Mirjam Bouwman: 'Mijn vroegere ongeloof helpt mij nu'

Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Femke Halsema: ‘Opvoeden is leuk, maar zeer ingewikkeld’

Femke Halsema: ‘Opvoeden is leuk, maar zeer ingewikkeld’

Niet de overheid, maar ouders moeten zélf bepalen wat goed en wat fout is voor een kind. Met die overtuiging bestookt Femke Halsema (41) het ‘nieuwe moralisme’ van dit kabinet. Maar goed opvoeden is nog zo niet eenvoudig, erkent de moeder van de tweeling Suzy en Bruno. “Ik ben zeker van de drie r’s, al laat ik de reinheid af en toe achterwege.”

 

Haar eigen opvoeding in een rood middenklasse gezin omschrijft ze als heel goed. Vader gaf gymles en werkte later als ambtenaar sportzaken. Moeder zorgde thuis voor de sportieve Femke en haar broertje, maar werkte zich later op tot PvdA-wethouder in Enschede. “In huis hing een familiaire en warme sfeer, al waren mijn ouders vrij streng. O, wat heb ik, zoals elke puber, mijn vader verketterd als hij weer op een feestje aan de zijkant van de dansvloer op me stond te wachten om half twaalf. Soms maakte hij het zó bont dat hij – hoe haalde hij het in zijn hoofd – zelfs met me wilde dansen. Daar stond ik dan tussen mijn vriendinnen met diepe gevoelens van gêne. Ik hoop dat ik het iets subtieler aanpak, maar het zal niet principieel anders zijn.”

De drie r’s

De vierjarige tweeling Suzy en Bruno. Dat zijn de twee kinderen van Halsema, met wie ze het liefst gaat zwemmen. “Het is een prachtig gezicht om die glanzende en stralende kinderkopjes boven het water uit te zien komen.” Met zichtbaar plezier praat de politiek leider van GroenLinks over haar twee ‘kids’. Het moederschap had ze voor geen goud willen missen. “O ja, mijn zoontje heeft net leren fietsen en dat is echt zo’n hoogtepunt.”
Is ze eigenlijk een strenge moeder? “Redelijk,” reageert ze laconiek. “Ik ben zeker van de drie r’s, al laat ik de reinheid af en toe achterwege. Een dagje niet in bad, vind ik namelijk niet zo erg. Belangrijker is dat mijn kinderen weten wat wel en wat niet mag. Zeggen dat iets of iemand stom is, tolereer ik niet en daarin probeer ik zo consequent mogelijk te zijn, al vind ik dat het allermoeilijkste. Ouderschap is enorm leuk, maar zeer ingewikkeld. Het is de moeilijkste uitdaging waar ik ooit voor heb gestaan.”
Dat klinkt bijna dramatisch, alsof ze wel wat hulp kan gebruiken? Lachend: ”Dát is gelukkig niet nodig, maar opvoeden plaatst je iedere dag voor dilemma’s, waardoor je alsmaar weer met jezelf in gevecht bent. De ene dag verbied je iets, maar doe je dat de volgende dag weer? Samen met mijn vriend ben ik steeds in gesprek over wat we doen, juist omdat ze op vierjarige leeftijd al aardig weten hoe ze ons onderling kunnen uitspelen.”

‘Jongens, gaan jullie lekker maar theeleuten’

 

Warme moeder

De opvoeding van kinderen hoort achter de voordeur en de invulling mag niet van bovenaf door de overheid bepaald worden. Met die boodschap trekt Halsema de laatste tijd fel van leer tegen het rood-christelijke kabinet-Balkenende. Dat moraliseren weer mag, stoort haar vreselijk. “Het idee dat de overheid een opvoeder is in de volle betekenis van het woord, is zeer misleidend. De staat is geen warme moeder die je bij thuiskomst verwent met thee en een koekje. Het is een kille bureaucratische instelling, die allen in nood bijspringt, om misstanden te voorkomen en mensen te behoeden voor vernederingen.”

Het is maar net wat je misstanden noemt. U bent bijvoorbeeld tegen het verbieden van seksistische videoclips of gewelddadige computerspelletjes, terwijl voor anderen daarmee grenzen met voeten worden getreden.
“Klopt. Maar vergeet niet dat ik ook allerlei morele opvattingen heb. Ik heb er óók moeite mee als vrouwen worden vernederd op tv en slechts als vlees worden gezien.”

Die boodschap komt niet altijd goed door. Misschien moet u dat eens wat meer benadrukken.
“Ha, dit is weer een mooi voorbeeld van de platheid van de moderne politiek: ben je niet tegen een verbod, dan zou je het goed willen praten. Maar waarom is er zo weinig ruimte voor een genuanceerd debat en een tussencategorie? Daar sta ik namelijk, omdat ik wel degelijk mijn opvattingen heb over seksisme of geweld in videogames. Ik ervaar sommige van die clips als ongewenst, maar aan de andere kant wil ik als politicus niet te veel de reikwijdte van de publieke sfeer bepalen. De moraal is niet van de staat, maar van de gemeenschap en ik hoop dat dit kabinet daar meer respect voor heeft.”
De toon waarop Halsema het brengt, kennen we zo goed van haar. Het is de vrouw met het abonnement op de interruptiemicrofoon. Fel, energiek, een tikkeltje drammerig, welbespraakt. De één stoot het enorm af, terwijl het gros van de GroenLinks-stemmers met haar wegloopt. In het gesprek oogt ze heel ontspannen. Ze lacht en glimlacht veel en schuwt persoonlijke antwoorden allerminst, zolang het maar niet teveel over haar partner, de tv-maker Robert Oey, gaat: “Dat wil ik gescheiden houden.”

Emigreren

Klaar in Den Haag is ze allerminst, al zijn het tropenjaren sinds ze in 2002 Paul Rosenmöller opvolgde als partijleider. Inmiddels zit ze in haar derde en mogelijk laatste termijn als Kamerlid. Waar droomt ze van in een niet-politiek leven, mocht ze over drie jaar afzwaaien? “Carrièreambities heb ik niet, eerder toekomstideeën en dan schiet er van alles door mijn hoofd. Van schrijven en promoveren tot emigreren naar bijvoorbeeld Indonesië.”
Maar voorlopig blijft Halsema waar ze is en heeft ze voldoende motivatie om steeds opnieuw het debat aan te gaan. Waar ze het wel mee gehad heeft, is met wat ze het claustrofobische Haagse klimaat noemt. “Ik heb na jaren in de politiek een beetje mijn bekomst van het bekrompen politieke debat in Nederland. Dat beperkt zich veel te veel tot binnenlandse aangelegenheden, alsof de wereld buiten onze grenzen stopt. Dan denk ik: ‘Jongens, gaan jullie lekker theeleuten over uitspraken van Wilders, dan ga ik als fractievoorzitter naar Uruzgan om me in de situatie te verdiepen.’ Er wordt te veel getut over een koranverbod, terwijl onze aandacht juist zou moeten gaan naar de ontwikkelingen in een land als Iran of de situatie tussen Israël en de Palestijnen.”

‘De moraal is niet van de staat’

 

Imagodictatuur

Waar ze ook haar buik van vol heeft, zijn te makkelijk gelegde verbanden in wat ze de imagodictatuur noemt. “Zo is er is geen causaal verband te leggen tussen gepest zijn in mijn jeugd en mijn voor sommigen felle debatstijl. Dat is veel te makkelijk. Iemand maakte het ooit zelfs zo bont door te stellen dat gepest worden automatisch leidt tot oppositie.”
Nog zo’n onderwerp waar veel te makkelijke verbanden worden gelegd, is het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Eerder dit jaar, na terugkomst van een Midden-Oostenreis, kreeg ze de wind van voren nadat ze gepleit had voor onderhandelingen met Hamas. Critici verweten haar anti-Israël te zijn.

We horen u vaak opkomen voor de Palestijnen, maar wat heeft u met Israël?
“Ik heb zo’n hekel aan deze onethische tegenstelling. Als je opkomt voor een bezet volk, betekent dat niet dat je tegen een ander volk bent. Laat ik duidelijk zijn, dat ik heel goed snap dat Israël bang is voor de hete antisemitische adem van landen als Saoedi-Arabië en Iran. Ook begrijp ik dat je uit angst voor zelfmoordaanslagen een muur bouwt, al vind ik het een onding op de verkeerde plek. Namelijk niet op de groene grens van ’67, maar op Palestijns gebied. Dat is voor de internationale gemeenschap onacceptabel.
We hebben lange historische banden met Israël en – terecht – een groot historisch schuldgevoel, maar daarom hoef je niet kritiekloos te worden. Je kunt de vriend zijn van Israël én tegelijk vragen stellen bij hun beleid.”
Halsema ziet het als haar mensenrechtelijke plicht in verzet te komen tegen bijvoorbeeld de bouw van Joodse nederzettingen op Palestijnse bodem. “Daar ligt het begin van het probleem. Helaas wordt de Israëlische regering gedomineerd door een kleine groep ideologische kolonisten, die het geweld niet schuwt en veel financiële steun krijgt vanuit de Verenigde Staten. Die groep krijgt overigens vanuit Nederland veel steun van Christenen voor Israël en daar heb ik grote problemen mee.”

Wat is daar mis mee?
“Ik was in bezet gebied en dan kom je langs het met Nederlands geld betaalde Holland Village, een nederzetting in bezet Palestijns gebied. Maar dat is in strijd met al het internationaal en humanitair recht; dat mag gewoon niet. Ik heb daar grote bezwaren tegen en het overgrote deel van de Israëlische bevolking met mij.”

Geloof

De politieke ideeën van Femke Halsema worden niet gevormd door een geloof. “Ik heb geen geloof en wat er het dichtst bij in de buurt komt, zijn de universele rechten van de mens.
Enkele kernwaarden voor mij zijn: de vrijheid van het individu, de mens als sociaal wezen, godsdienstvrijheid en het recht van mensen om samen te komen. Ik zal me daarom ook altijd blijven inzetten voor zowel de liberale als de orthodoxe geloofsbeleving.”
Als je geen geloof hebt, ben je dan atheïst? “Nee, zo zal ik mezelf nooit noemen, omdat daar een zekere mate van agressie in zit, die ik heel onplezierig vind. Voor mij geldt: niemand kan bewijzen dat God bestaat en ik heb echt geen behoefte het tegendeel te bewijzen. Dat kan ik ook niet. Overigens voel ik me meer thuis bij een orthodoxere vorm van geloofsbeleving dan het nu zo populaire ‘ietsisme’. Mensen die in reïncarnatie geloven, waren in vorige levens allemaal beroemdheden, maar nooit de bakker op de hoek.” Dood is gewoon dood voor Halsema. “Natuurlijk beangstigt dat vooruitzicht me en lijkt het me verschrikkelijk om mijn twee kinderen achter te moeten laten. Toch lukt het me niet vooruit te denken over mogelijk leven na de dood.”

Zijn er ooit mensen geweest die u tot het christendom hebben proberen te bekeren?
“Niet bewust. Degene die er het dichtst bij is gekomen, is de zanger Nick Cave. Echt zo’n getergde, maar heel gelovige zoekende, die niet schroomt God de meest lastige vragen voor de voeten te werpen. Zijn akoestische cd No more shall we part kreeg ik vlak na de moord op Pim Fortuyn. In de song ‘Darker with the day’ zingt Cave over de verloedering van de samenleving. Zo beschrijft hij hoe hij een kerk ingaat en bladert door een leren bijbel. Hij probeert God te vinden, maar het lukt hem niet. Dat proces van zoeken, vind ik boeiend en daarin prikkelt hij me.”

Toch klinkt dat afstandelijk.
“Dat is het ook. Ik moet niet suggereren – ook niet voor Visie – dat ik daar dichtbij zit. Nee, het is afstandelijk, als toeschouwer, zoals ik ook met verwondering toekijk op de EO-Jongerendag. Ik ben er twee keer geweest en de vrolijkheid en de harmonie fascineerden me, al sta ik wel van een afstandje toe te kijken.”

‘Niemand kan bewijzen dat God bestaat en ik heb echt geen behoefte het tegendeel te bewijzen’