Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Joke Verweerd: 'Sinds mijn ziekte is schrijven een roeping'

Joke Verweerd: 'Sinds mijn ziekte is schrijven een roeping'

Ze was een kind dat heel intens leefde, met nieuwsgierige ogen om zich heen keek en vooral: moeiteloos overal verhalen bij verzon. In Joke Verweerds enthousiaste manier van spreken, haar aanstekelijke lach en vooral in haar boeken zie je dat meisje van toen nog steeds terug. “Ik schrijf vanuit mijn hart.”

“Eén moment uit mijn lagereschooltijd zal ik nooit vergeten,” vertelt Joke op de bank in haar naar bloemen geurende woonkamer, aan de rand van een nieuwbouwwijk in de Haarlemmermeer. “Op een dag drong het voor het eerst tot me door: lettertjes vormen samen een woord, woorden vormen zinnen en zinnen verhálen – ik was even compleet van de wereld! Vanaf dat moment begon ik thuis op te schrijven wat ik dacht, in mijn eigen schriftje.”

Een plotselinge blikseminslag

Joke (60) groeide op in wat ze omschrijft als “een behoudend milieu”, als de middelste van vijf kinderen. Ze was een vrolijk en spontaan meisje, dat soms zingend de trap afkwam, maar vaak ook bang. Die angst had te maken met haar grote inlevingsvermogen, in combinatie met haar fantasie: er kon voor haar gevoel zomaar van alles gebeuren. “Een ongeluk met een auto bijvoorbeeld, of een plotselinge blikseminslag op ons dak. Dat was natuurlijk mijn schrijvershoofd,” zegt ze lachend. “Van een piepklein feitje, zoals iemand met verdrietige ogen tegenover me in de bus, kon ik gemakkelijk een enorm verhaal maken.” Peinzend: “Ik denk dat ik mijn talent dank aan mijn gretigheid: ik ben heel nieuwsgierig, heb zin in dingen en wil ze graag benoemen.”

Eigen verzinsels

Dat ze als kind al verhalen aan het papier toevertrouwde, deed ze niet alleen om ze nog eens terug te kunnen lezen. “Als ik iets vertelde, was het thuis altijd de vraag hoeveel er wáár was. Ik merkte al heel jong dat mijn hoofd feiten aanvult met fictie. Het verhaal kan groter of kleiner, gruwelijker of mooier worden. Dat was ook voor mijzelf soms beangstigend. Meestal wist ik niet meer waar de feiten ophielden en mijn eigen verzinsels begonnen. In de loop van de tijd werd ik een stil kind, omdat ik merkte: als ik dit allemaal vertel, krijg ik daar commentaar op. Dat vond ik lastig. Ik was ook een beetje bang om kritiek te krijgen. Het hebben van zoveel fantasie was in die tijd best zwaar. Papier stelde gelukkig geen lastige vragen bij mijn verhalen, haha.”

Een aanstekelijk geloof

Na haar studie aan de Sociale Academie in Rotterdam, werkte ze als maatschappelijk werkster op het gemeentehuis in haar geboortedorp, Krimpen aan den IJssel. Daar ontmoette zij de man van haar leven, met wie ze op 20-jarige leeftijd trouwde. “Mijn schoonmoeder, die in 1950 naar Nederland kwam, had een Indonesische achtergrond. Ze moest haar geboorteland verlaten omdat ze met een Nederlandse baggeraar getrouwd was. Haar achtergrond fascineerde me enorm. Van jongs af aan was ik nieuwsgierig naar andere mensen en culturen. Het was geweldig om met haar te praten. Ze kon goed vertellen en mijn wereld werd met ieder gesprek groter. Zij wees me erop hoe krachtig verhalen zijn, en hoe de Here Jezus fictie gebruikte om duidelijk te maken Wie God is. Mijn schoonmoeder had een aanstekelijk, blij geloof, het eerste geloof waar ik jaloers op werd. Ze had jong haar man verloren en verschrikkelijke dingen meegemaakt in de oorlog, maar ze geloofde: ‘Als God me ziet, ben ik veilig.’ Door alle gesprekken met haar kreeg ik steeds meer vertrouwen in God. En zij was het die me heeft gestimuleerd mijn verteltalent te gaan gebruiken.”

Graag op het randje

In 1995 rolde Jokes debuutroman De wintertuin van de drukpers. Haar schoonmoeder was toen helaas al overleden. Die roman werd goed ontvangen. Maar Joke dacht dat het een toevalstreffer was, bekent ze. “Ook bij andere boeken heb ik dat nog heel lang gedacht.”

Hoe zou jij een typische ‘Verweerd’ omschrijven?
“Het verhaal spreekt je aan op een diepere laag: het gaat bij mij altijd over emotie. De feiten zijn verzonnen, maar ik beschrijf de emoties op zo’n manier dat het herkenning oproept. Ik schrijf vanuit mijn hart.”

Al sinds je debuut wordt er gediscussieerd over de vraag of jouw romans literatuur zijn, of niet. Dat lijkt me niet leuk.
Met licht opgetrokken schouders: “Ik vind het eigenlijk zó onzinnig. Wat literatuur is, is voor iedereen verschillend. Ik wil dat ook eenvoudige lezers snappen wat ik bedoel. Dus ik zit wel graag op het randje. Als mensen zeggen: ‘Dat boek van Joke mag op de literatuurlijst,’ vind ik dat natuurlijk heerlijk. Maar om nou te gaan zitten kissebissen of het literatuur is... Daar denkt iedere recensent verschillend over. Mijn lezersgroep is heel breed, en daar ben ik ontzettend blij mee. De vraag of een boek diepgang heeft, vind ik belangrijker.”

Is het geen gebrek aan ambitie?
“Ik wil het publiek van beide kanten hebben, en mijn eenvoudige lezers niet verliezen!” Nog geen drie tellen later: “Waar recensenten altijd wel iets positiefs over kunnen zeggen – je hoort het al, ik benader dingen altijd liever van de positieve kant – is dat ik mijn research goed doe. ‘Het klopt niet wat je schrijft’: ik zou het echt ontzettend vervelend vinden als iemand dat – terecht – zou zeggen. Want dan heb ik kennelijk niet hard genoeg gewerkt.”

Nachtenlang wakkergelegen

Eind 2011 kreeg Joke, op dat moment bezig met Retour Rantepao, een boodschap die haar trof als een vuistslag. Er was borstkanker bij haar geconstateerd. “Na het overlijden van mijn moeder aan borstkanker in 2002 hebben we als dochters afgesproken dat we elk jaar een mammografie laten maken. De negende keer was het mis. Dan kraakt je wereld wel even in z’n voegen, hoor. Heel wonderlijk, mijn eerste gedachte was: ‘Gelukkig heb ik het, en niet mijn man of een van de kinderen.’

Maar meteen daarna: ‘Dan zie ik onze kleinkinderen niet groot worden...’ Dat vond ik een verschrikkelijke gedachte. Ik heb nachtenlang wakkergelegen met het idee: er marcheert door mijn lichaam een leger foute cellen. Waar gaan ze heen, en waar zitten ze al? Dan komt het heel erg op vertrouwen aan. Het ene moment heb je het, en dan is het zomaar weer weg en kun je het zó benauwd krijgen.”

Na een borstsparende operatie en bestralingen, begon ze aan een zware hormoonkuur van zeven jaar. “Je lichaam wordt in feite geforceerd in de overgang geduwd. Het eerste halfjaar van die pillen vond ik veel moeilijker dan de operatie en alle bestralingen bij elkaar. Ik was mezelf niet, kon niet meer bij m’n ziel. Een hoofd vol verhalen en niks meer op papier kunnen zetten: dat is vreselijk voor een auteur!”

Je probeerde het wel?
“Jazeker, ik word diep ongelukkig als ik niet schrijf. Maar ’s avonds had ik één alinea op papier staan... die rijp was voor de prullenbak. Páts, weer een dag verknald!”

Een groot woord

Zoals haar oncoloog al had voorspeld, ging het na verloop van tijd gelukkig weer de goede kant op. Een maand of zes na de start van de hormoonkuur kon Joke weer echt gaan schrijven. Ze rondde Retour Rantepao af en won er zelfs de Publieksprijs Christelijk Boek 2014 mee.

Heb je nog vaak controles?
“Drie keer per jaar, om te zien wat de hormoonmedicatie doet. Maar omdat er geen uitzaaiingen zijn, durf ik zo langzamerhand te denken dat het toch wel allemaal weg is.”

Heeft die moeilijke periode je ook iets goeds gebracht?
“Ik zou het niet nogmaals willen meemaken, en toch had ik het niet willen missen: ik ben er een blijer mens door geworden. Veel dankbaarder om de ‘gewone’ dingen. Ik was altijd blij met de eerste zingende merel op het dak, het eerste plantje in de tuin, maar nu meer dan ooit. En ik ben ontzettend dankbaar voor het dagboek Toeval bestaat niet, dat ik na afronding van Retour Rantepao heb geschreven. Het was geen deal, maar ik deed een gelofte: ‘Here God, als ik die roman klaar heb, wil ik proberen een Bijbels dagboek te schrijven.’ Daar heb ik met enorm veel plezier aan gewerkt; Gods Woord is zó rijk. Ik was nog lang niet uitgedacht na 366 stukjes en sluit niet uit dat ik nog eens een dagboek zal schrijven.”

Vindersloon

Voor de Week van het Christelijke Boek (zie kader) schreef Joke Vindersloon. Een novelle met twee decors: de afdeling Lost and Found op Schiphol en het weidse polderland van de Haarlemmermeer. De hoofdpersonen worstelen met liefde, verlangen en angst. “Ik vind het prachtig geworden, al zeg ik het zelf. Het gaat om herkenbare thema’s, emoties en vragen. Wat doe je als je meest nabije medemens onbereikbaar is geworden? Hoe ga je om met het kwaad in deze wereld, en met de dreiging van rampen?”

Is schrijven voor jou een innerlijke drang, iets wat je móet?
“Ja. Voorheen dacht ik dat dit zo was om mijn sterk wisselende emoties rustig te krijgen. Want schrijven ordent, werkt therapeutisch. Maar eigenlijk durf ik sinds mijn ziekte te zeggen: het is mijn roeping. Dat vond ik altijd een groot woord. Maar een roeping is: iets doen wat groter is dan jezelf. Niet jezelf op de borst slaan, maar je juist afhankelijk weten van God.”

Je man gaf je een gouden pennetje toen je 50 werd. Is hij jouw grootste fan?
Joke komt van de bank, buigt voorover en toont een gouden hangertje in de vorm van een vulpenpunt. “Mooi hè?” Zodra ze weer zit: “Mijn man is geen lezer, maar wel betrokken bij mijn werk. Als ik in the flow van een verhaal zit, zal hij me niet storen. Hij zegt wel eens: ‘Soms moet ik mijn vinger opsteken om contact te maken.’ Maar daar kan hij prima mee omgaan. Hij is soms ook een buffer: bij een slechte recensie wordt hij boos, dan hoef ik me daar niet meer druk om te maken.”

Recensies leest hij dus wél?
“Ja, hij leest wel wat er óver mij wordt geschreven. En als ik zelf werk inlees voor de Christelijke Bibliotheek voor Blinden en Slechtzienden, luistert hij naar mijn roman. Vindersloon ga ik zelf ook weer inlezen. Mooi werk. Ze kunnen trouwens nog wel ‘inlezers’ gebruiken, dus wie tijd en een goede, heldere stem heeft, mag reageren.”

Een dunne grens

Waar Joke wel eens mee worstelt, is de vraag hoe ze de mens en God recht kan doen in een verhaal. “De weg naar Hem toe moet ik niet te moeilijk maken, maar ik moet er ook niet te makkelijk over
doen: we staan nooit in ons recht, het is genade. Daarin zoek ik een evenwicht. En ik moet het ook hebben over de wereld van vandaag, inclusief het kwaad. Dat moet ik laten zíen, maar niet ‘showen’. Dat is een dunne grens, merkte ik ook bij Vindersloon weer. Soms schrijf ik een alinea, en denk ik: wáár ligt die grens hier? Dan helpt bidden altijd.”

Schietgebedjes tijdens het schrijven?
Ze wijst naar de donkerbruine eettafel met een laptop erop, elders in de woonkamer. “Daar bid ik wat af, hoor! Bijvoorbeeld als ik de juiste woorden niet kan vinden. Als de zin ervoor niet goed is, kan ik niet verder schrijven.”

Stel, je hebt ’s nachts een goede inval voor je boek. Wat doe je dan?
“Dat gebeurt heel vaak. Ik ga er nooit uit. Er liggen altijd memoblokjes op m’n nachtkastjes, en dan schrijf ik het op. Gewoon in het donker. ’s Ochtends kan ik het wel weer ontcijferen. Iets anders wat ik ’s nachts veel doe, is zingen. Niet hardop, maar in gedachten. Bijna alle psalmen en veel liederen ken ik uit mijn hoofd. Wat een troost kan dat zijn als je ergens over ligt te tobben. Zingen brengt me dichter bij God. Als schrijver verzin ik natuurlijk vaak woorden die ik mensen in de mond leg. Maar aan je eigen woorden heb je zelf niet altijd genoeg. Dan grijp ik naar de Bijbel, en de psalmen. Ik kan zó opknappen van die oude regel ‘Zelfs vindt de mus een huis o Heer’, Psalm 84.”

Tien keer zoveel kleuren

“Het is fijn als je een hoofd hebt waarin zoveel gedachten en verhalen opkomen,” zegt ze even later. “Net als liederen, bloemen en bijvoorbeeld dieren dat doen, helpt mijn creativiteit om de blijde kanten van het leven opnieuw te zien als het soms tegenzit, of als ik verdrietig ben. Ik heb Vindersloon opgedragen aan een overleden dierbare.”

Joke kijkt naar een glazen vaas vol gele tulpen op de salontafel. “Zoveel levenskracht. Prachtig hè? Bloemen, daar kan ik intens van genieten. Ook van chrysanten, blauwe druifjes en noem maar op. En dan te bedenken dat er in de hemel nog tien keer zoveel kleuren zijn, denk ik wel eens! Misschien een heel kinderlijke troost, maar... troost is troost.”


Tekst: Gert-Jan Schaap
Beeld: Jacqueline de Haas
Bron: Visie 2015, nr. 8