Icon--search Icon--video Icon--play Icon--pause Icon--twitter Icon--facebook Icon-navIcon Icon--arrowLeft Icon--arrowRight Icon--audio Icon--photo icon--tag Icon--radio icon--contact volume-off Icon--volume-up

Anne van der Bijl: 'Ik hoop in het harnas te sterven'

Openhartig interview met 'Gods smokkelaar'

Ooit stond zijn zoontje ’s avonds naast het bed van Anne van der Bijl, en bad: “Lieve Here Jezus, dank U dat papa ziek is.” De man die de helft van zijn tijd de hele wereld rondging om het Evangelie te verkondigen, was eindelijk even thuis. Inmiddels 86, reist hij nog steeds – tot in het hol van de leeuw.

Toen de race naar de maan tussen de Amerikanen en de Russen nog in volle gang was, deed dit mopje de ronde: ‘Wat treffen de Russen aan als zij er het eerste aan- komen? Antwoord: Anne van der Bijl met een lading bijbels.’ God’s smuggler (Gods smokkelaar), zoals de oprichter van Open Doors dankzij de titel van zijn Engelstalige biografie wereldwijd bekend werd, kan er decennia na dato hartelijk om lachen. “Die was ik vergeten. Heb ’em destijds trouwens niet zelf verzonnen, hoor!”

Stof op de randjes
Zijn kantoor, van waaruit het werk van Open Doors pakweg 60 jaar geleden begon, lijkt wel een privémuseum. Naast een indrukwekkende verzameling bijlen uit alle hoeken en gaten van de wereld, tref je er een gigantische hoeveelheid boeken aan, met daartussen oude foto’s (van onder anderen Dr. Quinn-actrice Jane Seymour en wijlen PLO-leider Yasser Arafat) en een batterij souvenirs. Overal hangen handgeschreven memoblaadjes en uitgeknipte kranten- en tijdschriftkoppen, variërend van ‘Ik wil een huppelende tachtiger worden’ tot ‘Oude knarren houden vol’ en ‘Niets is zo ongezond als pensioen’.

Toch een beetje ouder
Vertellen gaat hem nog altijd net zo gemakkelijk af als ademen en zijn lach blijft aanstekelijk, maar ook voor Anne geldt dat de ouderdom met gebreken komt. Op een plank achter hem staat een vergrootapparaat: zijn ogen gaan achteruit (al blijven ze gelukkig twinkelen). “Onder een felle lamp gaat het lezen nog wel, maar het is natuurlijk wel behelpen. Autorijden doe ik daarom ook stukken minder dan voorheen. En” – hij klopt op zijn knieën – “mijn benen zijn echt niet goed meer. Ik merk dat het reizen me zwaarder begint te vallen. Lange vluchten, in- en uitstappen, inchecken, koffers sjouwen... Dat vind ik bezwaarlijk worden. Ik word toch een beetje ouder, merk ik. Een beetje. Eind vorig jaar heb ik vrij veel gereisd, onder andere naar Pakistan. Daarna moest ik echt aansterken. Daarom ben ik op zwemles gegaan. Ik kon wel zwemmen, maar als je 86 bent en het jaren niet hebt gedaan... Haha, het was een flop: de eerste les ben ik bijna drie keer verdronken!”

Dat zou onze prioriteit moeten zijn
Hoewel het hem steeds zwaarder begint te vallen, pakt hij nog enkele keren per jaar zijn koffers voor een verre reis. Allang niet meer als directeur van Open Doors, maar als vrijwilliger. “Dat ik nog steeds reis, heeft alles te maken met een thema waar ik de laatste jaren op hamer. Jezus zei dat we alle volken tot Zijn discipelen moeten maken, ‘dán zal het einde komen’. Eerder niet!” Voorover geleund, één wijsvinger omhoog: “Zolang wij hele bevolkingsgroepen afschrijven, die tot onze verbijstering juist groeien in intensiteit en zich over de hele wereld verspreiden, blijft de wederkomst uit.”

Anne doelt op radicale moslims, met wie hij graag in gesprek gaat (hij heeft jarenlang tevergeefs geprobeerd door te dringen tot Osama Bin Laden, om hem over Jezus te vertellen). “Militante moslims vormen, zoals we het vroeger noemden, een ‘vergeten bevolkingsgroep’. Tegenwoordig spreken we van ‘terroristengroepen’, die bestreden moeten worden.” Hij zucht en zegt: “Dat is de oorzaak van veel militaire conflicten. Van de weeromstuit zien zij ons, het zogenaamd christelijke Westen, als de vijand.” Na een korte stilte: “Alle volken, inclusief radicale moslims, tot Jezus’ discipelen maken – dát en niets anders zou onze prioriteit moeten zijn.”

Al die 'baardmannen'
“Zoek wat de Geest tot de gemeente zegt, vandaag,” voegt hij er in één adem aan toe. “En denk aan Jezus’ uitspraak: ‘Zalig de vredemakers.’ Je moet naar het gebied van de oorlog gaan, anders kun je geen vrede maken. Mijn boodschap aan christenen is: wees niet bang om met moslims in gesprek te gaan, ook niet als het radicalen zijn! Want er is niets om bang voor te zijn. Echt niet. Al die ‘baardmannen’ zal ik maar zeggen, zijn gewoon mensen van vlees en bloed, zoals jij en ik. De grootste openheid vind ik juist bij radicale moslims. Ze zijn radicaal geworden omdat het zoekers zijn, of waren. Elke serieuze moslim is een Godzoeker. Anders ga je, Jan Doppie nog ‘an toe, toch niet om víer uur ’s morgens je bed uit om te bidden? Juist op dat tijdstip is je bed lekker, hoor! Ik heb het ook wel eens eerlijk tegen hen gezegd, bijvoorbeeld in gesprekken met lui van Hamas: ‘Ik ken geen christen die om vier uur opstaat om naar de kerk of een bidstond te gaan.’”

Hoge piefen binnen de Taliban
In verband met veiligheidsoverwegingen wil Anne niet veel details prijsgeven over zijn reizen naar bijvoorbeeld Pakistan en het grensgebied met Afghanistan, waar hij contact zoekt met hoge piefen binnen de Taliban en aanverwante radicaalislamitische groeperingen. “We delen bijbels uit; dat kan ik wel zeggen. En ze vragen steeds weer of ik wil terugkomen, terwijl ze weten over Wie ik hun kom vertellen: Jezus Christus. Op hun Koranscholen of universiteiten roepen ze eigenlijk altijd hun studenten of hun complete staf bijeen om mee te luisteren naar wat ik te vertellen heb. Vaak beginnen ze, als ik ben uitgesproken, natuurlijk over Bush en Obama, en ‘al die christelijke Amerikanen die hier met hun drones dood en verderf zaaien’. En dan is hun vraag: ‘Waarom zouden we in vredesnaam christen worden?’” 

Anne valt even stil. “Ik heb geen weerwoord, maar wel hét Woord. Dus dat geef ik ze. En keer op keer proef ik bij hen toch altijd weer een geestelijke honger. Bijvoorbeeld als ze, vaak een beetje heimelijk, om een exemplaar van de Bijbel in hun taal vragen.”

Hij glimlacht en vervolgt: “God heeft mij geen hersens gegeven voor ‘de dialoog’, zoals we dat met een deftig woord noemen. Daar ben ik geen man voor. Maar over één ding wil ik te allen tijde met elke moslim in dialoog gaan. En dat is – zij hebben de Koran, wij de Bijbel – over deze ene vraag: wat voor soort persoon is het resultaat van je heilige boek...?” Anne spreidt zijn oude handen. “Zo simpel is het, eigenlijk.”

In één week drie keer bij de Chinees
Stemt het hem verdrietig dat hij op zijn 86e minder kan reizen en evangeliseren dan voorheen? “Nee,” reageert Anne prompt. “Dat zou me verdrietig hebben gemaakt als ik vroeger mijn kansen niet had gepakt. Maar dat heb ik wel gedaan.”

Een zweem van verdriet klinkt wel door in zijn stem als hij terugblikt op het feit dat hij in zijn jongere jaren zo weinig tijd heeft doorgebracht met zijn kinderen. Zacht: “Het is erg... Vijftig procent van de tijd was ik er niet; ik heb mijn kindertjes niet zien opgroeien. En als ik thuis was, was ik te ziek of domweg te moe om verder te reizen. Dus zelfs als ik er was, was ik er niet altijd echt voor mijn kinderen.”
Met een hand op zijn hart: “Dat mijn oudste zoon ooit op mijn slaapkamer hardop de Here Jezus dankte omdat ik ziek was, ging dwars door mijn ziel heen. Of dat iets veranderd heeft in mijn leven? Nee, ik ben bang van niet. Maar ik geloof in roeping en denk dat alle zendelingen hun gezin in meerdere of mindere mate hebben verwaarloosd. Wel heb ik altijd geprobeerd het enigszins goed te maken als ik thuis was: wij hebben vijf kinderen en ik nam ze dan één voor één mee uiteten; zij mochten zelf het restaurant en het menu uitkiezen. Dus het gebeurde wel dat ik in één week drie keer bij de Chinees zat!”
Jaren geleden heeft Anne zijn kinderen bijeengeroepen en spijt betuigd omdat hij zo vaak weg was, op reis om zijn steentje bij te dragen aan de vervulling van de Grote Opdracht. “Met tranen in mijn ogen heb ik hun vergeving gevraagd. En ontvangen, ja. We zijn altijd dikke vrienden gebleven. Goddank. En stuk voor stuk werken ze, op allerlei plekken, in Gods Koninkrijk.”

114 gemeenteleden begraven
Herinneringen aan z’n broeders en zusters binnen de vervolgde kerk die zijn vermoord omdat ze Jezus volgden, vergezellen Anne op zijn reizen door de islamitische wereld. En met het klimmen van de jaren, zijn er steeds meer dodelijke slachtoffers te betreuren. Bijvoorbeeld in Peshawar, een stad aan de oostkant van de Khyberpas in het noordwesten van Pakistan. 

“Eind 2013 was daar een vreselijke moordpartij in een kerk die ik goed ken,” vertelt hij. “Daar heb ik de afgelopen jaren meer dan eens gepreekt en ik ken de leiders. De laatste keer dat ik er was, zie een van hen tegen me: ‘Ik heb de laatste weken 114 van mijn gemeenteleden begraven.’ Nou, zo’n boodschap hakt er bij mij diep in, kan ik je vertellen. Van mijn vrienden in Afghanistan die ik gedoopt en soms ook persoonlijk begeleid heb, zijn er nu inmiddels al veertien vermoord. Haat en nijd jegens christenen is al jaren schering en inslag in dit soort landen. Dus ik ben het wel ‘gewend’. Maar het went nooit.”

'Anne, vertel ons meer over Jezus'
Ergens op zijn kantoor hangt een wit papiertje met (in het Engels) dit gebed: ‘God, geef me werk tot mijn leven eindigt en leven tot mijn werk klaar is.’ Deze woorden zijn Anne, de man met een missie, op het lijf geschreven. Als zijn gezondheid het toelaat, reist hij binnenkort weer naar Pakistan. “Dit land is voor mij bijzonder omdat ik er nog heel veel contacten heb met militante moslims,” legt hij uit. “Ik ga er mede op hun verzoek telkens weer heen: ‘Anne, kom terug en vertel ons meer over Jezus.’ Herhaaldelijk zeggen ze dat, man! Dan heb ik het bijvoorbeeld over de leiding van Koranscholen, maar ook de Taliban. Ik wil geen namen noemen, maar ik ben in érnstig gesprek met ze. En we verspreiden er Gods Woord; daar vragen ze naar. Zulke openingen blijf ik zoeken, zolang God me het leven geeft.”

Biddende moslims bij het open graf
Anne kijkt over zijn schouder en wijst naar een schilderij van het open graf achter hem. In de rechterbovenhoek heeft hij, tussen het glas en de lijst, een foto gestoken van in gebed knielende moslims. “Dat open graf,” zegt hij, “is het centrum van mijn geloof. Als Jezus na Zijn kruisiging níet was opgestaan, dan waren we – zegt Paulus in 1 Korintiërs 15 – nóg in onze zonden, de meest miserabele van alle mensen. Dan is er niks. Niks! Dood is dan dood. Dan heb ik wel heel wat mooie reizen in mijn leven gemaakt, maar ja...”

En die biddende moslims? “Ik kijk elke dag naar dat schilderij met deze foto. Want ik moet zelf ook dagelijks aan het open graf worden herinnerd. En elke ochtend bid ik voor moslims, ook de radicalen onder hen, dat zij Jezus zullen leren kennen en de Opgestane zullen aanbidden. Daarom ga ik nog steeds naar ze toe, om ze over Jezus te vertellen, zoals Hij van ons vraagt. Want de Grote Opdracht is nog steeds niet vervuld. Jezus zegt ‘Ga!’ tegen ons. Maar doen we dat? Zijn we bereid hen op te zoeken? Van een evangelist op de Filippijnen hoorde ik ooit dat hij het woord islam spelde als ‘I Sincerely Love All Muslims’ (‘Ik houd oprecht van alle moslims, red.). Dat vond ik schitterend! Die woorden spreek ik elke morgen uit in mijn gebed. En dan zie ik dus dit beeld voor me: moslims die neerknielen om de opgestane Jezus te aanbidden. Dat is – nog steeds – mijn visie.”
De vraag of hij in het harnas hoopt te sterven, beantwoordt hij direct. “Ja. Ik kan me gewoonweg niet voorstellen dat ik, met het soort leven dat ik heb geleid, nog jaren op bed moet liggen met kanker. Maar... daar denk ik eigenlijk nooit over na. Mijn werk op aarde is nog niet klaar.”


Tekst: Gert-Jan Schaap
Beeld: Ruben Timman

Geef een reactie

Om reacties te kunnen lezen en/of schrijven moet je toestemming geven voor het plaatsen van cookies.
Klik hier als je toestemming geeft voor het plaatsen van cookies bij het bezoek aan de websites van de Nederlandse Publieke Omroep. Of pas hier je cookie-instellingen aan.