Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Kerkpionier Jurjen ten Brinke: 'Als wij Avondmaal vieren, juicht mijn hart'

Kerkpionier Jurjen ten Brinke: 'Als wij Avondmaal vieren, juicht mijn hart'

Hij was ervan overtuigd dat Jezus in het jaar 2000 zou terugkomen. Dat had zijn basisschooljuf hem verteld. Inmiddels is het 2015 en is Jurjen ten Brinke voorganger van Hoop voor Noord, een multiculturele kerk in Amsterdam. “Als er dertig moslims om een ziekbed heen staan, denk ik: ‘Dit is Uw kans, Here.’”

“Je bent geen echte moslim,” zei hij ooit tegen de imam in zijn wijk, die in de moskee had gewaarschuwd voor de activiteiten van Hoop voor Noord. De man zette grote ogen op: “Hoezo niet?” “Je bent bang dat wij moslims bekeren, maar een mens kan geen mens bekeren. Alleen Allah kan dat.” Het gesprek dat volgde, klaarde de lucht. Het is Jurjen ten Brinke, evangelist in Amsterdam-Noord, ten voeten uit. Bruggenbouwer pur sang, die optimistisch, idealistisch en met een vleug humor in het leven staat. “Ik ben voor niemand bang en ga met iedereen het gesprek aan. Het liefst met gekleurde Amsterdammers.”

De juiste man

“Ik heb niet gesolliciteerd, ik heb me beschikbaar gesteld,” antwoordt Jurjen (37) op de vraag hoe hij en zijn vrouw bij Hoop voor Noord terechtkwamen. “Mijn vader zei altijd: ‘Als je fulltime mag dienen in het Koninkrijk van God, moet je niet solliciteren, maar je beschikbaar stellen. Want dan moeten ze niet de béste man hebben, maar de juíste man.’ “Dus toen deze vacature in de krant stond, stuurde Jurjen een brief waarin hij zich voorstelde en aangaf dat hij en zijn vrouw Marijke niet loskwamen van de advertentie. En dat ze best naar Amsterdam wilden rijden om te praten over de vraag of deze vacature iets voor hen zou zijn. Jurjen: “Er waren negentien sollicitaties en één beschikbaarstelling. Die was van ons. Na een aantal rondes zijn wij eruit gerold. Het was een van de pijlers onder onze roeping.”

Schoolreisje

Toch stond Amsterdam niet hoog op hun lijstje. Marijke had nare herinneringen aan de stad sinds ze ooit tijdens een schoolreisje was verdwaald en op plekken terechtgekomen was waar ze niet had moeten zijn. Jurjen raakte tijdens een dagje winkelen in hun verlovingstijd zo onder de indruk van alle mensen, dat hij er naar van werd. “Ik werd met zoveel bewogenheid gevuld, dat ik uiteindelijk een paskamer in vluchtte en God vroeg die bewogenheid weg te nemen. Ik wilde gewoon winkelen met m’n vriendin. Veel christenen missen bewogenheid, maar ik had het te veel. Ik zag alleen maar zielen lopen en wilde wel op elk bankje springen om het Evangelie te vertellen. Dat was geen prettige ervaring.”

Als een vis in het water

Jurjen, die opgroeide in het Overijsselse Kampen, wilde na zijn vwo-examen in 1996 gaan werken in de sloppenwijken van Brazilië. Hij was ervan overtuigd dat Jezus in 2000 zou terugkomen. “Dat had een juf op de basisschool ons geleerd. Een studie had naar mijn idee dus geen zin meer, ik wilde vooral iets doen.”

Zijn ouders wisten hem tegen te houden, en hoewel hij eerst nog twijfelde tussen theologie en tropisch landgebruik, werd het dat laatste. De drang naar het buitenland bleef. “In een warm land voel ik mij als een vis in het water. Vorig jaar was ik op zendingsreis in India, en het ergste wat je kunt doen, is mij daar in een hotel stoppen. Laat me gewoon onder de mensen zijn, in een hut op de vloer liggen. Al slaap ik slecht, maakt me niets uit – ik wil graag deel uitmaken van die cultuur. En ik zou er ook prima kunnen functioneren.”

Jurjen studeerde af in West-Papoea en nadat ook zijn vrouw Marijke daar een aantal weken had doorgebracht, waren ze tot de conclusie gekomen dat dit land de plek was waar ze zouden kunnen leven.
Hun dromen vielen echter in duigen toen Marijke een paar maanden later ernstig ziek werd. Ze had een zeldzame vorm van malaria, die moeilijk te bestrijden bleek. “Ze was doodziek, een extreem moeilijke tijd,” zegt hij terugblikkend.

Zie je de ziekte van je vrouw als een ‘nee’ van God op jullie plannen?

Hij denkt lang na. Dan: “Ja. Maar niet op een manier dat God zei: ‘Jullie wilden je eigen gang gaan en dat zal Ik nu eens even stopzetten.’ Want het is echt een proces geweest waarin wij ons gedragen wisten door God. Met daarbij de worsteling ‘Heer, wat wilt U dán?’ Ik zie het ook niet als een verkeerde studiekeuze, want ik ben erg gevormd door mijn opleiding. Ook al ging ik later alsnog theologie studeren, ik zou nu weer voor dezelfde studie kiezen. Als ik meteen na het vwo voor theologie had gekozen, was ik misschien wel ergens dominee geworden, maar niet op een pionierende manier zoals ik nu doe. Dus geen ‘nee’ van God, maar meer: ‘Prima dat jij graag tropisch landgebruik wilt gaan studeren, maar ik denk dat je taak hier ligt.’”

Lachend: “Eigenlijk mag je dit niet opschrijven, maar ik heb ooit de foute gedachte gehad dat ik God misschien ook de kans moest geven om mij te roepen voor een taak waar je theologie voor nodig hebt.”

Hij maakt bijna elk jaar een zendingsreis en eerlijk is eerlijk: zijn hart leeft op als hij in Oeganda of India is. Al heeft hij niet meer het gevoel dat hij eigenlijk daar moet zijn. “Ik weet dat ik naar Amsterdam-Noord geroepen ben. Dat neemt niet weg dat ik intens geniet als ik in het buitenland ben en er met gemak zou kunnen leven. Maar we verkeren in de gelukkige positie dat we als gezin zeker weten dat we hier moeten zijn. Dan is er geen plek voor gejeremieer.”

Minder fanatiek

De bewogenheid die Jurjen ervoer tijdens dat dagje winkelen in Amsterdam, is nooit weggegaan. Al is hij minder fanatiek geworden. Dat moest ook wel, want ondanks dat hij heel goed wist dat het Gods werk was, heeft hij de eerste jaren “als een idioot hard gewerkt”. “Dat hadden we niet volgehouden.”

Maar vooral het bepalen van nieuwe zekerheden bleek een intensief proces voor het gezin Ten Brinke. Waar in Kampen het christelijke leven duidelijk was afgebakend, kwam in Amsterdam alles op z’n kop te staan. “Een van de eerste verzoeken die ik kreeg, was het leiden van een crematie.

Toen dacht ik: ‘Hè, ik ben toch tegen cremeren en voor begraven?’ We waren hier nog geen half jaar, of de eerste mensen die zelfmoord wilden plegen, hadden ons uit bed gebeld. Een volgende vroeg: ‘Wil je bij mijn euthanasie aanwezig zijn?’ En wat vonden we ervan als mensen op zondag eerst naar de kerk kwamen en daarna naar de kermis gingen? We moesten opnieuw bepalen waar we voor staan. In die zin was het een enorme stap om naar Amsterdam te gaan. Maar het is prima toeven in Noord. We wonen hier zelfs rustiger dan in Kampen.”

Je wil dat de kerk weer een positieve plaats in de wijk krijgt. Lukt dat?

Enthousiast: “Ja! Beperkt natuurlijk, want je kunt de drempel van een kerk nog zo laag maken, maar het blijft een kerk, waar je als niet-gelovige niet gemakkelijk binnenstapt. Maar wij merken nu, na al die jaren, dat Hoop voor Noord door de meeste mensen als positief wordt gewaardeerd. Het geheim? Dat wij niet als doel hebben om een kerk te beginnen, maar om mensen te helpen op hun plek een licht van Jezus te zijn. Bovendien werken wij via relaties, niet via flyers of advertenties, of op een manier van: ‘Wij als kerk organiseren iets goeds en daar moet jij komen.’ Want waarom zou je als moslim naar een kerk gaan? En waarom zou iemand die helemaal klaar is met de kerk een dienst bezoeken? Omdat er een flyertje door de brievenbus komt? Nee. Tenzij diegene iemand van Hoop voor Noord leert kennen en getriggerd wordt door de manier van leven. Evangeliseren is geen methode, maar een manier van christen-zijn. Getuigen als levensstijl, in plaats van iets wat je moet doen.

Veel mensen die voor het eerst in Hoop voor Noord komen, geven toe dat ze een heel ander beeld van een kerk hadden. Of ze zeggen: ‘Ik ben het niet helemaal eens met je preek, maar ik kom weer, want ik voel me hier op m’n gemak.’ Kijk, het Evangelie is niet naar de mens. Ik hoef mensen dus niet naar de mond te praten. Als we maar een atmosfeer kunnen creëren waarin bezoekers zich op hun gemak voelen. En ook dat is uiteindelijk het werk van Gods Geest. Als jij je moslimbuurvrouw met een hoofddoek meeneemt, is er niemand die daar wat van zegt. En als je buurman z’n hondje wil meenemen omdat die niet alleen kan zijn, dan neemt hij z’n hond mee. Niemand die daar gek van opkijkt.”

Wat is de belangrijkste les die je in Amsterdam-Noord hebt geleerd?

“Dat God Zijn weg met mensen op Zijn manier gaat. Ik heb soms een plaatje in mijn hoofd van hoe iemand tot geloof moet komen en hoe zijn leven er dan uit moet zien. Maar hoe Gods weg met mensen gaat, is echt Zijn werk. Daar moet ik niet mijn rastertje op willen leggen. Waarmee ik overigens niet alles relativeer, zeker niet. De Bijbel is van kaft tot kaft waar en het leven als christen vraagt keuzes en offers.”

Leg dat maar eens uit

‘Waar ben ik aan begonnen?!’ Vooral de eerste jaren schoot deze gedachte regelmatig door Jurjens hoofd. Nu kan hij soms vooral ontmoedigd raken door de enorme gebrokenheid in de wereld. “Al hebben wij een kerk die naar menselijke maatstaven mag spreken over zegen en succes, er is hier in de keuken ook zoveel aan de knikker. Gewoon heel dichtbij, in levens van mensen: uitgeprocedeerde asielzoekers, suïcidale mensen, bezoekers van de voedselbank, mensen die met koffers en al op zondag bij ons of bij de kerk op de stoep staan met de vraag of ze ergens kunnen slapen – het gebeurt regelmatig.

Toch twijfel ik nooit over onze rol hier. En al helemaal niet over God. Al heb ik dat wel gehad.” Hij zwijgt even. Vervolgt dan: “Een goede vriend van mij is een halfjaar nadat hij christen was geworden, overleden. 22 jaar. Hersentumor. Hij was een geestelijke zoon, ik heb hem zelf gedoopt. Als er dan dertig islamitische familieleden om zijn bed staan, denk ik: ‘Dit is Uw kans, Here.’ Maar als Hij het dan niet doet...

Mijn eerste begrafenis in Hoop voor Noord was die van een kringleidster van 30 jaar oud. Moeder van een peuter en een baby, de enige christen in haar directe familiekring. Ga dat maar eens uitleggen in een kerk waar twee derde van de mensen net tot geloof is gekomen.

Wat mij op zulke momenten het meest helpt, is de vraag: ‘En wat als ik niet in God geloof?’ Ik zeg het ook wel eens tegen mensen die mij vragen waarom er zoveel lijden is, als er een God bestaat: ‘Prima, dan spreken we nu samen een poosje af dat Hij niet bestaat.’ Dat levert namelijk niets op. Alleen nog maar meer gemis en onzekerheid. En minder troost. Juist in alle shit en ellende ben ik zo blij dat God er wel is.”

Even later: “Het is raar. Hoop voor Noord is bekender geworden, maar ik ben kleiner geworden. Omdat ik besef dat ik het echt niet zelf kan.”

Al die culturen in één gemeente, dat lijkt me knap lastig.

“Dat is het soms ook. Het botst zo nu en dan flink en we hebben een paar keer de politie voor de deur gehad. Maar ik heb een optimistische geest van God ontvangen en dat komt hier goed van pas. We proberen het als een uitdaging te zien. Als wij Avondmaal vieren met vijfentwintig culturen – voedselbankbezoekers, illegale asielzoekers, mensen met een dubbele baan en twee auto’s voor de deur, advocaten, bankmedewerkers, straatjongens die net Jezus hebben leren kennen en gedoopt zijn – dan juicht mijn hart. Dat is een stukje hemel op aarde. Alle volken, tongen en talen verzameld voor God.”

Nog net geen knuffel

Jurjen herinnert zich hoe hij een keer tijdens het Avondmaal voor de laatste keer de uitnodiging deed om brood en wijn te nemen, waarbij hij vroeg: ‘Is er dan niemand meer die Jezus wil belijden?’ “Toen sjokte er een Filipijnse gozer naar voren met een paar oorringen in en een broek tot op z’n knieën. Hij ging voor mij staan en gaf mij een boks – dat doen we altijd als we elkaar tegenkomen. Ik kreeg nog net geen knuffel, want er stond een tafel tussen. Toen hij daar liep met z’n broodje en een slok wijn, dacht ik: ‘Wow, dit is bizar. Dit is zo puur en authentiek.’” Heel even stokt Jurjens stem. Dan: “Het raakt me elke keer weer als mensenlevens veranderen.”

Wil je ooit terug naar Kampen?

“Haha, nee! Het is leuk om naar onze familie te gaan, maar ik ben altijd blij als we weer op de A6 richting Amsterdam rijden.”


Tekst: Mirjam Hollebrandse
Bron: Visie 2015, nr. 16