Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Elbert Smelt: 'Geluk is een springveer'

Elbert Smelt: 'Geluk is een springveer'

Wie Trinity-voorman Elbert Smelt op het podium heeft zien staan, vergeet zijn enorme enthousiasme en optimisme nooit meer. “Welk gelukscijfer ik mezelf geef? Ik denk een 9.”

“Ik ben heel gelukkig,” zegt Elbert met een glimlach. Om meteen te relativeren: “Al heb ik ook echt mijn down-momenten, hoor. Vooral als ik tegen eigenschappen aanloop die ik moeilijk kan veranderen. Ik laat intimi soms lijden onder mijn please-gedrag. Ik wil altijd iedereen blij maken, een goede tijd geven. Ook wildvreemden. Op het podium helpt me dat, want ik kan als frontman de zaal goed aanvoelen. Maar vaak lijdt Linda, mijn vrouw, eronder dat ik mijn grenzen niet zo goed kan aangeven.”

Zijn optimisme heeft Elbert aan zijn ouders te danken, die in de jaren tachtig als zendingsechtpaar naar Peru vertrokken, vertelt hij. Vooral vader Smelt ging hem daarin voor. “Het was niet niks om in die tijd naar Peru af te reizen, waar de terreurorganisatie Lichtend Pad actief was. Dat optimisme, maar ook hun idealisme, zit in mijn bloed.”

Kale aanbouw

Die twee eigenschappen komen Elbert nu goed van pas. Twee dagen voor het interview verhuisde Elbert met zijn vrouw en zoontje van anderhalf naar een huis waarvan alleen de bovenverdiepingen af zijn. Beneden liggen de stucplaten op de vloer, meubels staan her en der verspreid en aan de achterkamer is net een kale aanbouw opgeleverd. De laatste afwerking doet Elbert zelf, met hulp van familie en buren. De nieuwe keuken is geplaatst, al zit het blauwe beschermfolie er nog op, en de wanden en de trap naar boven zijn nog onbehandeld.

“Laten we maar buiten aan de tuintafel gaan zitten,” stelt Elbert voor, “want de cv doet het nog niet. Wanneer alles af is? Ik geef mezelf een paar maanden. Maar binnenkort gaan we een week naar het buitenland, dus dan ligt het even stil.” Het is de vierde keer in vijf jaar dat hij verhuisde. Zelf vindt hij het geen probleem. “Mijn vrouw en ik voelen ons overal thuis en we wennen snel aan een nieuwe leefomgeving. Ik ben wel een beetje ontworteld, ja,” lacht hij.

Wat is geluk voor jou?
“Een soort innerlijke vrede en constante dankbaarheid. Dat je, wat de situatie ook is, innerlijk in balans bent. Ken je die poppen op een springveer, waar kinderen mee spelen? Ze geven die pop een mep, maar door die veer komt hij altijd terug op z’n plek. Zo zou het bij mensen ook moeten zijn. Ook al word je uit het veld geslagen, je hebt een zwaartepunt onder jezelf: Jezus, Die je steeds weer terug balanceert. Of je dan rijk of arm bent, maakt niets uit.”

Zou jij gelukkig kunnen zijn zonder God?
“Nee. Hoe betuttelend dat misschien ook klinkt voor niet-christenen. Geluk is voor mij onlosmakelijk verbonden met mijn identiteit in Christus. Stel dat er iets ergs gebeurt. Dan nog is er die innerlijke vrede die, zoals de Bijbel zegt, alle verstand te boven gaat. Dat zie ik ook bij vrienden die onlangs een kind verloren. Ze zijn door een heftige tijd gegaan, maar komen nu toch weer in balans. Op een wonderlijke manier. Ik sta erbij, kijk ernaar en denk: ‘Dat moet God zijn.’”

Is geluk te meten?
“In de psychiatrie wel. Daar hebben ze van die testjes waarbij je op een schaal van 0 tot 10 moet aangeven hoe je je voelt. Maar of geluk echt meetbaar is? Ik denk dat het gewoon ja of nee is: je bent gelukkig of niet. Weet je wat mij het gelukkigst heeft gemaakt? Trouwen. Dat is het beste wat me ooit is overkomen. Het was ook de grootste uitdaging die ik ooit ben aangegaan, want je moet van twee levens één leven zien te maken. Bovendien is het alsof je constant in de spiegel kijkt. Toch maakt het me diepgelukkig.”

Je móet gelukkig zijn

Volgens Elbert lijden veel mensen onder het idee dat ze per se gelukkig moeten worden. Als je niet gelukkig bent, heb je vast ergens een verkeerde keuze gemaakt of iets verkeerd gedaan, is de redenatie. “Onder mijn generatie schijnt het echt een probleem te zijn. Als mensen zich niet gelukkig voelen, geven ze zichzelf de schuld. Je móet slagen in het leven, je móet gelukkig worden. En daarvoor offeren ze zoveel op, dat ze hun geluk erbij inleveren.”
 
‘Verdriet en diepe vreugde moeten naast elkaar kunnen bestaan,’ zei je eens.
“Dat is misschien wel de definitie van geluk. Van alleen maar blij zijn, wat we dus heel graag willen, word je uiteindelijk niet gelukkig. Dan wordt het vroeg of laat leeg in je leven. En oppervlakkig. Of er overkomt je iets en het is allemaal in één klap weg. Daarom is het belangrijk niet weg te lopen voor je innerlijke onrust of identiteitsvragen. Dat heeft mij veel opgeleverd.”

Half zeeziek

Zo’n vijf jaar geleden kwam Elbert zelf in een zoektocht naar zijn identiteit terecht. Hij voelde zich heel wat – hij was tenslotte frontman van een populaire band, had een universitaire studie achter de rug en was een zendingskind met veel ervaring met andere talen en culturen. In zijn relatie met God was hij een soort farizeeërtje: streng voor zichzelf en hard werken voor God. Elbert: “Het cadeau van genade wilde ik niet echt aannemen, omdat ik dacht dat ik het stiekem toch moest verdienen. Dat is eigenlijk best verwaand. In feite voel je je dan beter dan een ander die het wel gewoon mag krijgen.”

In die tijd gaf hij met zijn band een concert in een verslavingskliniek in Ierland. Nog half zeeziek van de bootreis, speelde hij zo slecht, dat hij zich “zwaar schuldig” voelde. “Ik geloofde dat het succes van mij afhing. Ik was een beetje een ‘oudste broer’ geworden, net als in de gelijkenis van de verloren zoon die Jezus vertelt. Ik wilde het allemaal zelf verdienen. Terwijl ik op mijn 14e heel serieus ben gaan geloven; ik dacht zelfs dat ik al klaar was. In een lang proces vol vragen, ontdekte ik dat ik - net als ieder ander mens – genade nodig heb. Dat was een soort tweede bekering.

Als we nu in gevangenissen spelen, en dat doen we regelmatig, voel ik me geen haar beter dan die gevangenen. Iedereen heeft zijn worstelingen in het leven, we hebben allemaal onze bagage. En we hebben allemaal Jezus nodig. Als je dat weet, ben je echt gelukkig. Zo staat het ook in de Bijbel in gewone taal die onlangs uitkwam. De Bergrede spreekt over het echte geluk dat te vinden is voor hen die beseffen dat ze God nodig hebben. ‘De armen van geest,’ zoals het in oudere vertalingen staat. Men- sen die beseffen dat ze het zelf niet in huis hebben: armen, gevangenen, gehandicap- ten, kinderen; eigenlijk mensen in wie Je- zus verstopt zit. In de ontmoeting met hen word ik echt opgebouwd in m’n geloof.”

Je ogen glimmen ervan.
“Ja. Als ik in een krotje sta te zingen of een gehandicapte blij zie worden als ik speel, vind ik dat machtig mooi. En dan voel ik me echt geen haar beter.”

Je bent geboren in Peru. Wat is je allervroegste herinnering aan dat land?
“De markt. Ik herinner mij dat mijn moeder mij meenam in het zitje op haar fiets. Ik denk dat zij in Lima, een grote vieze miljoenenstad, een van de weinigen was met een fiets. Eenmaal op de markt hoorde je het geschreeuw van de venters, dat gehakketak in het Spaans, maar vooral: je rook al die geuren. Bakbananen, mango, kruiden, knollen, zweet, urine; alles door elkaar heen. Ik ruik het nóg. Eten en muziek zijn echt van die heimweezintuigen. Ze brengen mij weer terug in Peru.”

Spaanse grappen

Van de drie broers spreekt Elbert nog het beste Spaans. “Ik ben echt een talenmens, en houd van Spaanse liedjes en teksten. Als ik die taal hoor, word ik melancholisch. Met mijn vader maak ik vaak nog grappen in het Spaans. Ik herinner me ook dat we aan lianen hingen in het oerwoud, en goud zochten in een beekje. Wij hebben als jochies echt wel avonturen meegemaakt.”

Dat is nog eens wat anders dan oudhollands slootje springen.
“Haha, ach ja, dat heb ik dan weer gemist.”

Wat mis je in Nederland?
“De Latijns-Amerikaanse tafelcultuur. Daarom heb ik onze tuintafel in de voortuin gezet. Laten we maar eens wat meer op straat leven. Het is doordrenkt met heimwee hoor, en ik idealiseer het ook. Maar mijn vrouw heeft hetzelfde. Zij groeide als zendingskind op in het oerwoud van Indonesië. Door onze welvaart zijn we in het Westen nog individualistischer geworden dan we al waren. We hebben ons binnen twee generaties bevrijd van alle betutteling door familie en dorpsgenoten. Maar ik denk dat we nu langzaam terugkrabbelen. Want dit is wel heel erg alleen en eenzaam. Mensen hebben elkaar gewoon nodig. Het zou goed zijn als wij ontdekken dat welvaart niet het enige is wat geluk brengt. Samen eten, je leven delen, muziek, emotie. Daar verlangen we allemaal een beetje naar in Nederland.”

Een goed bord eten

Even later: “Bij de Joden begint de nieuwe dag om zes uur ’s avonds. Dat betekent dat zij de dag niet beginnen met een kop koffie en hup, aan het werk, maar met een goed bord eten, samen met anderen. Daarna gaan ze slapen en pas dan begint hun werkdag. Dat heeft veel te maken met gelukkig zijn: de dag beginnen met ontspanning. Jezus’ eerste wonder was niet voor niets wijn maken van water. Hij laat je eerst het goede proeven, waarna je uitgerust en met een zekere ontspanning het leven weer aankunt.”

Als jochie beloofde je de Peruanen terug te komen als arts.
“Ja, ik had een soort Albert Schweitzerdroom. Dokter en muzikant in het oerwoud, dat leek met te gek. Ik heb nu eerst voor muziek gekozen. Het leuke was: toen ik met de band terug was in Peru, werden mensen daar heel blij van onze muziek. Ik ontdekte dat het niet zoveel uitmaakt wát je doet – muziek maken of mensen genezen – maar vanuit welke hartsgesteldheid je het doet. En dat je echt contact hebt met mensen. Sla je een brug? Ik denk dat muziek soms een sterkere verbinding is dan medicijnen over de toonbank gooien. Het één is praktischer en bedoeld voor het lichaam, het ander is meer voor de ziel. Maar ik geloof dat lichaam en ziel één zijn en dat muziek brengen dus nut heeft.”

Heb je nooit spijt dat je ze niet als arts kunt helpen?

“Nee. Zodra ik op het podium sta niet meer.”

Waar voel jij je thuis?
“Uiteindelijk heb ik mijn thuis gevonden in mijn gezin, in mijn relatie met Linda. Psalm 23 is onze trouwtekst: ‘Geluk en genade volgen mij alle dagen van mijn leven, ik keer terug in het huis van de Heer tot in lengte van dagen.’ De rode draad door ons leven is dat we in God samen een huis hebben gevonden en dat Hij ons achtervolgt met Zijn liefde, waar we ook gaan. Klassiek gezegd: het drievoudig snoer. Linda, God, ik. Dat is mijn echte thuis. Dan hoef ik niet ergens twintig jaar te wonen. Helemaal niet zelfs. Alleen al de gedachte dat ik hier langer dan vijf jaar zit, maakt me zenuwachtig.”

En die hele verbouwing dan?
“Oké, oké, we kijken wel.”


Tekst: Mirjam Hollebrandse
Beeld: Jacqueline de Haas
Bron: Visie 2014, nr. 44