Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Folke Jan: 'Kaas? De mooiste handel die er is!'

Folke Jan: 'Kaas? De mooiste handel die er is!'

Vraag mensen wat ‘typisch Hollands’ is, en al snel zal het woord kaas vallen. Folke Jan van der Veen uit Kollum bouwde er een florerend familiebedrijf mee op. Deze 66-jarige Fries, ouderling in de Christelijke Gereformeerde Kerken, werkt nog steeds zo’n 80 uur per week – met plezier. “Maar ik ben er wel keihard mee geconfronteerd hoe relatief ‘succes’ is.”

Folke Jan (grijze haardos, zongebruind gezicht en twinkelende ogen) is op en top handelaar. Zijn neus voor goede deals en z'n vermogen om in te spelen op ontwikkelingen in de markt, hebben hem de afgelopen decennia geen windeieren gelegd. “Niks doen, dat vind ik helemaal niks,” bekent hij in het nieuwe bedrijfspand aan de rand van ‘kaasdorp’ Kollum.

Een doos damespanty's

We schrijven de jaren zestig van de vorige eeuw. Vanuit een kleine woning in het centrum van Kollum begon Folke Jan met het venten van melk en bijproducten zoals yoghurt en kwark. “Dat deed ik met een Bedford-busje, dat ik voordelig op de kop had getikt. Ik reed mijn vaste wijk in – overgenomen van een ander – luidde de bel, opende de laadklep en al snel kwamen de eerste huisvrouwen naar me toe om hun lege flessen in te ruilen voor volle. Of het venten mijn hart had? Nee, totaal niet. Keihard werken, elke week een hele administratie bijhouden – báh! – en bovendien verdiende het bar weinig.”

Al snel kreeg Folke Jan in de gaten dat er betere manieren waren om winst te maken. “Er kwam een handelaar bij me met een doos damespanty’s van Danlon, destijds hét merk. Hij zei: ‘Van der Veen, deze koop je voor een gulden, en je vangt er bijna drie gulden voor als je ze verkoopt.’ Ik krabde eerst wel even achter mijn oren, en dacht: ‘Panty’s verkopen? Hoe moet dat?’ Het was natuurlijk een heel andere tijd dan nu, veel preutser. Maar het klonk als goede handel, dus ik wilde het weleens proberen. Als melkboer droeg ik altijd een mooie stofjas, en bij het venten stak ik nu twee panty’s in mijn borstzak, zodat de dames het zagen. ‘Wat is dat?’ vroegen ze. Ik zei trots: ‘Danlon-panty’s – de beste die er zijn.’” Hij slaat zich op de knie van plezier bij de herinnering. “Die eerste doos van 96 stuks was ik dezelfde avond al kwijt. Kassa! Dus ik ging er vrolijk mee door.”

Op slag verliefd

Bij melkflessen en damespanty’s bleef het niet: op een dag kwamen de kazen op zijn radar. Dat gebeurde in het plaatsje Ee, in de zuivelfabriek waar hij altijd de melk ophaalde. Daar viel zijn oog op een lading onverkoopbare kazen. Omdat er bij het rijpingsproces iets mis was gegaan, zat er een scheurtje in. Hun lot leek bezegeld: ze zouden worden omgesmolten. “Het waren van die kleine, ronde Edammers. Die kan ik best nog verhandelen, dacht ik, dus ik kocht ze voor de smeltprijs: een luttel bedrag. De beschadigingen sneed ik eruit, en de rest verkocht ik tijdens het venten van de melk. Hele, halve en – voor de ouderen in mijn wijk – kwarten. Ik nam een kaasschaaf mee en liet mijn klanten proeven.” Enthousiast: “Man, dat ging als een speer!”

Folke Jan was op slag verliefd op de handel in kaas. Niet alleen omdat je er een leuke boterham mee kon verdienen, maar ook omdat je er, anders dan bij de melkflessen, na de verkoop totaal geen omkijken meer naar had.

Achter de kaaskraam

“Een fles melk kostte destijds 60 cent, terwijl zo’n Edammer dik drie gulden in het laadje bracht,” herinnert hij zich. “Het rekensommetje had ik gauw gemaakt: ik kon veel beter kaas gaan verkopen.” Een jongere broer nam de melkwijk van hem over en zelf ging Folke in 1974 achter de kaaskraam. “Dat was op de markt in Hoogkerk, waar nog geen kaasboer stond.”

Eelde, Uithuizen, Uithuizermeeden, Marum en Heerenveen volgden, en daarna meer plaatsen in het noorden van het land. “Het ging ongelofelijk,” blikt hij terug. “We moesten steeds meer personeel aannemen, en ook het assortiment breidde gestaag uit. Tegenwoordig bedienen we een dikke 35 markten, voornamelijk in Groningen en Drenthe. Wie had dat ooit kunnen bedenken?”

Melk had uw hart niet, de kaashandel wel?
“Ja. Voordat ik op de markt in Hoogkerk startte, was ik al een paar keer gaan kijken bij een koopman die een mooie kraam had, en dacht: ‘Dit is het!’ Waar ’m dat in zat? Het contact met mensen vond en vind ik ontzettend leuk – je kunt heel goed ‘sturen’. Intussen was ik getrouwd met mijn fantastische vrouw Eke, die nu nog steeds mijn passie voor het ondernemen deelt. Zonder haar steun had ik nooit zover kunnen komen.”

Wat bedoelt u met ‘sturen’?
“De klanten.” Hij buigt wat voorover en zet zijn allervriendelijkste stem op, het hoofd een beetje schuin: “‘U zegt het maar, mevrouw. Waar houdt u van? Beetje jong, beetje belegen, of juist wat pittig?’ Voor elke smaak had ik wat.”

U had ongetwijfeld ook wel eens lastige klanten bij de kraam.
“Jazeker! Daar wist ik wel raad mee, hoor – in de handel moet je snel leren. Ik liet ze een plakje kaas proeven. Zeiden ze: ‘Nee, dat is ’m beslist niet,’ dan nam ik zonder dat ze het zagen een ander stukje van dezelfde kaas, bood weer een plakje aan en zei, met een uitgestreken gezicht: ‘Dít is ’m.’ ‘Inderdaad... Die neem ik!’ Precies dezelfde kaas, haha; het tweede plakje smaakt altijd beter!"

Zwarte band judo

Toen eenmaal de pensioengerechtigde leeftijd in zicht kwam, spraken Folke Jan en zijn vrouw over de opvolging. “Eke en ik zijn in 1972 getrouwd en wij kregen drie zoons en een dochter. Tegen de kinderen zeiden we altijd: ‘Jullie hoeven ons niet op te volgen in de zaak; ga vooral studeren en zorg dat je een goede baan krijgt.’ Onze oudste zoon heeft daar gehoor aan gegeven. Die kon, net als de anderen trouwens, geweldig goed leren. Na de universiteit maakte hij carrière op de beurs. De middelste, Folke Douwe, koos uiteindelijk heel bewust voor de kaas, dus hem hebben we grondig ingewerkt. De jongste uit ons gezin, Sytze, luisterde altijd mee als we met Folke Douwe allerlei dingen bespraken.”

Alles leek in kannen en kruiken, totdat de beoogde opvolger plotseling lichamelijke klachten kreeg en ernstig ziek bleek. Met zijn handen tekent vader Van der Veen een torso in de lucht. “Folke Douwe was een beer van een vent, die werkelijk álles kon. Hij had de zwarte band judo, was ontzettend sportief - ik word al moe als ik eraan denk wat hij allemaal deed - en had een enorm zakelijk inzicht. Maar in 2005 kwam opeens die diagnose: een grote tumor in de kleine hersenen. Toen werd alles anders."

Constant zwaar zeeziek

“Hij moest een zware operatie ondergaan en daarna had hij alle dagen enorm veel pijn. Moet je nagaan: de nekspieren die je hoofd op z’n plek houden, waren bij hem doorgesneden. Pas veel later hoorden we van zijn arts hoe vreselijk beroerd hij zich gevoeld moet hebben, alsof hij constant zwaar zeeziek was. Dat had te maken met zijn evenwichtsorganen.”

De behandeling, waarbij experts uit de hele wereld betrokken waren, sloeg aan. In december 2006 werd Folke Douwe genezen verklaard. Nieuwe plannen werden gesmeed om het familiebedrijf voort te zetten. Folke Douwe zou samen met jongste broer Sytze aan het roer komen te staan. “Mijn vrouw en ik hebben het jarenlang samen gedaan, en het leek ons toch beter dat er – vanaf 1 januari 2007 – twee zoons in de zaak zouden komen. Want Sytze wilde graag, en wist van aanpakken: hij liep van jongs af aan met ons mee en heeft een goed stel hersens.”

Maar Folke Douwes ziekte kwam terug, en met zijn gezondheid ging het snel bergafwaarts. Wat de artsen ook probeerden, alles leek averechts te werken. “Hij had de meest agressieve vorm van kanker. Toch werd hij opnieuw geopereerd, dus we verwachtten niet dat hij snel zou overlijden en waren optimistisch. Uiteindelijk is hij op 19 augustus 2007 in zijn huis gestorven. Daar was ik bij, ja. Dat moment wilde ik per se meemaken.”

Een glans op zijn gezicht

Het trieste tafereel ziet hij moeiteloos weer voor zich: het huis in Drachten, waarin zijn middelste zoon op bed lag, z’n bijbeltje ernaast. “De bladwijzer bij Psalm 13, die tijdens zijn ziekte altijd veel voor hem heeft betekend. Daar schreeuwt David naar God: ‘Waarom helpt U mij niet?’ Maar hij eindigt met: ‘Ik blijf bij mijn God, want Hij helpt mij altijd.’ Dat is een geweldige steun voor ons geweest. Hij wist naar Wie hij toeging. Daar getuigde hij vrijmoedig van, ook op de zaak. Wat heel bijzonder was, is dat mijn vrouw een uur voordat Folke Douwe stierf opeens heel beroerd werd; zoiets had ze nog nooit meegemaakt. ‘Alsof hij uit mijn lichaam gaat,’ zo zei ze het. Folke Douwe lag toen trouwens al dagen in coma, al reageerde hij soms nog wel. Die laatste minuten van zijn leven stond ik aan het voeteneind van zijn bed. Z’n ademhaling was heel zwaar; een vreselijk geluid.

Plotseling kwam hij overeind, met open ogen en een glans op zijn gezicht. Toen zakte hij terug in de kussens, en blies de laatste adem uit.” Van der Veen zwijgt enkele seconden. Dan, zacht: “Wat zag hij? Wat zág hij toch?” Met luide stem: “Hij zag de Here Jezus in Zijn heerlijkheid! Die stond aan het einde van de donkere tunnel op hem te wachten. Ik ben de Here God zo dankbaar dat ik dit bijzondere moment mocht meemaken. Boven de rouwkaart hebben we alleen maar ‘Veilig in Jezus’ armen’ gezet. Daarmee is alles gezegd.”

Zes dagen

Na Folke Douwes overlijden pakte jongste zoon Sytze de zaken voortvarend op. Door investeringen en slimme veranderingen in de bedrijfsprocessen, zorgde hij ervoor dat Van der Veen Kaas ‘toekomstproof’ is. Ondertussen is vader Folke Jan nog dagelijks op de zaak te vinden: meestal is hij er van maandagmorgen vroeg tot zaterdagavond laat mee bezig. Net als vroeger. Hij gooit zijn handen in de lucht en zegt: “Er staat ‘Zes dagen zult gij arbeiden’, dus dat doen wij al jaren, haha! We hebben nooit weekend, alleen maar de zondag – we weten eigenlijk niet beter. Tja, wij houden nu eenmaal van werken; dat zit gewoon in onze genen. Als ik ’s morgens naar de zaak rijd, en ik ben hier helemaal alleen, dan kan ik daar enorm van genieten. Nog steeds.”

Is dat keiharde werken de aard van het beestje?

“Een beetje wel, ja. Maar zeker de laatste jaren kan ik ook echt genieten van vakantie. Dan laat ik alles los: ik hoef niet te weten wat de temperatuur op de zaak is en welke mailtjes er allemaal binnenrollen. In oktober zijn we nog samen in Israël geweest: heerlijk, dan ben ik echt vrij. Weet je waar ik trouwens ook ontzettend van geniet? De EO-ledenreizen. Geweldig! Met mensen uit allerlei kerken en gemeenten samen optrekken, en kerkmuren zien wegvallen. Ik ben van harte christelijk-gereformeerd, maar ik heb één groot verlangen: dat we als kerken in Nederland eensgezind gaan optrekken. Wij kunnen de Here Jezus nooit méér dienen dan wanneer we met z’n allen schouder aan schouder optrekken en de wereld laten zien dat wij één Here en Heiland hebben. Dan is er weer hoop voor de kerk, die nu zo hopeloos verdeeld is en over van alles en nog wat discussieert, en zo vaak geen antwoord heeft op de vragen van de jeugd van nu. Dat laatste is een grote zorg voor me. Ik geef al jaren catechisatie, dus ik weet wel waar ik over praat. De eenheid in Christus, dáár gaat het om. Als we samen optrekken, zal de jongere generatie de zeilen hijsen en dan zal God een opwekking geven. Absoluut.”

Ontzettend leuk

Zoon Sytze loopt het kantoor binnen om iets te pakken. Zijn vader legt een hand op zijn schouder en zegt trots: “Deze jongen hier heeft dus de dagelijkse leiding van dit bedrijf. Ik kijk vooral achter de schermen mee, naar de geldstromen en zo, om hem wat te ontlasten. En verder regel ik bijvoorbeeld de in- en verkoop van wijn en nootjes: erg leuk.”

En u maakt nog steeds wel weken van 80 uur?
“Ja. Ik vind het gewoon machtig mooi werk, en ik heb er nog de energie voor, dus ik doe het met plezier. Goddank. En die 80 uur? Ach, dat komt natuurlijk ook omdat ik toch wat ouder ben en minder efficiënt werk dan vroeger, haha.” Op serieuzere toon: “Als Jezus terugkomt, en daar zie ik erg naar uit, moet ik ook alles loslaten, net als in de vakanties. Maar tot die tijd blijf ik graag nog zo lang mogelijk werken. Kijk maar eens goed om je heen: mensen die niks doen, worden soms vervelend. Voorkom dat je je gaat vervelen, want dan word je vervelend. Daar pas ik voor.” Grijnzend: “En geloof mij: kaas is de mooiste handel die er is!”


Tekst: Gert-Jan Schaap
Beeld: Ruben Timman
Bron: Visie 2014, nr. 46