Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Ds. Paul Visser: 'Diep vanbinnen had ik een hekel aan het geloof'

Ds. Paul Visser: 'Diep vanbinnen had ik een hekel aan het geloof'

"Mijn vader zei: 'Als je geen roeping hebt om dominee te worden, heb ik liever dat je wat anders gaat doen.'" Maar ds. Paul Visser had een roeping. Op zijn 14e al. Toch liep de weg compleet anders dan hij zich had voorgesteld. Nu woont en werkt hij in Amsterdam. "De meest seculiere plek van Nederland. Dus ik kan m'n lol op."

Veertien is hij, als Paul Visser in een zendingsblaadje leest dat de velden wit zijn om te oogsten en dat er arbeiders nodig zijn. Dat zinnetje blijft hangen en hij stelt zich in een gebed beschikbaar voor God. “Terwijl ik op de fiets zat, onderweg naar school, kwam er een tekst in mijn hoofd: ‘Ik zal je ver naar de heidenen afzenden.’ Nu ja, dat leek me een zelfbedachte tekst. Ik had geen idee waar die in de Bijbel zou kunnen staan, dus ik heb er die dag niet meer op gelet.”

Als hij ’s avonds zijn bijbel openslaat bij Handelingen 9, is het de eerste zin die hij leest. “Toen wist ik: ‘Ik heb het niet zelf bedacht. Dit is van God.’” Voor Paul is het duidelijk: hij gaat de zending in.

Eén grote eigen interpretatie

Ontspannen zit hij op de zwartleren stoel in zijn studeerkamer, hartje Amsterdam. Zijn stem is zacht, zijn ogen vriendelijk. Soms lichten ze op. Dan bewegen zijn armen en stijgt het volume. Net zoals hij zondags op de preekstoel staat, in de Noorderkerk, midden in de Jordaan. Waar hij, zoals velen zeggen, niet preekt, maar met je praat. Waar hij zo nu en dan met zijn vingers over een tablet veegt, om te zien waar hij was gebleven.

Hij gáát voor Amsterdam, voor de Jordaan, al is het zeker niet altijd gemakkelijk. “Wat ik in de loop van de jaren geleerd heb, en zeker in Amsterdam, is dat je veel meer níet ziet van God dan wél. Hij dient Zich op een heel fragmentarische manier aan. Eigenlijk zie je dat ook bij Jezus’ opstanding. Hij manifesteert zich niet in Jeruzalem, gaat niet bij Kajafas en Pilatus langs om Zijn gelijk te halen. Nee, Hij verschijnt ergens in een tuin, bij de discipelen, en bij die en gene; heel incidenteel. Maar intussen is Hij wel opgestaan!”

Die gedachte troost Visser op momenten dat het lijkt of andere machten en krachten het in Amsterdam voor het zeggen hebben. “Want het komt echt wel eens op me af: zitten die mensen er dan allemaal naast? Ben ik dan degene die het zou weten? Is het niet één grote eigen interpretatie? Het is soms zo onwerkelijk. Dan denk ik: ‘God, waar bent U nu? Als het verlorene U dan ter harte gaat...’ Dat roep ik wel naar de hemel, ja. In vertwijfeling en wanhoop, maar ook in aanvechting. Tot Hij dan opeens weer ergens heel krachtig zichtbaar wordt. Nee, niet groots of manifesterend, juist klein en persoonlijk, bijna te verwaarlozen. Maar niets staat Christus in de weg om juist hier Zijn werk te doen. En als je ziet hoe Hij links en rechts aan mensen verschijnt, niet alleen in Amsterdam maar wereldwijd, dan gaat het je duizelen.” Met een lach in zijn stem: “Daarvan kan ik helemaal ondersteboven raken. Dan weet ik: Hij leeft!”

Zou u willen dat God Zich hier in Amsterdam meer zou openbaren?

“Ik zou willen dat Zijn Koninkrijk hier zou doorbreken. Dat iedereen ziet dat ik het bij het rechte eind heb, haha. Dat het Evangelie het beste verhaal is. Ik zou willen dat Hij zich vaker openbaart door tekenen en wonderen, en dat meer mensen tot de overtuiging worden gebracht dat Hij de Levende is. Maar zo is het niet. Het gaat er net zo dramatisch aan toe als in de Bijbel: God wordt afgedankt. Toch houdt Hij niet op van Zich te laten horen. Daarom blijf ik ervoor gaan, al ervaar ik dat het een gevecht is tussen duisternis en licht. Missionair zijn is geen handigheidje. Je begeeft je op het terrein van de boze, de grote tegenspeler.”

Op het nippertje

In dat licht is Visser er steeds weer verbaasd over hoe mensen op zijn pad komen. En hoe sommigen die niets met het geloof hebben, er van het ene op het andere moment alles mee krijgen. “Dat organiseer ik niet, dat gebeurt. Mensen zitten echt niet gelijk zondags in de kerk, maar er is contact, openheid, gesprek, gebed.” Hij vertelt over een oude man, ergens in de 80, uitgesproken atheïst. Elke maandag, als er ‘open kerk’ is, kwam hij naar de Noorderkerk om piano te spelen. Toen hij zich eens aan Visser voorstelde, zei hij: ‘Ik heb niets met God, maar ik vind het fijn dat ik hier in de Noorderkerk piano kan spelen. Ik zal voor u een mooi stuk spelen: Erbarme Dich, van Bach.’ Visser: “Dat deed hij heel mooi, dus toen ik hem een compliment gaf, zei ik: ‘Ik hoop één ding: zo mooi als je het nu gespeeld hebt, hoop ik dat het ooit nog eens over je lippen komt. Als een gebed.’ ‘Daar moet u nooit op rekenen,’ antwoordde hij. Waarop ik zei: ‘Je weet maar nooit.’”

Na een jaar werd de man ziek en kwam er vanuit de open kerk de vraag om in de dienst voor hem te bidden. Dat deed Visser en de week erna ging hij bij hem op bezoek. “Hij zei tegen mij: ‘Ik heb gehoord dat je voor mij gebeden hebt.’ Toen ik dat bevestigde, ging hij verder: ‘Dus jij wilt beweren dat die God van jou er ook voor mij zou zijn?’ ‘Dat beweer ik niet alleen,’ antwoordde ik, ‘dat weet ik wel zeker.’ Ik vroeg hem of hij er bezwaar tegen had dat ik voor hem had gebeden, waarop hij zei dat ik moest doen wat ik niet laten kon.”

Toen Visser een aantal weken later opnieuw op bezoek ging, was hij erg achteruit gegaan. ‘Het is nu of nooit’, dacht hij, aan het eind van zijn bezoek, en zomaar ineens vroeg hij: ‘Vind je het goed als ik een gebed met je doe?’ Tegen zijn verwachting in zei de man ‘ja’. “Ik had net een preek gemaakt over de barmhartige Samaritaan, waarin het onder andere ging over het woord ‘herberg’. In de grondtekst staat voor ‘herberg’ een woord dat betekent ‘huis voor allen’. Ik dacht: ‘Nu moet ik hem op de ezel van mijn gebed naar dat huis voor allen, het Vaderhuis, brengen.’ Ik heb in vijf regels gebeden: ‘Ontfermt U zich, Erbarme Dich. Wees genadig voor deze man, laat er een plek zijn bij U.’ Toen ik amen zei, stond hij op, omhelsde me en zei: ‘Wij zijn voor eeuwig vrienden.’

Dat was zo’n bijzonder moment. Zomaar ergens drie hoog, maar God was aanwezig. Christus brak in een ommezien met Zijn liefde alle verzet. De dag erna belde ik hem. Hij zei alleen: ‘Dat was op het nippertje, hè?’ Diezelfde dag is hij overleden.”

Verzet tegen God

Voor Visser zelf is geloven overigens nooit een vanzelfsprekendheid geweest. Hij weet hoe makkelijk het is om niet te geloven, en vindt ongeloof dan ook nooit raar. “Als God niet van Zich had laten horen in mijn leven, was ik compleet ongelovig geworden. Ik heb het verzet tegen Hem diep in mijzelf gevoeld.” De herinnering daaraan dateert al vanaf zijn vierde levensjaar.

Het geloof zegt hem in zijn kindertijd helemaal niets. Hij doet mee voor de vorm, om geen gedoe te krijgen. Het lag niet aan zijn ouders, benadrukt hij. Zij waren heel lieve, gelovige mensen. “Het geloof zat me in de weg, ik had er diep vanbinnen een hekel aan, zo jong als ik was. Een verzet als van ‘Ik wil geen God’. Als ik erover praat, voel ik nog de emotie. Het was meer dan zomaar kinderlijk schoppen, het was iets van een andere geest. Mijn broer, de oudste zoon van mijn ouders, was van kinds af vervuld met de Heilige Geest. Op een heel bijzondere manier. Ik heb hem nooit gekend; hij overleed op zijn zevende aan een buikvliesontsteking en pas anderhalf jaar later werd ik geboren. Achteraf heb ik vaak het gevoel gehad dat de boze heeft gezegd: ‘De volgende is voor mij.’ Alsof hij mij van jongs af aan te pakken nam.”

Zoals zijn broer vanaf zijn vierde met veel geloof en overgave spreekt over God, zo is het bij Visser precies omgekeerd. Hij beleeft plezier aan zijn verzet. “Dat was het duivelse eraan. Het gevolg was dat ik op een stiekeme manier mijn eigen leven leidde. Ik deed in die tijd – zij het op een kinderlijke manier – heel veel dingen die God verboden heeft. Gebed, de Bijbel, op zondag naar de kerk gaan; het is allemaal finaal langs me heen gegaan. Ik wist natuurlijk heus wel hoe ik het spelletje spelen moest, zodat het niet opviel, maar ik kan me niet herinneren dat ik als kind ooit echt voor iets gebeden heb.”

Gejatte rol snoep

Zijn ouders merken er weinig van, want aan de buitenkant is hij een aardig jongetje. Maar het is voor hem een uitgemaakte zaak: ‘Als ik 18 ben, is het over en klaar.’ Tot hij op zijn 11e de oudejaarsdienst bijwoont. Zijn vader preekt uit 1 Johannes 2: ‘Kinderen, het is de laatste ure’, en de jonge Visser zit al snoep etend de dienst uit. Maar als zijn vader ergens halverwege de preek de tekst nog een keer noemt, dringt bij de 11-jarige Paul ineens het besef door: ‘Dit is God.’ “Op dat moment wist ik: Hij leeft en Hij heeft me iets, ja alles te zeggen. Ik kan niet meer om Hem heen. Een overweldigende ervaring; ik heb geen snoepje meer gegeten.”

Als hij na de dienst naar huis loopt, gooit hij de resterende halve rol snoep in een rioolput. “Mijn eerste daad van bekering, want die rol was gejat.” Die avond gaat hij voor het eerst echt op zijn knieën. Niet meer zomaar een kindergebedje, maar anders. “Een vraag om vergeving. Om Gods hulp, om Zijn Geest. Of Hij naar me wilde omzien en met me door wilde gaan.”

Overhoop met God

Vissers gebed wordt verhoord. Hij voelt zich geroepen om de zending in te gaan en kiest daarom voor een studie theologie. Hij neemt contact op met een zendingsorganisatie binnen zijn kerkverband, die hem adviseert eerst zijn doctoraal te doen met als hoofdvak missiologie. Als hij dat heeft afgerond, zijn er twee zendingsvacatures en Visser solliciteert. Maar het onmogelijke gebeurt: hij wordt afgewezen. Omdat hij stottert.

“Dat was een heel, heel hard gelag.” Hij valt even stil. Dan: “Als ik daaraan denk, word ik weer emotioneel. Dit was zo ongelofelijk, zo onbegrijpelijk. Ik wist natuurlijk ook wel dat ik stotterde, maar het was voor mij een zaak van geloof om aan Gods roeping te beantwoorden. Hij zou daarin Zelf voorzien, hoe dan ook. Daarvan was ik overtuigd. Maar deze organisatie zag het niet zitten. Onbestaanbaar. Ik was er van mijn 14e tot mijn 24e mee bezig geweest! Ik snapte er helemaal niets van. De velden waren wit om te oogsten, ik wist me heel duidelijk geroepen. Maar ik werd afgewezen. Dat heeft er enorm ingehakt. Complete verwarring, ik lag overhoop met God. Hoe dat eruitziet? Ik slik niets in, alles komt eruit. God krijgt als het ware de volle laag.” Hij glimlacht: “Voor zover ik dat kan, natuurlijk.”

“De enige die dan antwoord geven moet, is God. Met goedbedoelde woorden van anderen kan ik niets. En God sprak. In die enorme verwarring en vertwijfeling, kwam er een vertrouwen als nooit tevoren. Dat Hij toch zal doen wat Hij zegt, en met mij doorgaat. Maar ook dat Zijn kracht in mijn zwakheid wordt volbracht. En dat heeft Hij op een ongelooflijke manier bewezen.”

Doorgewinterde gelovige

Lange tijd denkt Visser dat de zending op een of andere manier nog voorbij zal komen. Dat gebeurt niet, maar door de jaren heen kan hij wel steeds meer missionair uit de voeten. “Na bijna twaalf jaar Den Haag zit ik nu in het meest geseculariseerde stukje van Nederland. Dus ik kan m’n lol op. Haha!”

Even later: “Ik bid dagelijks dat de Opgestane Zijn gang gaat. En dat gebeurt. Vaak heel verrassend. Maar ook heel kwetsbaar. Er is daarom geen reden om zelfvoldaan achterover te leunen. Terwijl ik me uit de naad werk, weet ik: ‘Het is allemaal van Hem.’ Ik heb er geen één bijgehaald en ik houd er niet één vast. Zelfs een doorgewinterde gelovige heb ik niet in de hand. Als ik bedenk hoe de boze op ons loert, en hoe hard ik zelf Gods Geest nodig heb om het vol te houden, dan wordt het nooit een vanzelfsprekendheid. Het blijft altijd een strijd. De goede strijd, dat zonder meer en het is de moeite waard. Maar er zijn ook heel zware momenten bij. Het klinkt misschien raar voor een dominee om dit te zeggen, maar soms zou ik het liefst even hard weg willen lopen. Dan kan het me allemaal gestolen worden. En tegelijk kan ik niet ophouden me eraan te geven.”

Een Godswonder

Zijn spraakgebrek heeft Visser dankzij de hulp van een speciaal instituut goed onder controle gekregen. Heel af en toe hapert hij nog. Dan stopt hij even, en probeert het opnieuw. Het feit dat hij vorig jaar voor het EO-programma De Kapel werd gevraagd, noemt hij een Godswonder. “Wat moet een stotterende dominee nu op tv? Dan zijn er toch zat anderen? Zo gaat God Zijn gang met je. Daar kan ik echt ontroerd van raken.”

Stel dat u zondag drie minuten mag preken op De Dam. Waar zou u het dan over hebben?

Zonder aarzelen: “Over Gods onophoudelijke en onvoorwaardelijke liefde. God kan niet ophouden je lief te hebben, of je dat nu leuk vindt of niet. Je kunt Hem uitspugen, zelfs aan het kruis nagelen, maar op datzelfde moment is Hij bezig Zich met jou te verzoenen. Gods liefde dringt zich niet op en Hij dwingt onze liefde niet af, maar terwijl jij Hem afdankt, offert Hij Zich – gek genoeg – voor jou op en windt je om de vinger. Dat heb ik hier in Amsterdam meer dan ooit ontdekt. Déze God is onze God, midden in deze stad. Op de dag dat mensen Jezus de dood injagen, slaan de deuren niet dicht, maar scheurt het voorhangsel. God antwoordt met een open deur. Dat is iets om van de daken te roepen. En als je daar geen boodschap aan hebt, bega je een enorme vergissing.”


Tekst: Mirjam Hollebrandse
Beeld: Ruben Timman
Bron: Visie 2015, nr. 36