet. Zou ik toen me meer dan nu wél bewust geweest zijn van de waardigheid van mijn (toekomstig) ambt?
Ook uit de tijd van mijn eerste gemeente herinner ik me niet veel. Ik weet wel, dat we bij een diaken werden uitgenodigd om naar een wedstrijd te komen kijken. Hij had televisie.
Wij hadden toen nog geen geld om er een te kopen. Maar uiteindelijk kwam hij er wel. Ja, en toen… toen werd er meer gekeken. Samen met mijn collega’s: Bram Bakker en Renger van de Kamp. Na de catechisatie kwamen ze snel aangereden. Met vrouw en kinderen. De laatsten, nog heel klein, kwamen in de bak van de kinderwagen in de studeerkamer terecht.
In Zwolle groeiden onze kinderen op. De jongens voetbalden vanaf hun zesde bij CSV. En nu spelen alweer twee kleinzonen in dat oranje shirt. Zwolle telt meer clubs. Zo kan het gebeuren dat de ene kleinzoon tegen de andere moet spelen en ik, als ik er een keer ben, niet weet voor wie ik moet juichen.
Voetballen is een leuke sport. De jongens leren samen te werken. Ze moeten luisteren naar de leider. De beslissingen van de scheidsrechter moeten worden gerespecteerd. En echt, lang niet overal wordt gevloekt en gedronken. Ik ken een scheidsrechter, die als er een lelijk woord valt, de dader bij zich roept.
Omdat iedereen in Nederland en de hele wereld zich nu met de voetbal bezig houdt, raad ik mijn collega’s aan van de gelegenheid gebruik te maken om met sport als voorbeeld de ander van God te vertellen. Dat deed Paulus immers in zijn dagen ook. Sport als voorbeeld voor het leven met God. Eigenlijk bieden deze weken ons als dominees geweldige kansen. Zet je niet af tegen, maar gebruik de sport.
Zelf heb ik een boekje geschreven. Voetbalmeditaties heb ik ze genoemd. Wie ik maar tegenkom geef ik mijn boekje. Met een oranje bladwijzer…
Als u er interesse in hebt, het is te krijgen als e-book, maar ook als paperback: kijk maar op eo.hollandridderkerk.nl

