Icon--search Icon--video Icon--play Icon--pause Icon--twitter Icon--facebook Icon-navIcon Icon--arrowLeft Icon--arrowRight Icon--audio Icon--photo icon--tag Icon--radio icon--contact volume-off Icon--volume-up

‘Ik was één bonk desinteresse’

De bekering van een kapitein

De zondag vond hij “een rampenplan”. Naar de kerk, koffiedrinken, eten en weer naar de kerk. “En verder mocht je niets.” Wacht maar tot ik 18 ben, dacht hij vaak. Inmiddels is Jan Tuinier 37 en neemt hij in juni afscheid als kapitein van de Africa Mercy, het hospitaalschip van de christelijke hulporganisatie Mercy Ships.

“Ik weet nog goed dat ik als 12-jarige een bijbeltje kapot heb gescheurd. ‘Ik ga nooit meer bidden,’ zei ik. Ik voelde een enorme haat. De reden dat ik ben gaan varen, was dat ik niet meer thuis wilde zijn. Vooral in de weekenden niet.”

Dagelijkse kloffie
Met liefde spreekt kapitein Jan Tuinier over zijn ouders – zijn vader is drie jaar geleden overleden – en mildheid klinkt door als hij praat over de kerk van zijn jeugd. “Mijn vader was overtuigd christen, daar heb ik nooit aan getwijfeld. Nu zeg ik: God heeft overal Zijn kinderen zitten, ook in ‘zware’ kerken. Daarom wil ik er niet tegenaan schoppen. Maar als kind vond ik de sfeer enorm benauwend.”

Liever een leuk leven
Jan groeit op in de gereformeerde gemeente, maar het strenge geloofsleven past hem niet. “Er waren allerlei regeltjes, zonder dat iemand mij kon uitleggen waarom ik mij daaraan moest houden. Of je in de hemel kwam, moest je nog maar afwachten. Uiterlijk was ik één bonk ongeïnteresseerdheid, maar vanbinnen snapte ik het gewoon niet. Ik was de derde van zes kinderen en zou wel even laten zien dat ik me niks aantrok van al die regeltjes. Ik ging naar de disco, dronk veel en kwam laat thuis. Ik heb jarenlang de sfeer thuis verrot gemaakt. Bewust.”

Rode loper

Na zijn schooltijd gaat Jan aan het werk op een binnenvaartschip. Het vrije leven ligt als een rode loper voor zijn voeten. “Maar het geloof was voor mij nog geen afgesloten hoofdstuk. God bestaat, dat wist ik zeker. Ergens voelde ik dat ik een keuze moest gaan maken: geloof ik nu wel of niet?”
Als Jan, die inmiddels matroos is, hoort dat de organisatie Mercy Ships wel wat ‘hens aan dek’ kan gebruiken, solliciteert hij. “Ik koos voor de Caribbean Mercy, het andere schip dat toen nog in de vaart was en vooral in Caribisch gebied voer. Lekker ver weg. Al was ik niet gelovig, mensen helpen kon geen kwaad.” Omdat de toenmalige kapitein hard mensen nodig heeft, mag Jan in 2001 als vrijwilliger aan boord komen.

Ronduit verwarrend
Jan heeft veel ervaring in de binnenvaart, waar het onderhoud heel precies gebeurt. Het ruwe werk op het zeeschip gaat hem makkelijk af. Zijn kwaliteiten vallen op en binnen een paar weken wordt hij bevorderd tot bootsman, de leider van de matrozen.
Het gemeenschapsleven aan boord is voor de streng-christelijk opgevoede Jan ronduit verwarrend. “Al die mensen waren blij, ondanks dat ze christen waren. Dat zal wel dat lichte gedoe zijn, waar in onze kerk altijd voor werd gewaarschuwd, dacht ik.”

Boodschap van God
Op een avond moet Jan wachtlopen bovenaan de loopbrug van het schip, dat ligt afgemeerd in een haven. Het is al laat, als er een Filipijnse zeeman van een schip dat achter de Caribbean Mercy ligt, naar hem toekomt met de vraag om een bijbel. “Ik liet een zak met bijbels en literatuur komen en die man ging blij weer weg.” Maar wanneer de man bijna bij de havenpoort is, keert hij zich om. Als de man opnieuw bovenaan de loopplank staat, zegt hij tot Jans grote verbazing: “Ik heb een boodschap van God voor jou. De Heilige Geest wil dat ik tegen je zeg: Jeremia 33 vers 3. Een fijne avond nog.” In zijn hut zoekt Jan het bewuste vers op en leest: ‘Roep Mij aan, en Ik zal je antwoorden.’ “Dat sloeg in als een bom. Alsof ineens het kwartje viel: God wil je antwoorden, maar je moet wel durven roepen! Dat was het antwoord waarnaar ik zocht. Ik hoefde niet van alles te doen of te laten, in de hoop dat ik goed genoeg werd bevonden. God had alles al gedaan en Hij stond als het ware met open armen op mij te wachten.”

Schoon schip
Terug in Nederland maakt Jan schoon schip; hij biedt zijn ouders en broers en zussen excuses aan. Daarna keert hij terug bij Mercy Ships. Op het schip leert hij voor tweede en eerste stuurman en uiteindelijk voor kapitein. In de tussentijd ontmoet hij zijn vrouw Elisabeth, uit de Dominicaanse Republiek, met wie hij in 2004 trouwt. In 2006 wordt hun dochter Isabella geboren.

Jan is trots op wat hij heeft bereikt, maar: “ik heb er hard voor moeten werken. Bovendien: in Nederland is het normaal om een baan te vinden, geld te verdienen, je gezin te onderhouden en pensioen op te bouwen. Maar zo werkt het hier niet. Ik ben kapitein, 37 jaar, en heb geen cent. Op de vliering bij mijn moeder staan acht bananendozen, dat is het. En toch: we zijn nog nooit iets tekortgekomen.”

Tekst: Mirjam Hollebrandse
Beeld: Mercy Ships (Ruben Plomp)

Deel dit artikel:

Geef een reactie

Om reacties te kunnen lezen en/of schrijven moet je toestemming geven voor het plaatsen van cookies.
Klik hier als je toestemming geeft voor het plaatsen van cookies bij het bezoek aan de websites van de Nederlandse Publieke Omroep. Of pas hier je cookie-instellingen aan.