Icon--search Icon--video Icon--play Icon--pause Icon--twitter Icon--facebook Icon-navIcon Icon--arrowLeft Icon--arrowRight Icon--audio Icon--photo icon--tag Icon--radio icon--contact volume-off Icon--volume-up

Het negende uur

De kruising tot in detail beschreven door Pieter Nouwen

Het was een rommelige schare, die aan het eind van de ochtend de heuvel optrok. Vooraan liepen tien soldaten en een onderofficier, zwaar van de wapens die ze droegen en de macht die ze vertegenwoordigden. Ze warden gevolgd door een man in een wit kleed vol bloedvlekken, wiens rug boog onder het gewicht dat hij moest dragen: twee hardhouten balken die in de vorm van een kruis aan elkaar waren bevestigd. Het langste uiteinde van het kruis schuurde aan de kiezels en de keien op het pad. Achter de veroordeelde liepen twee mannen die de techniek van het pijnigen beheersten. De eerste was een donker worstelaarstype en had een paar rollen touw over zijn schouder hangen. Nummer twee, pezig en kaal, droeg een zak met een hamer en hoekig gesmede spijkers die grote, platte koppen hadden en zo’n twintig centimeter lang waren. De beulen maakten grappen en rochelden en spuwden, tot ergernis van de priesters die nuffig hun gewaden vrij van stof probeerden te houden. Achteraan de optocht kwamen weer tien soldaten.

Met de stoet trok publiek mee. Er waren vrouwen die fluisterden of huilden, mannen die de drager van het kruis uitjouwden en kinderen die als jonge honden van voor naar achter renden en steentjes naar naar het slachtoffer gooiden. De man in het bebloede kleed wankelde naar boven, naar de plaats waar hij zou worden gedood omdat hij niet ontkend de zoon van God te zijn. Het licht van de zon, die bijna op zijn hoogste punt stond, werd verstrooid door hoge wolkensluiers, zodat de leden van de troep, de rotsen, de distels, en de struiken langs het pad bijna geen schaduwen wierpen. Een priester zei tegen een college dat het warm was voor de tijd van het jaar. De ander liet weten dat hij trek had in zijn middagmaal. Bovenop de heuvel waren al twee kruisen opgericht en tegen elk daarvan een man gespijkerd. De ene gilde om medelijden; smeekte dat men hem eraf zou halen. De andere had gebraakt en sloeg als een gek zijn hoofd heen en weer, in een radeloze ontkenning van zijn werkelijkheid. 
De soldaten warden opgesteld in twee rijen van tien, aan weerskanten van het kruis dat de veroordeelde had gedragen en dat nu tussen de twee andere op de grond was gelegd. De touwen waren links en rechts al een paar keer om de dwarsbalk gewonden. De man in het witte kleed moest met zijn rug gaan staan naar dat kruis, waaraan hij met handen en voeten zou worden vastgenageld. De onderofficier hield hem een beker voor, die was gevuld met gal en azijn. De man weigerde de beker. Na een knik van de hoofdman ontdeden de twee experts in het martelen de veroordeelde van zijn bovenkleed, daarna van zijn onderkleed. Naakt stond stond hij tentoongesteld in het verstrooide zonlicht op de heuvel. Even zweeg alles en iedereen, behalve een leeuwerik, die in het hoge witblauw de lente bejubelde. Het lichaam van de man was overdekt met rafelige wonden, veroorzaakt door de loden haken aan de knoet waarmee hij was geslagen. Op zijn hoofd was een kap van gevlochten doorntakken, die met stokken door de huid waren gedrukt. Het gedroogde bloed koekte in zijn haren. De naakte man met zijn bizarre kroon werd door het publiek meelijwekkend of belachelijk gevonden. De worstelaar gaf hem een kaakslag, zodat hij achterover op de lange balk van het kruis viel. De kale stond klaar en greep zijn linkerarm, die hij zo strak tegen de dwarsbalk bond dat de aderen zwollen. De worstelaar deed hetzelfde met de rechterarm. De touwen waren er voor de zekerheid. Ze waren er om te voorkomen dat de handen van de spijkers zouden scheuren door het gewicht van het lichaam, zodra het kruis rechtop werd gezet. De kale vond het eigenlijk een belediging van zijn vakmanschap, want hij wist precies waar en hoe hij de spijkers moest slaan zodat het lijf zonder touwen bleef hangen. Dat deed je helemaal onder in de handpalm, tussen de middenhandsbeenderen van de wijsvinger en de middelvinger. Vandaar dreef je het spitse metaal schuin door de pols het hout in.

De beul liet zijn vingers over de handpalm van zijn slachtoffer glijden, liefkozend bijna. Als een arts zocht hij de juiste plek voor zijn operatie. Nadat hij die plaats had gevonden, nam hij een van de ruw gesmede spijkers en zette de punt ervan op de huid. Hij zag hoe de hand vergeefs probeerde weg te draaien. Met de hamer gaf hij eerst een voorzichtig tikje, zodat het bloed rond het ijzer welde. De naakte man kreunde. De specialist voelde dat hij goed zat en daarna sloeg hij hard en precies. De man brulde en in een reflex schoot zijn linkerbeen omhoog. In een dierlijke paniek rukte hij aan de touwen. De tweede slag bracht de spijker in  het hout en daarna hamerde de kale beul door. De slagen deden denken aan het vlijtige getimmer op een bouwplaats, maar die gedachte kon niet lang duren vanwege het krijsen van de gemartelde. De soldaten keken neer op diens lijf dat kronkelde en bij het doorboren van het rechter polsgewricht  in een kramp verstarde. Sommige toeschouwers waren gefascineerd door de mogelijkheid van zo veel lijden en staarden naar dat trekkende lichaam – heel dichtbij en tegelijk ver weg in zijn ontstellende gang naar de dood. Anderen voelden mee met de beulen, zetten hun tanden in hun bovenlip en spanden hun vuisten bij iedere slag. Velen draaiden zich vol schaamte, weerzin of medelijden om. Nadat de worstelaar de voeten van de man een voor een had vastgespijkerd, werd het kruis met zijn jankende last overeind gehesen. Boven het hoofd van de gekruisigde hing een bord en daarop stond: Dit is Jezus van Nazareth, de koning der joden.

De onderofficier en tien soldaten betrokken de wacht op de heuvel, waarboven de lucht rond het middaguur donkerder ging kleuren. Hoe minder geluid de man aan het kruis maakte, des te luider werd hij door sommige voorbijgangers bespot. Ze zeiden dat ze best wilden geloven dat hij de koning van de joden was, als hij van het kruis af zou komen. Ook riepen ze dat de God, op wie hij blijkbaar zijn vertrouwen had gesteld, hem maar moest verlossen. Had hij niet ‘ik ben Gods zoon’ gezegd? Drie uur lang hingen de gekruisigde te sterven. Doordat hij niet kon bewegen, raakten zijn botspieren verkrampt en ging hij steeds moeilijker ademen. Desondanks sprak hij nog enkele woorden: onder meer vroeg hij God – die hij zijn Vader noemde – vergiffenis voor zijn beulen. In zijn voeten, benen en buik bleef in toenemende mate bloed stilstaan, zodat hij zijn hart en zijn hersenen al maar minder daarvan kregen. De lucht werd zo donker, dat de wachters en de toeschouwers zich onbehaaglijk gingen voelen. Rond het negende uur joeg een siddering door het getormenteerde corpus van het slachtoffer en met een laatste inspanning riep het: ‘Eli, Eli, lama sabachthani?’ Dat is: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt ge mij verlaten?’ 
De zwarte hemel, de grauwe bestofte heuvel, de vogels, de struiken, de distels, de moordenaars aan de andere twee kruisen en de wachters bleven stil. In die stilte vroeg een toeschouwer zich zenuwachtig lachend af, of de nepkoning misschien aan de profeet Elia heeft gevraagd hem te redden. Een van de soldaten nam zwijgend een spons, drenkte die met zure wijn, stak haar op zijn lans en gaf de man aan het kruis te drinken. Deze schreeuwde nog eenmaal in stilte; het was een schreeuw die moest weerklinken tot in de verste uithoeken in het heelal. Daarna gaf hij de geest.

De evangelist Mattheüs vervolgt deze beschrijving aldus: ‘En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde en de steenrotsen scheurden; en de graven warden geopend en de vele lichamen der ontslapen heiligen warden opgewekt. En zij gingen uit de graven en kwamen in de heilige stad, waar ze aan velen  verschenen. De hoofdman en zij, die met Jezus bewaakten, zagen de aardbeving en wat er plaatshad en ze warden zeer bevreesd en zeiden: “Waarlijk, deze is Gods zoon geweest.”


Dit is een fragment uit de bundel: Pieter Nouwen verzameld. ISBN 
9789068685664. 
Voor meer informatie, klik hier

Geef een reactie

Om reacties te kunnen lezen en/of schrijven moet je toestemming geven voor het plaatsen van cookies.
Klik hier als je toestemming geeft voor het plaatsen van cookies bij het bezoek aan de websites van de Nederlandse Publieke Omroep. Of pas hier je cookie-instellingen aan.