Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

'Ga waar God je een plek geeft'

'Ga waar God je een plek geeft'

Onder haar witte kap stralen haar ogen en haar gulle lach. Diaconessenzuster Greet Verhoeven geniet met volle teugen van het leven, ondanks de diepe pijn die ze heeft ervaren. "Die heeft me niet meer in de tang."

Achternamen blijven meestal ongenoemd bij de Zendings-Diaconessen: het is gewoon zuster Greet. Net als haar medezusters draagt ze een blauw uniform en een wit haarkapje. “Een soort protestantse non” is ze, legt ze uit. Samen met zes andere zusters woont ze in Amerongen, vier anderen wonen in een verzorgingshuis. Ze zijn de laatste elf diaconessen in Nederland. Greet Verhoeven (56) geeft leiding aan die gemeenschap.

“Samen leven is misschien wel het moeilijkste onderdeel van onze roeping. We hebben allemaal onze onhebbelijkheden – gisteren had ik nog een aanvaring met een andere zuster. Maar het is ook het mooist. Vroeger zeiden de zusters: we vinden elkaar aan de voet van het kruis. Dat is nog steeds een belangrijk gezegde, daar vinden en accepteren we elkaar. En als het nodig is, vergeven we elkaar, zoals Christus ons vergeven heeft.”

In de keuken

Zuster Greet praat rustig, formuleert zorgvuldig en breekt regelmatig een zin af om opnieuw te beginnen. Bij de koffie serveert ze een koekje (“Wel een beetje karig, hè. Het liefst heb ik altijd iets lekkers in huis voor als er bezoek komt.”)

Ruim dertig jaar is ze nu diacones. Ze leert de gemeenschap kennen als ze eind jaren ‘70 haar ouderlijk huis verlaat om te gaan werken in een verpleeghuis van de diaconessen. “Ik ben opgevoed in een stevige geloofstraditie. Mijn ouders waren uit de gereformeerde gemeente vertrokken en lazen thuis preken van ‘oude schrijvers’ uit de nadere reformatie; oude woorden, die voor hen betekenisvol waren, maar mij niets zeiden. Ik had besloten daar afscheid van te nemen. Ik wilde me ervan distantiëren en kreeg de kans om in de keuken te werken bij de diaconessen.”

Het geloof en samenleven van de diaconessen raken haar. “Ik zag een groep vrouwen die hun leven op een heel mooie manier vormgaven, vanuit een oprecht geloof. Ze probeerden wat ze geloofden, in navolging van Christus, handen en voeten te geven; eenvoudig, en zonder opsmuk.” Greet voelt zich er zo thuis dat ze besluit in te treden. En dat betekent sober leven, dienstbaar zijn en niet trouwen. “Dat laatste staat nergens zwart op wit, maar in de praktijk trouwt een diacones niet. Wij hebben ons leven aan de Heer gegeven.”

Gebroken

Als ze een aantal jaar diacones is, komt zuster Greet in een depressie terecht. “Ik zakte door de bodem van mijn eigen bestaan. Er kwam veel oude pijn naar boven. Omdat wij niet naar de kerk gingen, werd ik als kind erg gepest; ik werd uitgescholden voor heiden. Ik hoorde er niet bij, van mijn 6e tot mijn 12e. Dat heeft iets in me gebroken, en daar heb ik erg onder geleden. Pas later in mijn leven ontdekte ik hoe sterk die periode mij gevormd heeft. De pijn en eenzaamheid kwamen weer naar boven. En juist in die tijd overleden twee broers van me – in de dertig, één had vier kinderen. Dat raakte me zo diep! Ik zat aan de bodem en was God kwijt; ik kon niet meer bidden. Maar toen ik geen gebed had, baden de andere zusters voor mij. Daar kon ik me schuldig over voelen. Achteraf zag ik pas hoe prachtig dat is. In die tijd, op het nulpunt van mijn bestaan, kwam ik op goede vrijdag hier in de hervormde kerk. Een vrouw zong daar een lied over Petrus die zijn Heer verloochende. Maar Jezus draaide zich naar Petrus om. Dat raakte me diep. Ik begon te huilen en werd echt aangeraakt door God. Sindsdien heb ik mij nooit meer door Hem verlaten geweten.”

Waren die vervelende ervaringen uit het verleden daarmee weg?

“Nee, die gaan niet weg. Dat wat er gebeurt in je leven, is een deel van je. Ik heb dat door te tijd heen leren omhelzen. Het is deel van mij, het mag er zijn. Maar het heeft geen macht meer. Het hoeft me niet in de tang te houden.”

In een ander interview vertelde u dat u als kind misbruikt ben. Heeft u dat ook omhelsd?

Ze is even stil. “Ja. Ik ben toen ik jong was misbruikt door iemand buiten mijn familie. Je kunt dat nooit wegpoetsen; het heeft plaatsgevonden, dus ook dat is deel van mij. Ik kan dat wegduwen, maar daarmee geef ik het macht. Pas toen ik het leerde omarmen, toen het een plek kreeg, verloor het die macht. Ik hoef het niet meer als een last mee te dragen. Dat geeft zoveel hoop! Wat er ook gebeurd is in je leven, het hoeft je niet te beheersen. In Christus heb ik nieuwe veerkracht gekregen. Hij herstelt, Hij geneest. Dat heeft Hij ook in mijn leven gedaan. Anders had ik hier nooit zo kunnen zitten. En daarom heb ik hoop voor iedereen, wat er ook met hen is gebeurd. Prachtig, toch?”

Stormvlaag

“Ik kan me geen leven voorstellen zonder woestijnperiodes. Als je erin zit, wil je er zo snel mogelijk uit, maar als je terugkijkt, is het heel vormend voor je. Ik val nu niet meer om bij de eerste de beste stormvlaag, en ben niet van slag als mensen iets anders vertellen dan ik gewend ben te horen.”

Die andere geluiden krijgt ze genoeg te horen in Amsterdam, waar ze tien jaar na haar intreding bij de Zendings-Diaconessen, terechtkomt. Ze wordt gevraagd een centrum voor psychosociale en pastorale hulp op te zetten, bedoeld voor mensen die na gevangenschap of behandeling nergens terechtkunnen. “Dat werk deed ik met hart en ziel; professionaliteit en liefde gingen er hand in hand. Ik ontmoette mensen in de misère van hun leven. Het was goed om er gewoon voor hen te zijn. Het begint altijd met luisteren, want als je luistert naar mensen, ontdek je waarom ze doen wat ze doen. Vaak zie je dat er groot onrecht in hun leven heeft plaatsgevonden. Daarna begonnen ze met overleven, en sloegen ze alles en iedereen van zich af. En juist naast die mensen mocht ik zitten, om ze te helpen.”

De Pijp

Het is niet alleen het werk dat Greets hart heeft: ook de stad bevalt haar. “Ik woonde midden in Oud-Zuid, heerlijk, tussen de mensen. Ik kon lekker op de fiets door de stad. Af en toe ging ik een weekend naar Amerongen, om even tot rust te komen. Maar zodra ik over de Utrechtsebrug de stad binnenreed, en langs de Amstel richting de Pijp, kwam ik weer thuis.”

Keken de mensen niet raar op van zo’n zuster in blauw uniform?

“In Amsterdam is niks raar, dus mijn uniform ook niet. Het leverde prachtige gesprekken op. Ik herinner me nog dat een zwerver zei: ‘Zuster, wat ziet u er rein en schoon uit!’ Toen dacht ik: ‘Vanbinnen ben ik nog precies als jij.’ Of iemand riep: ‘Gelooft u nou nog echt in die Jezus, zuster?’ Toen antwoordde ik: ‘Geloof jij in Michiel de Ruyter? Ja toch? Nou, zo geloof ik ook in Jezus.’ Ik was er helemaal thuis. Toen ik maatschappelijk werk ging studeren, had ik dat in Ede kunnen doen. Maar ik besloot in Amsterdam te blijven, in mijn uniform, tussen de veelal niet-gelovigen. En mooie gesprekken dat we hadden!”

Als u over Amsterdam praat, gaat uw hele gezicht stralen...

“Ja, er ligt nog altijd een stukje van mijn hart. Die Amsterdamse humor, daar heb ik zo van genoten. Als ik in het begin in de tram stapte, vroeg ik: ‘Gaat u naar de Albert Cuijp?’ Dan zei de tramchauffeur: ‘Ik niet, maar u wel.’ Of ik hoorde iemand eens vragen: ‘Hoe kom ik zo snel mogelijk in het AMC?’ Antwoord van de chauffeur: ‘Midden op de trambaan gaan liggen.’ Heerlijk, toch?”

Springen

Na een aantal jaar wordt aan zuster Greet gevraagd haar werk in Amsterdam af te bouwen en leiding te komen geven aan het Zendings-Diaconessenhuis in Amerongen. “Daar stond ik niet om te springen, maar ik kon de vraag wel plaatsen. Dus heb ik er tijd voor genomen, en er veel voor gebeden. Op een gegeven moment zei ik hetzelfde als toen ik naar Amsterdam ging: ‘Heer, als het Uw weg is, wilt U dan vooruit gaan en de weg banen.’ En God gaf me de ruimte om mijn verantwoordelijkheid te nemen. Zo ging ik terug naar Amerongen, in de wetenschap dat er mensen biddend om mij en ons heen stonden.”

En, hoe beviel het?

“Eerlijk is eerlijk: de eerste twee jaar vond ik het heel zwaar. Ik miste die gekke, bruisende stad die altijd anders was. En hier... om tien uur gaan bij sommigen de gordijnen al dicht. En ik moest ook wennen aan het gemeenschapsleven. Dus de eerste tijd was het in mijn hoofd goed, maar mijn hart lag nog in Amsterdam. Ik moest me overgeven. Zo leerde ik langzamerhand dat het belangrijk is om gewoon daar te zijn waar God je een plek geeft. Daar ga je weer bloeien. En dat doe ik hier.”

Moestuin

Weet je wat is gebleven – in Amsterdam, maar ook hier in Amerongen? De liefde van Christus, die mij dringt om mijn leven te leven zoals ik dat nu doe. Ik leer steeds meer dat ik gewoon mag zijn wie ik ben, en de ander ook. En zo mag ik anderen ontmoeten. Als je de vooroordelen en hokjes loslaat, is het leven één grote verrassing. Of ik nu vluchtelingen ontmoet, mijn mede-diaconessen of mensen in het hospice, die momenten zijn ontzettend waardevol. Zo willen we als diaconessen leven.”

Maar veel zusters zijn er niet meer en nieuwe aanwas blijft uit. In Amerongen zijn er nog zeven actief, naast de vier die in een zorgcentrum wonen. Zij ontvangen gasten die in retraite willen, organiseren stilteweekenden en zijn op allerlei manieren maatschappelijk betrokken. Bijvoorbeeld door conversatielessen voor vluchtelingen, de moestuin, waar Amerongers elkaar ontmoeten en delen in de oogst, en pastoraal werk in het nabijgelegen hospice. “We zijn ons voortdurend aan het bezinnen over onze plek en onze roeping. Wat is de zin van de dingen die we doen? Waarom doen we het? Het leven met Jezus is één groot veranderingsproces: je denken wordt steeds weer vernieuwd.”

U denkt veel na over de toekomst. Is die er, voor de zendingsdiaconessen?

“Als je de leeftijdsopbouw ziet, moet je nuchter zijn. Wat willen we nog? Wat kunnen we nog? Dat zijn spannende vragen; en de grootste is misschien wel of we voort kunnen bestaan. Maar ik word daar niet zenuwachtig van. Ik geloof dat God dit werk in het leven heeft geroepen; dan is Hij ook degene die aan het eind zal staan.”

En uw eigen toekomst? Hoe ziet u die?

“Ik leef bij de dag – ik kan intens genieten van het leven. Dat is de Bourgondiër in mij. Vorige week was ik nog met een van de zusters in Ouddorp; gewoon genieten, met een potje scrabble en een goede maaltijd. Heerlijk. Of neem de herfstkleuren. Zo mooi! Ieder jaar lijkt het weer mooier. Als het hier al schitterend is, hoe zal het dan Boven zijn?

Ik denk elke dag aan de eeuwigheid. Misschien ook omdat ik begin dit jaar mijn moeder verloren heb. Vorige week stond ik bij een zonsondergang aan zee en toen greep het me weer aan: het is te groot, te schoon om te bevatten. Dan ervaar ik even de eeuwigheid. Samen hebben we toen uit volle borst gezongen: ‘Heer ik prijs Uw grote naam. Heel mijn hart wil ik U geven.’”


Tekst: Pieter-Jan Rodenburg
Beeld: Ruben Timman
Bron: Visie 2015, nr. 48