Theoloog Tom Wright: 'Zonder vragen kom je nergens'

Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Ferry wilde bloed zien

Ferry wilde bloed zien

Hij was gangster, heroïnedealer en –gebruiker. Nu wil evangelist Ferry Kotadiny niets anders dan de liefde van Christus verkondigen, vooral onder zijn oude Amsterdamse gabbers.

„Hier was vroeger een hol van de Chinese maffia. Het leek een theehuis en gokhal, maar dat was een dekmantel.“ Ferry Kotadiny (52) loopt over de Zeedijk, nabij De Wallen. „Dit was mijn thuis,“ zegt hij en gebaart met zijn armen om zich heen. Kotadiny is rap van tong, iets wat hem altijd al van pas kwam. Als hij voor de zoveelste keer in de cel zat, wist hij zich met zijn vlotte babbel eruit te praten door te zeggen dat hij weer zou gaan studeren. Nu gebruikt hij dezelfde tong om te vertellen wat God in zijn leven gedaan heeft. En daarvoor schaamt hij zich tegenover niemand. „Altijd en iedereen wijs ik op de vergeving en liefde van Christus. Daar zit zo’n geweldige kracht en bevrijding in!“
Op de Nieuwmarkt wijst Kotadiny naar een bar. ‘Cotton Club’ staat er op de gevel. „Hier kwam ik met dealers in contact. Het heet nog steeds zo. En daar op de hoek zat ‘het winkeltje’. Dat noemden we zo omdat er veel drugs werd verhandeld.“

Jeugdbende
De op de Molukken geboren Ferry kwam als elfjarige jongen met vader, moeder en vijf broers naar Nederland. Het was zeer frustrerend om van een groot Indonesisch huis in een Amsterdamse tweekamerwoning op de tweede etage te gaan wonen, herinnert Kotadiny zich. Al snel raakte de jonge Ferry in de problemen. „Ik belandde in vechtpartijen en mijn ouders moesten regelmatig op school komen, omdat ik allerlei jongens in elkaar timmerde.“ Op het christelijk lyceum was Ferry al snel niet meer te handhaven. „Ik had geen zin in school, gezag en discipline. In de derde klas heb ik mijn schoolboeken op het bureau van de rector gegooid en gezegd: ‘Hier heb je je boeken, studeer zelf maar.’ Ik liep regelrecht naar de jongens in Amsterdam-West waarmee ik al contact had.“ Zo kwam Ferry terecht in een gewelddadige jeugdbende. Kwamen anderen in hun territorium, dan werden ze eruit geslagen. Ik hield ervan om bloed te zien, vertelt hij.
Op een avond besprong de bende vlakbij het café, waar ze altijd rondhing, een aantal jongelui op motorfietsen. „We trokken hen van hun motors en sloegen en schopten hen. Ik trapte een jongen tot bloedens toe in zijn gezicht. Terwijl ik dit deed, voelde ik zoveel haat en agressie in me naar boven komen dat ik hem wilde doden. Mijn vrienden trokken me van hem af. Ik schrok enorm van mezelf.“ De agressie werd alleen maar erger. Er volgde een georganiseerde ‘gangfight’ met 120 personen bij de Sloterplas, compleet met kettingen, stiletto’s en pistolen. „De afspraak was dat alles mocht en dat we door zouden gaan tot de laatste druppel bloed had gevloeid. Ik was in gevecht met drie jongens, toen ik zag dat onze leider in een zandbak werd gegooid. Ik sprong erop af en liet met kracht een trottoirtegel op het voorhoofd van zijn belager neerkomen. Het bloed droop van hem af. Ik oogstte hiermee aanzien en respect en op mijn voorstel breidden we ons territorium uit naar het Leidseplein en de binnenstad.“

Junk
De groep kwam in aanraking met drugs. Toen Ferry hoorde dat hij met dealen veel geld kon verdienen, smokkelde hij vanuit de havens van Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen honderden kilo’s marihuana en hasj om die bijvoorbeeld te verkopen aan Amerikaanse soldaten uit Duitsland. In die periode kreeg Ferry een reputatie van een gewelddadige jongen die voor niets of niemand uit de weg gaat. Af en toe draaide hij voor een paar maanden de bajes in. Voor openlijke geweldpleging en voor een gewapende overval op een bordeel waarbij goud, diamanten en veel geld werden buitgemaakt. Ferry werd pas echt rijk toen de heroïne op de markt kwam en hij het ging dealen. „Ik liet me rijden in een grote Amerikaanse slee en verdiende geld als water.“ Maar hij begon zijn eigen heroïne te snuiven en te spuiten, waardoor hij van een rijke dealer een arme junk werd. „Ik sliep in portieken en zwierf door Amsterdam. Alle jongens en meiden waren nu weg, iedereen had zijn respect voor mij verloren.“

„Toen kwam er een vrouw op mijn pad. Het viel me op dat ze niet bang voor me was, terwijl iedereen met een grote boog om me heen liep. Ze sprak over Jezus Christus Die mijn leven wilde veranderen. ‘Hij kan je bevrijden en een ander leven geven,’ zei ze.“ Ferry had een godsdienstige achtergrond, maar was daar op afgeknapt. Hij geloofde niets van wat de vrouw zei. Toen hij op een dag diep in de put zat, ontmoette hij de vrouw opnieuw. ‘Ferry, wat heb je nog te verliezen,’ zei ze. ‘Je kunt alleen maar winnen. Kom vanavond naar een samenkomst in mijn huis.’ Dat deed hij dan maar. Na de bijbellezing over de verloren zoon zongen de aanwezigen het lied ‘What a friend we have in Jesus’. „Ik had geen enkele vriend. Ze zongen: ‘Kan een vriend ooit trouwer wezen dan Hij?’ en ik voelde een hitte over me en in me. De tekst werd zo reëel voor mij. Ik ervoer een atmosfeer die ik nooit ervaren had, niet bij drugs, niet bij meisjes, niet in dancings.“ De voorganger bad met Ferry en hij voelde dat er iets brak dat hem jarenlang gevangen had gehouden.

„Dat is nu 26 jaar geleden,“ zegt Kotadiny. Hij loopt langs een raam van een seksshop. „En drie weken later, stond ik op deze brug, de pillenbrug of junkiebrug, met een doos onder mijn arm. Ze dachten allemaal dat ik met heroïne kwam. Er waren wel honderd junks, criminelen en heroïneprostituees. Toen predikte ik hen het Evangelie en vertelde hoe mijn leven veranderd was.“ Na de preek kwamen er uit de doos geen drugs, maar evangelische traktaten. „Ik nodigde hen uit om hun leven aan Jezus Christus te geven. Tientallen kwamen naar voren en deden dat. Velen van hen leven nog steeds voor de Heer, zelfs tot in het buitenland toe.“

Hoop
Twee dingen zijn wel duidelijk voor wie met Kotadiny door het Red Light District loopt. Hij wordt 26 jaar na zijn bekering nog steeds door veel oude bekenden herkend en hij is bewogen met hen. Een stel dat langsloopt en de naam Jezus hoort, kijkt op. Dan loopt de man op de evangelist af, kijkt hem aan en zegt: „Ferry Kotadiny“. Het blijkt een oude bekende uit Kotadiny’s vroegere vriendengroep te zijn. Zo te zien is hij niet in de goot terecht gekomen. Dat is wel anders gesteld met een groepje mannen op de Zeedijk. Hangend tegen een muur merken de heroïneverslaafden Kotadiny op. Die herkent zijn „oude gabbers“ onmiddellijk, stapt erop af en schudt ze de hand of omhelst ze. Hij neemt geen blad voor de mond. „Jongens, ik bid altijd voor jullie. Wat Jezus voor mij heeft gedaan kan en wil...“ „Hij ook voor ons doen,“ vult een van de mannen aan. Deze boodschap hebben ze vaker van hem gehoord. Kotadiny nodigt zijn vrienden uit om naar de zondagse of doordeweekse dienst van Victory Outreach te komen, een kerk die verslaafden opvangt. Hij legt uit waar het gebouw precies is. Nog een kort praatje en opnieuw omhelsingen en dan loopt hij weer verder.
Op de vraag hoe zijn oude vrienden hem nu zien, zegt hij: „Ze zijn open en respectvol tegen me. Ze zien de hoop in mijn ogen. Ik geef ze hoop door ze steeds opnieuw op te zoeken. Soms komen ze naar een dienst en menigeen komt van zijn verslaving af.“ Kotadiny was zelf betrokken bij de oprichting van Vicory Outreach in Nederland. Een kerkelijke denominatie is voor de ex-verslaafde niet zo belangrijk. „Sommigen noemen mij een pinksterbroeder, maar ik spreek overal.“

Eerste klas
Kotadiny benadrukt dat hij voor het benaderen van de verslaafden iedere keer de kracht en liefde van God in zijn leven moet vragen. „Anders ben je zo uitgeblust.“ De evangelist wil zijn vorige leven niet vergeten. „Elke keer is mijn gebed: ‘Help me nooit te vergeten, waar U me vandaan hebt gehaald.’“ Maar hij zegt er gelijk bij dat niet alleen criminelen zich moeten bekeren. „Ik stond pas te evangeliseren bij het Centraal Station. Een paar politieagenten vroegen me wat ik deed. Ik legde het uit en gaf een van hen gelijk een folder. ‘Ja maar’, zeiden ze verbaasd, ‘je moet dit niet aan ons geven, je moet naar de junkies gaan op de junkieboot achter het station. Die hebben het nodig.’ O, zeker ga ik daarheen, zei ik. Maar weet je dat jij in dezelfde boot zit als die junks? Het verschil is dat zij in de machinekamer zitten en jij in de eerste klas. Zijn collega lachte en pakte de folder aan. Al heb je maar een pakje kauwgom gestolen bij Albert Heijn, volgens de Bijbel heeft iedereen de vergeving van Jezus nodig.“

De agenten van het roemruchte bureau Warmoesstraat dat inmiddels niet meer bestaat, waren zeer verbaasd toen ze Ferry op de straat hoorden preken. Dit is een hele andere Ferry, zei men. Een inspecteur van politie gaf hem alle medewerking om evangelisatieacties op touw te zetten. ‘Dit kan niet het werk van mensen zijn, dit moet van God zijn,’ zeiden sommige agenten.“
Kotadiny heeft hoop voor Amsterdam. Hij gelooft dat God Amsterdam, dat wereldwijd bekend staat om zijn decadentie, kan veranderen. Tussen de coffeeshops lopend zegt hij: „Als je ziet hoe de duivel mensen trekt voor zijn doeleinden, moet je beseffen hoeveel machtiger onze God is. Het is ook niet mijn verhaal dat het doet, God moet het doen. Gods Geest doet alleen wonderen.“

Niels Eckhardt