Icon--search Icon--video Icon--play Icon--pause Icon--twitter Icon--facebook Icon-navIcon Icon--arrowLeft Icon--arrowRight Icon--audio Icon--photo icon--tag Icon--radio icon--contact volume-off Icon--volume-up

In welke cultuur werd Jezus geboren?

De 8 belangrijkste ideeën waarmee Jezus werd opgevoed

In Nederland steek je als lifter je duim omhoog. Maar in de meeste landen hoor je dan een gebaar te maken alsof je een onzichtbare basketbal op de grond stuitert. Dus Nederlanders staan regelmatig ergens ver weg in de brandende zon uren gefrustreerd te wachten, vol onbegrip waarom anderen die zo raar aan het ‘lucht-basketballen’ zijn wél meteen wordt meegenomen. En met een beetje pech krijgen ze een stomp van een woedende voorbijganger, omdat ons gebaar voor liften in veel culturen iets betekent als: ga hierop zitten…

Je kunt iemand pas begrijpen, als je zijn of haar achtergrond kent. Jezus leefde ongeveer van het jaar 0 tot 30, in het land Israël. Een cultuur die de onze diepgaand heeft beïnvloed, maar ook heel anders was. Daarom nu acht belangrijke gedachtes van zijn tijdgenoten. Met deze denkbeelden is Jezus opgegroeid. Later ging hij zich wel onderscheiden en werd Jezus een vernieuwer, maar hierin bewoog hij zich. Als hij de vis was, was dit zijn water.

1. ‘Het leven is zwaar’
De eerste eeuw is een van de saaiste uit de wereldgeschiedenis. Het Romeinse rijk heeft zijn belangrijkste veroveringen gedaan en een lange periode van relatieve vrede is aangebroken. Er zijn geen denkers die grote nieuwe ideeën ontwikkelen. En de enige uitvinding in deze hele eeuw zou je haast vergeten: de steunbeerdam. Dat is een muur die als dam functioneert en door steunberen wordt verstevigd. Roffel, paukeslag.

De tijd stond in deze eeuw een beetje stil. In de eeuwen ervoor waren er veel technische innovaties geweest. De mensen werden minder afhankelijk van het weer, omdat ze kunstmest ontwikkelden, irrigatiesystemen en voedselopslag. De meesten konden nog niet lezen en schrijven, maar door het schrift konden ze wel oude adviezen overnemen en soms ziektes succesvol behandelen. Ook wetten waren zo minder aan de grillen van een willekeurige leider onderhevig.

Iedereen had misoogsten meegemaakt en wist wat honger was. Iedereen was ooit beroofd en voelde zich zelden veilig onderweg. Iedereen had een broertje of zusje verloren en droeg dat bittere gemis met zich mee. Iedereen kreeg onbehandelbare infectieziektes en kon dan niet anders dan hopen dat het vanzelf overging. Iedereen had regelmatig verschrikkelijke kiespijn. Iedereen had een familielid die in een oorlog of een kraambed was gestorven.

2. ‘Bescherm je familie voor alles’
Mensen in zo’n harde omgeving ontwikkelen een soort rock ’n’ roll-mentaliteit. Wij zouden ze waaghalzen vinden, die onverantwoorde risico’s nemen. Maar het is de enige optie om überhaupt te leven. De enige zekerheid die je hebt, is je familie. Je hebt geen verzekeringen, geen contracten, geen uitkeringen, geen vast inkomen. Je familie is je overleven. Alleen zij helpen je in zware tijden. Daarom doe je ook alles voor hen. En voor jullie imago. Want als andere families jullie niet vertrouwen, valt er ook niets meer te handelen en heb je als hele familie een probleem.

Daarom waren alle culturen in de eerste eeuw (en die daarvoor) zogeheten schaamteculturen. Iedereen was zich zeer bewust van het oordeel van anderen. Je doet alles om jouw ‘eer’ te beschermen en ‘schande’ te voorkomen. In Nederland kennen we dit nog bij Nederlanders van Marokkaanse of Turkse afkomst, vooral de eerste generatie. Cultureel gezien staan zij dichter bij de Bijbel. Als je Jezus’ cultuur wilt begrijpen, kun je beter met je Marokkaanse buurman praten, dan met een dominee!

In deze tijden is er weinig zo kwetsbaar als de zwangerschap. Veel vrouwen overlijden in het kraambed en een extra mond is een hele belasting om te voeden. Maar er is geen anticonceptie en een verkrachting kan zelden worden bewezen en berecht. Daarom is in een schaamtecultuur alle seksualiteit vol taboes, vooral die van vrouwen. Zij dragen kleding die elke suggestie moeten vermijden – in de Bijbel droegen alle vrouwen bijvoorbeeld hoofddoekjes. In een veilige samenleving als de onze, waar politie en justitie prima functioneren en zwangerschappen nauwelijks nog gevaarlijk zijn, kan men zich daar lastig in inleven en kijkt men daar vaak op neer.

3. ‘Er is maar één God’
Zo’n wisselvallig bestaan schreeuwt om religie. In Jezus’ tijd geloofde bijna iedereen op aarde in meerdere goden (polytheïsme). Die goden hoorden bij een bepaalde streek en een specifieke thema: Artemis was bijvoorbeeld aan de stad Efeze verbonden en stond voor vruchtbaarheid. Iedereen had wel zijn favoriete godheid, maar je kon er veel naast elkaar dienen. Je bracht offers om bepaalde gunsten te regelen, maar als de betreffende godheid niet ‘uitkeerde’, kon je even makkelijk overstappen. Men zag ze als een bovennatuurlijk netwerk, hemelse ‘kruiwagens’. Handig om ze te vriend te houden, maar je wist nooit hoe betrouwbaar ze waren.

Zolang deze zienswijze bestond, was daar al kritiek op. Enkele denkers vroegen zich af of je überhaupt wel iets over die goden kunt weten (agnosten), hier en daar ontkende zelfs iemand ronduit hun bestaan (atheïsten). Maar er waren ook enkele stammen, sektes of denkers die geloofden dat er slechts één God is (monotheïsme). Tegenwoordig zijn de meeste mensen daarvan overtuigd – een van de opvallendste gevolgen van Jezus’ leven. Maar toen was dit nog een revolutionaire gedachte, die het dan ook zelden lang volhield.

Slechts bij een enkel volkje aan de Middellandse Zee bleef dit geloof een langere periode stabiel: Israël. In Jezus’ tijd was dit daar de ‘fabrieksinstelling’. Als Jood geloofde je automatisch in die ene God, met zijn mysterieuze naam Jawè, dat zoiets betekent als: hij die is. Zo kregen de Joden iets taais en eigenwijs. Zij vormden de enige cultuur op aarde die niet naar andere goden konden ‘overstappen’ – die bestonden in hun ogen namelijk niet. Het gebeurde in de praktijk natuurlijk wel, maar het lag veel gevoeliger, vergelijkbaar met een hedendaagse moslim in Nederland die van zijn geloof valt. Deze unieke religie van de Joden is de reden dat ze het enige volk uit die tijd zijn dat de zwaarste stormen heeft doorstaan – waaronder een hoogtechnologische genocide – en nog steeds bestaat.

4. ‘God woont in de tempel in Jeruzalem’
Ook in hun rituelen voelden de Joden zich bijzonder. In alle religies was het toen gebruikelijk om offers aan de goden te brengen; dat deed je op speciale heilige plekken waar hun beelden stonden. Daar legde je contact en zette je je verzoeken kracht bij. Als jij iets geeft aan de goden, moeten ze – volgens een heel basaal gevoel van rechtvaardigheid – wel iets teruggeven.

De Joden offerden alleen in de tempel in Jeruzalem. Ze ervoeren hun ene Jawè als zo verheven, dat alle andere plekken te onheilig waren. Om die reden waren zij ook het enige volk op aarde dat geen godenbeelden kende en die zelfs verbood. De Romeinse generaal die Jeruzalem veroverde (een generatie vóór Jezus) was stomverbaasd dat hij in het centrale deel van de Joodse tempel geen kostbaar godenbeeld aantrof. Joden deden dan ook minder aan het gebruikelijke religieuze ‘handjeklap’. Zo’n abstracte Jawè was niet om te kopen. Offeren bewees voor hen vooral dat het je serieus was en je wat over had voor je geloof.

Het tempelcomplex besloeg in totaal een kwart van de hoofdstad en stak overal boven uit. Er waren stenen tot wel 600 ton in verwerkt, het plein was zo’n 500 meter lang en de hoogste toren mat 46 meter. Er kwamen uit verre streken toeristen om de architectonische schoonheid te bewonderen. Met de grote feesten waren hier naar schatting 300.000 tot 400.000 pelgrims.

De enkele focus op Jeruzalem maakte kwetsbaar. Sinds een andere Romeinse generaal (een generatie ná Jezus) de tempel vernietigde, hebben Joden nooit meer geofferd. Het christendom was daar zelfs nooit aan begonnen en werd de eerste offerloze religie ooit. Het Jodendom wist deze klap echter te verwerken, omdat het al verspreid was over het hele Romeinse rijk en men was gewend aan alternatieve ‘surrogaattempeltjes’, de synagogen.

5. ‘Israël heeft een unieke taak’
De Joden vormden dus een uitermate zelfbewust volk. Hun land is ongeveer even hoog als Nederland en slechts half zo breed. Als je stevig doorloopt ben je in een paar dagen overdwars, met een paard in een dag. Maar de Joden geloofden dat dit het Beloofde Land was, dat God hen speciaal had gegeven. Deze overtuiging speelt nog steeds een grote rol in de conflicten met de Palestijnen tegenwoordig. Ongeveer een eeuw na Jezus verloren ze alle zeggenschap over hun heilige land, maar in 1948 kwamen hun eeuwenoude teksten plotseling weer tot leven en werd hun staat hersteld.

Hun visie was uiteindelijk niet nationalistisch, maar globalistisch. De meeste Joden verbleven niet eens in het Beloofde Land zelf, maar erbuiten. En als ze er wel woonden, trokken er voortdurend handelaars doorheen en regelmatig vijandige legers. Israël lag op een kruispunt van wegen. Jezus had een tijdlang onderdak in Kafarnaüm, dat meteen naast de beroemde ‘via marum’ lag, verbonden aan de uitgestrekte Zijderoute. Daar reisden ook Chinezen, Koreanen, Mongolen en Batavieren. Zoals de meeste Joden, zal hij hen hebben ontmoet en – met wat gebaren – hebben gesproken.

Maar de Joden dachten vooral zo internationaal omdat hun God dat was. Jawè hoorde niet bij een enkele streek en een specifiek thema: hij had alles en iedereen gecreëerd. Uiteindelijk bepaalde hij dus de bestemming van alles en iedereen. Volgens de Joden speelde Israël daarin een sleutelrol. God had juist met hen een afspraak gemaakt, een ‘verbond’ gesloten. Hun ene volk was ‘uitverkoren’ om alle anderen te beschijnen met een groot licht. Met een wonderlijke twist hebben ze hier achteraf gelijk in: geen religie werd zo populair als de Joodse – in de christelijke aftakking dan – en de enige figuur die in alle bestaande 196 landen wordt aanbeden, is een Jood.

6. ‘Mozes’ wet hoort bij ons’
De identiteit van de Joden werd nog eens versterkt door een heel eigen stelsel van leefregels. Hun grootste profeet, Mozes, had lang geleden de Wet gegeven. Namens Jawè had hij 613 regels opgesteld voor het dagelijks verkeer. Dat is een fractie van moderne samenlevingen: in Nederland hebben we ruim 2.000 wetten en 10.000 bepalingen, en er komt jaarlijks nog 3 procent bij.

Diverse regels leken op die van andere volken, maar sommige vielen erg op: jongetjes acht dagen na de geboorte besnijden (de voorhuid van de penis eraf snijden); geen varkensvlees eten (en nog enkele andere, ongebruikelijkere dieren); en om de zeven dagen een dag rust (de sabbat, onze zaterdag). Het waren vooral deze paar uitzonderlijke regels die belangrijk waren voor de Joodse identiteit. Dat lijkt op hoe sommige moslims tegenwoordig heel zelfbewust een hoofddoek gaan dragen: dat is deels een statement om te bepalen wie je bent. Om diezelfde reden worden sommige adolescenten vegetariër, goth, ‘larper’, enzovoorts.

Het was daarom verontrustend als een Jood zich niet aan de Wet hield. Iedereen kende wel voorbeelden. Er waren Joodse mannen die een primitieve vorm van plastische chirurgie lieten toepassen om hun besnijdenis terug te draaien; zo vielen ze niet meer op bij het sporten, dat Grieken en Romeinen immers meestal naakt deden. Jezus groeide op in de buurt van hippe nieuwbouwsteden, hij zal daar zelf hebben gewerkt en gezien hoe leeftijdgenoten, liever dan op de sabbat in de synagoge bidden, daar gingen stappen. Misschien zelfs in de theaters, waar liederlijke stukken werden opgevoerd – soms naakt.

Zoiets is voor iemand in een schaamtecultuur verschrikkelijk: het spot met alles wat je moet beschermen. Het voelt alsof je wereld uit elkaar valt. Nu moest het wel van kwaad tot erger gaan…

7. ‘De Romeinen zijn onze straf’
De Wet was namelijk veel meer dan identiteit. Het was leven. Als je die volgde, moest alles wel voorspoediger gaan. Jawè had immers had immers die regels gegeven, en hij had alles geschapen en kende dus de geheimen van zijn schepping het beste. Andersom, als je deze regels overtrad, moest dat wel op een drama uitlopen. Zoals meer Joodse overtuigingen, klinkt dit primitief in Westerse oren. We denken aan een schuimbekkende, langbaardige god die bliksems smijt vanaf zijn wolkje. Die voorstelling komt echter uit ‘onze’ Germaanse mythologie en heeft weinig te maken met Jawè.

Voor de Joden was Gods oordeel niet willekeurig, maar volkomen logisch. God weet het beste hoe het leven werkt. Als je zijn unieke kennis naast je neer legt, moet dat wel mis gaan. Dat hebben we tegenwoordig nog sterker. We vinden het ‘logisch’ dat je longkanker krijgt als je kettingroker was. Dat je hartklachten hebt als je teveel eet. Dat je een ongeluk krijgt en een zware straf, als je met te veel op rijdt. Niet dat we zoiets hardop zeggen, maar we denken het wel: zo werkt het leven nu eenmaal. Als je je niet aan de juiste principes houdt en de adviezen van de experts in de wind slaat, dan merk je de gevolgen. Dan word je ‘gestraft’.

Voor de Joden was dat hun ballingschap die maar voortduurde. Al zeven eeuw werden ze onder de voet gelopen door het ene wereldrijk na het andere: Assyrië, Babylonië, Perzië, Egypte, Griekenland, en in Jezus’ tijd dus Rome. De beste verklaring die zij hiervoor hadden, was dat ze de Wet hadden overtreden. En daarom werden ze juist in hun trots gestraft: hun Beloofde Land. Hun heilige natie was vrijwel zonder onderbreking bezet door vreemde volken, hele generaties waren in ballingschap weggevoerd en de meeste Joden woonden nu ver van de heilige tempel.

8. ‘De messias komt ons bevrijden’
Dit is het grote trauma van de Joden. Hierover gaan bijna al hun heilige teksten en liederen: wij zijn ‘uitverkoren’, God sloot met ons zijn ‘verbond’, maar wij konden onze hoge roeping niet aan en nu is alles op een drama uitgelopen. Maar ze bleven hopen. Hun heilige teksten vertellen namelijk ook dat Jawè keer op keer ingrijpt en hen verlost. Prachtige verhalen over mensen die verdwaald waren, wanhopig, diep in de put. En dan telkens kwam God toch nog, volkomen onverwacht, met een oplossing.

In Jezus’ tijd hoopten bijna alle Joden op ‘Gods koninkrijk’. Hun heilige land zou eindelijk vrij worden van die bezetters. Duizend jaar lang of zelfs zonder einde, er zou een tijd komen van voorspoed en vrede, waarin God centraal stond. Vandaar: Gods rijk. God zou daar overal in kunnen doorwerken. Het Beloofde Land zou in haar oude glorie worden hersteld en alle volken op aarde zouden ervan profiteren. Israël zou eindelijk het licht voor de wereld zijn zoals het altijd de bedoeling was geweest.

Hoe? Als iedereen de Wet zou houden, uiteraard, maar ook zoals het in hun heilige teksten vaak ging: een held zou de vijanden verslaan. De meeste Joden hoopten op een figuur die ze ‘Messias’ noemden. Iemand met koninklijk bloed, een nakomeling van hun eerste koning David. Tijdens Jezus’ leven waren er al diverse figuren uitgeroepen tot die Messias. Ze verzamelden een groep volgelingen, pleegden aanslagen en begonnen een opstand. De Romeinen hadden hen telkens wreed neergeslagen en de mesiassen gekruisigd.

En toen kwam Jezus.


Auteur: Reinier Sonneveld

Deel dit artikel:

Geef een reactie

Om reacties te kunnen lezen en/of schrijven moet je toestemming geven voor het plaatsen van cookies.
Klik hier als je toestemming geeft voor het plaatsen van cookies bij het bezoek aan de websites van de Nederlandse Publieke Omroep. Of pas hier je cookie-instellingen aan.