Ik was vrijdagmiddag op bezoek in de jeugdgevangenis van Spijkenisse. In die gevangenis verblijven jongelui van 12-18 jaar. Wij hebben ook twee kleinzonen van die leeftijd. Het is nauwelijks voor te stellen dat jongens van die leeftijd soms jarenlang in zo’n gevangenis moeten verblijven. De kerken van Spijkenisse doen daar goed werk. Eén keer in de maand gaat een groep vrijwilligers een avond naar de gevangenis om deze jongelui te bezoeken. Er worden spelletjes gedaan. En natuurlijk wordt er gepraat. Allerlei verhalen kwamen bij mijn bezoek boven.
Eén gesprek heeft op een vrijwilliger heel veel indruk gemaakt. Hij sprak met een jongen die nog maar net opgepakt was en pas een week in de gevangenis zat. Contact met thuis was er niet meer, omdat zijn familie het er zo moeilijk mee had. De vrijwilliger vroeg aan die jongen hoe hij nu naar zijn toekomst keek en op welke school hij had gezeten. Daarop moest hij even slikken, maar toen vertelde hij vol trots dat hij op de HAVO zat en dat hij er goed voor stond. Maar daarna werd hij weer stil en zei toen dat hij er alles aan zou doen om zijn opleiding toch nog af te maken.
Doordat deze vrijwilliger ook kinderen had van zijn leeftijd vroeg de jongen of hij ook geen contact meer zou willen met zijn kinderen als zij in de gevangenis terecht zouden komen. De vrijwilliger zei toen, dat hij er heel veel verdriet van zou hebben, maar het blijven toch je kinderen! Hij zou ze het toch kunnen vergeven en hij zou ze helpen als ze weer vrij zouden komen. Hij heeft toen met deze jongen nog een tijd lang doorgepraat over vergeving en ook benadrukt dat hoeveel verdriet kinderen de ouders ook aandoen, dat – als het goed is – je moeder/vader altijd van je blijft houden. Daarop ging de jongen weg om zijn moeder te bellen. Na 10 minuten kwam hij terug en zei tegen de vrijwilliger: “Ze heeft het mij vergeven. Ja, mijn moeder heeft het mij vergeven . . . !”









