Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

'Ik douche dagelijks - puur voor de comedy, hoor!'

'Ik douche dagelijks - puur voor de comedy, hoor!'

Kwinkslagen van een christelijke stand-upcomedian: de een krijgt overbelaste lachspieren van Jacob Spoelstra, de ander kromme tenen. "Als er geen mensen zijn die mij verschrikkelijk vinden, zullen er ook geen mensen zijn die me geweldig vinden."

Ooit overkwam het hem: een voorstelling werd halverwege stopgezet omdat iemand vond dat zijn grappen niet door de beugel konden. Achteraf kan de van oorsprong Friese Jacob Spoelstra (1969) er hartelijk om lachen. “Ik zal de naam niet noemen, maar dat gebeurde op een camping,” vertelt hij in zijn modern ingerichte woonkamer, in een nieuwbouwwijk in Dronten. "De eigenaar kwam tijdens mijn optreden de zaal binnen – ik maakte net een grap over een ongestelde vrouw of zoiets -, stapte direct het podium op en legde de voorstelling stil. Er steeg luid boegeroep op uit de zaal, en dat betrof – gelukkig – die campingeigenaar. Daarvoor was er trouwens ook al iets voorgevallen. Die eigenaar had gezien dat een bruin jongetje wegliep uit de zaal, en was bang dat hij zich gediscrimineerd voelde omdat ik een grapje over Surinamers had gemaakt. Maar later hoorden we dat dit jochie snel zijn vriendjes wilde halen, omdat hij mijn optreden zo leuk vond!"

Een laatbloeier

Wat stand-upcomedy betreft, kun je hem gerust een laatbloeier noemen. Jacob was al 35 jaar oud toen hij debuteerde. “Dat was tijdens een auditie van cabaretfestival Cameretten. Daar namen ze destijds iedereen aan die zich inschreef. Je kwam dan meteen in het theater van Hoofddorp terecht: twintig minuten optreden voor een publiek van zo’n honderdtwintig man.”

En?
"Ik ging niet door naar de volgende ronde, maar het voelde goed: er werd in ieder geval gelachen en zo."

Wat zei de jury?

"Die vond het niks, haha! Althans, ik kreeg een brief met wat positieve en wat kritische feedback. Maar dit was voor mij de eerste keer op een podium en ik had hiermee in ieder geval een bodem gelegd waarop ik verder kon bouwen. Als de juryleden hadden geweten dat het mijn allereerste optreden ooit was, zouden ze waarschijnlijk wel anders hebben gereageerd. Meestal doe je namelijk pas mee aan Cameretten als je al minimaal vier, vijf jaar bezig bent."

Voor iedereen verzwegen

Het eerste jaar daarna vertelde Jacob niemand dat hij intensief met comedy bezig was: hij wilde in alle stilte zelfgeschreven materiaal testen en meer ‘vlieguren’ maken op de planken, want zijn debuut smaakte naar meer. “Ik heb het heel lang voor iedereen verzwegen, alleen mijn vrouw wist ervan, en mijn jongere broer, die vaak met mij meeging. Na Cameretten nam ik onder andere deel aan open podia in Amsterdam, wekelijks of tweewekelijks. Met vallen en opstaan groeide ik in mijn rol als stand-upcomedian. Een jaar later deed ik mee aan een ander festival en bereikte ik de finale. Omdat er een groot stuk in de Telegraaf verscheen, met foto’s erbij, kon ik niet langer stilhouden waar ik mee bezig was.”

Dubbel voor de buis

Jacob groeide op in een gereformeerd-vrijgemaakt nest in het Friese Hardegarijp, zo’n vijf kilometer van zijn geboorteplaats Bergum (Burgum). In zijn jongensjaren – hij was de middelste van zeven kinderen – lag hij vaak dubbel voor de buis als hij André van Duin zag optreden. Later keek hij gefascineerd naar Toon Hermans en Herman Finkers. Maar hoezeer die wondere wereld van de humor hem ook trok, de gedachte dat hij ooit zélf als komiek zou optreden, duwde hij weg. “Dat was in mijn beleving... ik denk te hoog gegrepen of zo. ‘Dat kan ik niet,’ die gedachte had ik heel sterk. Anders was ik er veel eerder mee begonnen, niet pas op mijn 35e.”

Ook autowasstraten

Zijn gevoel voor humor heeft Jacob naar eigen zeggen van zijn – inmiddels overleden – vader geërfd. “Bij ons thuis werd er veel gelachen: elkaar uitlachen, daar waren we erg goed in. En bij bepaalde gelegenheden, zoals bruiloften, was het voor ons een sport om het bruidspaar flink voor schut te zetten. Hele revues en programma’s hebben we gemaakt. Ik was een jaar of 13 toen we dat voor het eerst deden. Dat vond ik meteen geweldig leuk. We waren zo fana- tiek dat we weken van tevoren al aan het oefenen waren om het goed in elkaar te zetten. Achteraf gezien is dat toch wel een beetje de start geweest.”

De vele vlieguren die hij sinds zijn Cameretten-debuut heeft gemaakt, waren geen verloren tijd. Inmiddels treedt hij zo’n tachtig à honderd keer per jaar op. Zowel op open podia als tijdens congressen en voor bedrijven (“binnen de IT-sector, maar ook zorginstellingen en autowasstraten”).

Neem je alle uitnodigingen aan?
“Wat ik minimaal wil, is dat er mensen zitten, er een podium is en een microfoon. Dat zijn de randvoorwaarden. Wordt daar niet aan voldaan, dan zeg ik nee. Zeggen ze: ‘Maar je krijgt er 1500 euro voor!’, dan antwoord ik: ‘Oké, hoe laat moet ik beginnen?’”

De zaal in beweging krijgen

“De grap is: ik geef ook vaak optredens met collega’s die het al twintig jaar doen,” zegt hij even later. “Zij hebben allemaal dezelfde drive om de zaal in beweging te krijgen door hun verhaal goed te vertellen, en voelen nog steeds dezelfde spanning: gaat het lukken? Na het optreden kennen ze dezelfde euforie en giert de adrenaline ook bij hen door de aderen. Dat is de kick: de lachsalvo’s, het applaus, daar heb je keihard voor gewerkt.”

Ken je geen plankenkoorts?
“Jawel, altijd tien minuten van tevoren – als ik niet meer terug kan, haha. Dan gluur ik even de zaal in, en denk ik: ‘Al die mensen vinden het niet leuk, die lachen niet om mij.’”

Zeg je dat tegen jezelf?
“Een stemmetje in mijn hoofd zegt dat.”

Is dat jouw grootste angst?
Grijnzend: “Het is het enige wat mis kán gaan: dat de lach uitblijft omdat mensen het niet leuk vinden.”

Een EO-primeur

“Waar ik de beste ideeën krijg?” Hij wijst omhoog. “Onder de douche. Als je heel ontspannen bent, komt de meeste creativiteit vrij. Dus ik douche dagelijks – puur voor de comedy, hoor!”

Afgelopen jaar had jij een EO-primeur: je was de eerste stand-upcomedian ooit die optrad tijdens de Nederland Zingt-dag. Hoe was dat?
“Super leuk. Het was een van de zeldzame keren dat ik de avond ervoor onrustig sliep.”

Waar zat je over in?
“Ik vroeg me af: krijg ik al die mensen stil en houd ik de aandacht zeven minuten lang vast? Het was bovendien geen doorsnee-comedypubliek: er zaten mensen van 8, maar ook van 108. Gelukkig had ik vanaf de eerste seconde de aandacht.“

Heb je achteraf de reacties bekeken op de EO-Facebookpagina?
“Een aantal. Al doe ik dat meestal niet. Als je op internetreacties afgaat, kun je alle kanten op.”

Sommigen voelden zich gekwetst door bepaalde grappen.
“Dat klopt, al heb ik zelf alleen maar positieve reacties gekregen. Ach, het was maar zeven minuten. En met humor is het zo: niet iedereen vindt jou leuk. Nog sterker: als er geen mensen zijn die mij verschrikkelijk vinden, zullen er ook geen mensen zijn die me geweldig vinden. De meesten vonden het leuk.”

Katholieken de zaal uit

Met twinkelogen: “Weet je wat grappig was? Het enige stukje dat de EO heeft aangedragen, dáár viel men over! Het verzoek was: ‘Kun je iets doen met het feit dat de mensen op de Nederland Zingt-dag uit allerlei verschillende kerken komen.’ Normaal stuur ik wel eens katholieken de zaal uit. Nou, die moeten er altijd vreselijk om lachen. Tijdens de Nederland Zingt-dag heb ik de gereformeerden aangepakt en ja, enkele bezoekers vonden dat minder leuk. Terwijl ik nota bene zélf gereformeerd ben! Ik heb het filmpje trouwens ook op Facebook en Youtube gezet; van diverse niet-christelijke collega-comedians kreeg ik mooie reacties. Ze zullen niet alle grappen snappen, maar ze kijken natuurlijk vooral naar hoe het technisch ging. En ze waren uiteraard onder de indruk van de enorme omvang van het publiek.”

Vormen ‘christen’ en ‘stand-upcomedian’ een lastige combinatie?
Direct: “Nee, mijn christen-zijn heb ik nooit als belemmering of lastig ervaren. Mensen vinden je leuk omdat je bent zoals je bent op het podium. Mijn vrouw werkt bij de politie en zij wil niet dat ik grappen over de politie maak – dát is pas een belemmering, haha.”

Een groot compliment

“Collega-comedians weten allemaal dat ik christen ben. Ze respecteren het, en hebben waardering voor wat ik doe.” Hij pakt zijn laptop van de bank, gaat weer zitten en opent zijn Facebook-pagina. “Ook in het seculiere circuit vertel ik de zaal wel eens dat ik christen ben. Maar dat deed ik pas toen ik dacht: ‘Nu ben ik goed genoeg.’ Want je wordt afgebrand als je niet goed genoeg bent.” Hij wijst naar het scherm. “Dit postte Bob McLaren pas op mijn tijdlijn, de eigenaar van Comedy Café in Amsterdam en zelf een heel goede stand-upcomedian uit Nieuw-Zeeland: ‘God’s own comic’ (Gods eigen comedian, red.). Een groot compliment, zeker van iemand als hij.”

Maak je ook wel eens grapjes over het geloof, of God?
“Over God nooit. Wel over gelovigen, maar dan met name over de randzaken, zoals zondagsrust op de camping. Ook mijn eigen worsteling met de Tien Geboden vind ik interessant. Probeer maar eens je kinderen op te voeden zonder te liegen. Dat lukt je niet. Aan ouders die dat wel beweren, zou ik willen vragen alle tekeningen en werkstukken van hun kinderen te laten zien waarvan zij ooit hebben gezegd ‘Nee, maar dat is een mooie tekening, die gaat papa zeker bewaren!’”

Vorig jaar februari was je te horen in het radiorubriekje Onder de douche van Veronica, waarin je een moeilijk sprekende dove imiteerde, om het punt te maken dat leerkrachten veel te snel tegen hun leerlingen zeggen: ‘Het is wel goed zo.’ Als ik vader was van een doof kind, zou ik die imitatie waarschijnlijk als kwetsend en pijnlijk hebben ervaren.
Jacob legt een hand tegen zijn wang, denkt na. “Ja. Ja. Misschien wel. Maar ze lachen ook om mij omdat ik met een accent praat.”

Een Fries accent is toch iets anders dan een handicap?
“Ik kan er ook niks aan doen. En je wordt er echt minder serieus door genomen. Niet op het podium, wel in het dagelijks leven. Sinds ik buiten Friesland woon, heb ik dat diverse keren gemerkt, onder andere tijdens vergaderingen. Dus toch een soort handicap. Dat mensen eerder om mij lachen terwijl ik iets serieus zeg, betekent dat ik mij extra moet bewijzen omdat ik uit het noorden komt. Dat is toch raar?”

Peinzend: “Maar met grappen over handicaps en zo moet je inderdaad oppassen. Ik heb er nog nooit een klacht over gehad. Als de ondertoon van wat je zegt maar goed is, denk ik. Niet kwetsend. Ik kan best harde grappen maken, maar het is nooit kwet- send bedoeld. Dat proeven mensen.”

Iets anders: je schreef ooit een bloedserieus liedje naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede, ‘Slagveld zonder vijand’.
Opgetrokken wenkbrauwen. “Klopt; waar heb je dat gevonden? Dit liedje heb ik geschreven en mijn zusje zong het. Wij zaten in een bandje en traden soms op in een soos in die wijk. Ook die soos is vernield. Het geld dat we ermee ophaalden, is gebruikt voor de wederopbouw van die soos.”

‘Enschede’ is maar één voorbeeld van pijn en lijden. Krijgt de donkere kant van het leven ook een plek in jouw shows?
“Nee. Die houd ik er bewust buiten. Het is comedy. Dus er zit niet opeens een heel verhaal of een moraal in. Het moet grappig zijn, en daar lenen grappen over bijvoorbeeld ebola of ISIS zich niet voor. Het past ook niet zo in mijn straatje. Ik ben meer van de huis-, tuin- en keukenhumor. Relaties vind ik interessanter.”

Over relaties gesproken: wat vindt je vrouw van wat je doet?
“Ze gaat bijna nooit mee. Ik test hier thuis wel eens wat op haar uit. Hoe groter bij haar de irritatie, hoe beter de grap. Als ze mij op het podium ziet, heeft ze zoiets van: ‘Joh, doe eens gewoon.’ De enkele keer dat ze meegaat, geeft ze steevast goede feedback, waar ik echt wat mee kan. Dus daar ben ik blij mee.”

Heb jij nog een grote comedy-wens?
“Het liefst zou ik nog eens gaan toeren met een eigen programma, het theater in. Anderhalf uur solo.” Hij valt even stil. “Vroeger had ik altijd het idee ‘Dit kan ik nooit’, en nu heb ik er echt een flinke taak aan naast mijn baan – dus eigenlijk is mijn droom allang uitgekomen."


Tekst: Gert-Jan Schaap
Beeld: Jacqueline de Haas
Bron: Visie 2015, nr. 5