Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Lampedusa: zon, zee, strand en bootvluchtelingen

Lampedusa: zon, zee, strand en bootvluchtelingen

Onwaarschijnlijk helder water, heerlijke stranden en volop zon: Lampedusa is er vanouds beroemd en geliefd om. Maar het toerisme krijgt klappen. Want laat de naam van dit meest zuidelijke Italiaanse eilandje vallen, en heel Europa denkt direct aan bootvluchtelingen en scheepsrampen. “Elke dode die op zee valt, is er één teveel.”

Een hagelwit Mariabeeld kijkt uit over de haven. Hoog erboven flitsen meeuwen door de strakblauwe morgenlucht. We staan naast het hooggelegen kantoor van de kustwacht en onze Italiaanse tolk Paola wijst omlaag. “Zie je daar die blauwe vissersboot aan de kade? Twee jaar geleden kwam hier precies zo’n schip binnen, vanuit Libië, met meer dan driehonderd vluchtelingen aan boord. In het ruim vond de kustwacht vijftien lijken. Toen er op volle zee gassen uit de dieselmotor ontsnapten, hebben de mensen die daar opgesloten zaten wanhopig om hulp geschreeuwd, vertelden overlevenden. Maar op het dek was het zo propvol dat de boot meteen zou kapseizen als zij ook naar boven kwamen. Deze vijftien, degenen die het minst konden betalen voor de overtocht en dus de slechtste plek kregen, zaten als ratten in de val en zijn gestikt.”

Gammele, overvolle bootjes

Il commandante Giuseppe Canmarile, commandant van de plaatselijke kustwacht, weet inmiddels meer dan hem lief is van dit soort tragedies. Dagelijks rukken zijn mensen uit om bootvluchtelingen op te sporen en te redden van de steevast gammele en overvolle bootjes waarmee zij – veelal vanuit het in chaos gedompelde Libië – de oversteek wagen. Zelf gaat hij soms ook mee, de Middellandse Zee op.

“Dit eiland, het meest zuidelijke puntje van Europa, ligt dichter bij de Noord-Afrikaanse kust dan bij het Italiaanse vasteland,” vertelt hij. “Vanwege onze geografische positie krijgen we hier al sinds 1969 veel bootvluchtelingen. Op het moment gemiddeld zo’n tweehonderd per dag. Na een medische controle worden ze naar het opvangkamp gebracht, hier op Lampedusa. Enkele dagen later vertrekken ze naar elders: Sicilië, of het Italiaanse vasteland.”

Sporen van mishandeling

Dankzij onder meer internet weten de mensensmokkelaars aan de overkant van de Middellandse Zee exact hoeveel schepen en welke materialen zijn kustwacht kan inzetten, vervolgt hij. “En hoe ver richting de Libische kust wij uitrukken als we een noodoproep krijgen. Deze smokkelaars vormen criminele bendes, die grof geld verdienen en over lijken gaan. Ze sturen mensen het water op in boten die deze naam niet waard zijn. Ze zijn absoluut niet zeewaardig, terwijl de golven – als het stormt – zeven meter of hoger kunnen worden. Dus zoek- en reddingsacties zijn ook voor ons als kustwacht niet zonder gevaar.”

Hij zucht diep. “Soms treffen we op een schip vol bootvluchtelingen tien of twintig jonge kinderen aan, en zelfs hoogzwangere vrouwen. Ook hebben we veel vluchtelingen op zee gered bij wie sporen van mishandeling en marteling te zien waren. In Libië is het een totale puinhoop, en smokkelaars kunnen met deze kwetsbare, vaak wanhopige mensen alles doen wat ze willen.” Hij schudt zijn hoofd, staart naar buiten, naar de vandaag kalme zee. “Multo triste...”

Gestrande walvissen

Triest. Dat woord vormt zich als vanzelf in onze gedachten als we later in de brandende zon poolshoogte nemen op het botenkerkhof. Zo noemen de Lampedusanen de plek waar migrantenbootjes na aankomst worden gedumpt. Het bevindt zich pal naast het zanderige voetbalveld op het eiland, naast de met witte plezierjachten bespikkelde haven.

Als gestrande walvissen liggen ze – gekanteld – in het hete zand: vijf houten schepen, die nooit meer zullen varen. We bekijken ze van alle kanten, klimmen erin. Afbladderende verf, roestige spijkers, glasscherven, aftandse dieselmotoren. Een sok, een bh, een pasfotomapje, een tandpastatube en een sleuteltje: in de trillende hitte proberen we ons een beeld te vormen van de ruwe realiteit waarvan dit de stille symbolen zijn. Op dit soort kleine schepen wagen mensen hun leven om naar Europa te komen.

Tussen twee scheepsrompen

“Hello!” Drie Afrikaanse puberjongens zijn ongemerkt op ons afgeslenterd en staren ons met nieuwsgierige ogen aan. In de schaduw tussen twee scheepsrompen schudden we handen en wisselen we namen uit. Engels spreken ze nauwelijks, maar duidelijk wordt dat ze hier enkele dagen geleden zijn aangekomen. Ze verblijven in het opvangcentrum, verderop achter een groene heuvel.

Twee van hen willen wel op de foto, maar hun namen en het land van herkomst mogen we niet opschrijven. Ze willen naar Engeland, vertellen ze, om daar werk te vinden (“Zodat we geld naar onze families kunnen opsturen”). Weten hun ouders – het zijn geen broers – dat ze hier zijn? De oudste knikt. “We hebben gebeld.” Hij heeft een houten kruisje om zijn nek: het zijn christenen. Waarom ze zijn gevlucht, blijft onduidelijk. We kijken ze na terwijl ze – dicht naast elkaar – teruglopen naar het opvangcentrum. Zonder ouders of andere familie, in een wildvreemd land, gaan ze een onzekere toekomst tegemoet: het is moeilijk voor te stellen hoe dat moet zijn.

Een verbijsterende vraag

Struikel je op Lampedusa over de boot- vluchtelingen? Nou, nee. Je merkt eigenlijk nauwelijks iets van hun aanwezigheid. Pas rond lunchtijd zien we, aan de overkant van de straat, weer twee Afrikaanse jongens lopen. We stappen op hen af.

De langste, die een kort getrimd baardje heeft, spreekt verrassend goed Engels (een zeldzaamheid onder bootvluchtelingen, en zelfs onder de lokale bevolking). Hij stelt zich voor als Aaron, uit Eritrea. Ze zijn hier zes dagen geleden per boot aangekomen, vanuit Libië. “Weten jullie misschien of hier ergens een trein naar Rome gaat?” vraagt hij. “Daar woont mijn oudere broer; hij heeft vijf jaar geleden de oversteek gemaakt.” Een verbijsterende vraag. Weet hij niet dat we ons hier op een eiland bevinden, aan alle kanten omringd door de Middellandse Zee? Als we uitleggen dat hij, om een trein naar Rome te kunnen nemen, eerst naar het vasteland van Italië moet zien te komen, knikt hij slechts. “Okay.”

Dikke klodders mayonaise

Mogen we hem fotograferen, en wat vragen stellen? “No problem.” Zijn stille compagnon houdt zich afzijdig. We kopen broodjes, verse ham en – op Aarons vriendelijke verzoek – een potje mayonaise, en zoeken een beschaduwd bankje op. Iets verderop, op het terras van een café, plast een zwerfhond op de rugleuning van een omgevallen stoeltje.

Terwijl hij met zijn vingers dikke klodders mayonaise op z’n broodje smeert, vertelt Aaron dat hij 20 jaar oud is. “Waarom ik naar Europa wilde komen? Om mijn leven te redden! Weten jullie wat protestanten zijn? Oké, mooi. Ik ben protestant. In Eritrea worden protestanten zwaar vervolgd door de Orthodoxe Kerk. En door onze eigen regering. Als je niet tot een van de drie toegestane, traditionele kerkgenoot- schappen behoort, kun je zomaar worden opgepakt. Dan verdwijn je in strafkampen, word je opgesloten in zeecontainers, gemarteld of vermoord.”

Geen reddingsvesten

Om aan die verschrikkingen te ontkomen, is Aaron via Ethiopië en Soedan naar Libië gereisd. Door tijdelijk als ober bij hotels en restaurants te werken, kon hij het benodigde geld voor de overtocht bijeenschrapen (“Ik moest tweeduizend dollar betalen”). Over de mensensmokkelaars in Libië, die bootvluchtelingen tegen forse betaling ‘helpen’, weigert hij te praten. Fel, met strakke lippen: “Aan hen wil ik niet meer herinnerd worden. Dat zijn geen mensen, maar duivels. Ze behandelen je als beesten: altijd schelden, altijd slaan...” Aaron ging met zo’n driehonderd anderen aan boord, vertelt hij. Ook vrouwen? “Ja, ongeveer tachtig. Sommigen met jonge kinderen.” Afgezien van de kleren die hij droeg, had hij helemaal niets bij zich. Er waren geen reddingsvesten: die nemen teveel ruimte in, en drukken de winst van de smokkelaars.

“Ik wist dat deze zeeroute gevaarlijk was, maar had geen keus. Ver uit de kust begaf de motor het. Niemand kreeg ’m weer aan de praat. Acht uur lang dreven we stuurloos rond op de ruwe zee. Ons schip zwalkte zwaar heen en weer op de golven. Iedereen dacht dat we daar zouden omkomen. Ik was doodsbang, en smeekte God om hulp.”

Uiteindelijk werden ze gered door de Italiaanse kustwacht. “Niemand is overleden. Goddank. Zodra we hier kwamen en ik in het kamp een telefoonkaart kreeg, heb ik mijn ouders gebeld en gezegd dat ik veilig ben. Ik wil zo snel mogelijk naar mijn broer in Rome gaan; hij heeft daar een baan. Daarna wil ik doorreizen naar Londen, om daar werk te vinden. Mijn grootste wens? Dat er vrede komt in Eritrea, en ik weer naar mijn familie kan.” Z’n metgezel zegt iets in zijn eigen taal. Aaron staat op, en zegt: “Sorry, we moeten nu echt terug naar het kamp.” Uit zijn vale spijkerbroek vist hij een verfomfaaid Eritrees bankbiljet (one nafka, staat erop). “Hier. Dan kun je nog eens aan ons denken als je weer in Nederland bent.”

Een bloemstuk in de golven

Het interieur van de pastelkleurige Parrocchia San Gerlando – de enige kerk op Lampedusa – is aangenaam koel. In de hal herinnert een langwerpige poster aan het bezoek van papa Franciscus aan dit eiland. Op 3 oktober 2013 vloog een vluchtelingenboot vlak voor de kust in brand en zonk, waarbij 376 opvarenden omkwamen. La tragedia: ‘de ramp’, zo verwijst iedereen er hier naar. Tijdens zijn latere bezoek aan Lampedusa wierp de paus een gele rouwkrans in de golven, en dat moment is op de poster vereeuwigd. Eronder staat zijn hartenkreet: “Non si ripeta per favore.” Vrij vertaald: ‘Laat dit toch nooit meer gebeuren.’

De jonge, kale hulppriester Don Giorgio herinnert zich die zwarte dag nog levendig. “Overal dreven lijken,” vertelt hij in een bijzaal van de kerk. “Al snel stond de hangar op het vliegveld vol met doodskisten. Iedereen was geschokt. Het maakt nogal verschil of je alleen hóórt dat er mensen zijn verdronken, of daadwerkelijk meehelpt met het bergen van lichamen. Als het om betrokkenheid op bootvluchtelingen gaat, was die derde oktober een keerpunt. Zowel voor onze kerkgemeenschap als voor de hele gemeenschap van Lampedusa. De bereidheid om hen te helpen, werd nog groter.”

Het steekt hem dat zijn kerk niet rechtstreeks betrokken kan zijn bij de vele bootvluchtelingen die hier (bijna dagelijks) aan land komen. “Christus zei in een gelijkenis: ‘Ik was ziek, en jullie hebben Mij bezocht.’ Dat motiveert ons om naar hen om te zien. Dus als er nieuwe vluchtelingen aankomen op de havenpier, gaan wij daar als priesters vaak heen om wat voedsel te geven en geestelijke hulp te verlenen. Maar,” zegt hij met een glimlach, “dat gebeurt ‘officieus’. Formeel mag het hele- maal niet. Want de pier, waar de vluchte- lingen aan land komen, is militair gebied.”

Extra stel ondergoed

Hij mag dan een priesterboordje dragen, het door militairen bewaakte opvangkamp komt ook Don Giorgio niet zomaar in. Daarvoor moet hij eerst toestemming vragen bij de autoriteiten. Officieel mogen vluchtelingen het kamp niet eens verlaten, maar dat wordt oogluikend toegestaan, legt hij uit. “Er zitten gaten in het hek rond het complex. Vandaar dat je ze soms hier door de straten ziet lopen. Op die manier is er voor ons dus wel direct contact mogelijk. Maar het blijft jammer dat de autoriteiten ons niet wat meer bewegingsvrijheid geven.”

Gelukkig is er ook positief nieuws. Dat betreft de houding van de eilanders. “Zelf woon ik hier sinds 2012, en het is hartverwarmend om te zien dat de Lampedusanen altijd bereid zijn om bootvluchtelingen te helpen – al is het maar door kleren, schoenen of een extra stel ondergoed te geven. Dat is de praktische naastenliefde die God van ons vraagt.”

Ook de zwaksten

Pakweg zevenduizend inwoners telt Lampedusa. In het kamp zitten momenteel zo’n duizend vluchtelingen. “Ruwweg vier keer meer dan de eigenlijke capaciteit,” weet Don Giorgio. “Het kamp is op papier bedoeld voor een verblijf van maximaal 72 uur. Maar sommigen – ook de zwaksten: vrouwen en kinderen – blijven er veel langer dan drie dagen. Elke bootvluchteling krijgt één telefoonkaart, om naar familie thuis te bellen, en één stel extra kleren. Maar als ze langer blijven – soms zelfs meer dan een maand – is dat natuurlijk niet genoeg.”

Na een korte stilte besluit hij: “Bootvluchtelingen verliezen hun waardigheid zodra hun zeereis begint. Als meest zuidelijke punt is Lampedusa voor velen hun eerste kennismaking met Europa. En ik vrees dat die niet positief uitpakt. Als wij deze mensen niet goed opvangen, slaan we een deuk in iets waar we ons als Italianen zo graag op laten voorstaan: onze waardigheid.”

Donkere ogen

Per taxi rijden we de volgende ochtend over een hobbelige weg naar het overvolle opvangcentrum, waarover we al zoveel hebben gehoord en gelezen. Helaas is er geen enkele mogelijkheid om naar binnen te gaan (“Journalisten en fotografen worden echt niet toegelaten,” horen we van onder anderen burgemeester Giusy Nicolini).

We stoppen bij het hoge toegangshek en verwachten te worden weggestuurd. Achter de tralies zien we militairen heen en weer lopen, maar zelfs als we foto’s maken, mogen we kennelijk onze gang gaan. Onze chauffeur weet een plekje om het kamp van dichterbij te bekijken. Via een slingerende, gedeeltelijk onverharde route kom we op een kale, winderige heuveltop. Beneden ons baadt het kazerneachtige terrein in de zon. We dalen af tot aan het hek. Vanuit open ramen kijken donkere ogen ons aan. Op de binnenplaats spelen Afrikaanse jongens voetbal. Van het ge- deelte waar de vrouwen en jonge kinderen verblijven, is slechts het dak zichtbaar.

We horen stemmen. Twee Afrikaanse tienerjongens lopen, vanaf de andere kant van de heuvel, langzaam onze richting op. Hun kleren waaien om hun magere lichamen – op Lampedusa rust de wind, warm als een föhn, nooit. Het tweetal komt uit het centrum, maar de paar woorden Engels die ze spreken, bieden helaas geen aanknopingspunten voor een gesprek. Waarom hebben ze de levensgevaarlijke reis naar dit zuidelijkste puntje van de Europese Unie gemaakt? En wat hopen ze hier te vinden? Een van hen wijst naar mijn rugzak, en strijkt over zijn platte buik. “Bread?” (brood) informeert hij. Hadden we dat geweten... “Okay,” klinkt het mat. En weg zijn ze weer.

'Hoop doet sterven'

We stappen weer in en rijden door naar de begraafplaats. Op het eerste gezicht een keurig ‘aangeharkt’ kerkhof, zoals je ze overal in Italië vindt. De wagen stopt naast twee rommelige stukken grond (zand, gras en wat struiken), waarin her en der simpele houten kruisen zijn geprikt. ‘Nummer 8’ zien we op een ervan staan als we uitstappen. Onwerkelijk: nergens een naam, nergens een datum. Waarschijnlijk weten hun familieleden niet eens dat deze vluchtelingen hier, op het enige verwaar- loosde stukje van deze begraafplaats, hun laatste rustplek hebben gevonden.

Precies tussen de twee latjes van een kruis steekt een stukje gekleurd karton uit. Een kaartje. Een afbeelding van Christus in een schip, Die de kolkende zee het zwijgen oplegt met Zijn stem. Achter Hem de leerlingen: open monden en grote ogen. Een tekening die – op deze plek – een enorme zeggingskracht krijgt. Het kaartje is afkomstig van de katholieke Sant Egidio-gemeenschap, uitgegeven ter gelegenheid van een gebedswake voor bootvluchtelingen. Morire di speranza, staat in grote zwarte letters op de achterzijde. Een wrange woordspeling. Vrij vertaald: ‘Hoop doet sterven.’

Continent van hoop

“Iedere inwoner van Lampedusa heeft lichamen van omgekomen bootvluchtelingen gezien,” vertelt Marta Bernadini, die sinds mei 2014 op Lampedusa woont en werkt. “En geloof mij: dat went nooit. Onlangs zag ik weer hoe bijna dertig lichamen – bedekt onder plastic – op de pier werden gelegd: verdronken. De tranen stonden in mijn ogen.”

We ontmoeten elkaar in het eenvoudige kantoortje van Mediterranean Hope, een project van de Federatie van Protestantse Kerken in Italië (FCEI), waarbij zij nauw betrokken is. Niemand hoeft haar te vertellen hoe complex de bootvluchtelingenproblematiek is: Marta weet er alles van. Met gespreide handen: “Ze komen uit zoveel verschillende landen – van Syrië, Eritrea en Nigeria tot Somalië en Ivoorkust – en om uiteenlopende redenen: oorlog, geloofsvervolging, honger in de Hoorn van Afrika, bombardementen, en sommigen om economische redenen. Allemaal willen ze een nieuwe toekomst opbouwen in Europa – voor hen het continent van de hoop.”

Op adem komen

Mediterranean Hope houdt zich onder meer bezig met het dagelijks monitoren en analyseren van migratiestromen op de Middellandse Zee. Die informatie wordt weer verspreid naar allerlei kerken en andere instanties in binnen- en buitenland die betrokken zijn op bootvluchtelingen. “En op Sicilië hebben we een speciaal opvanghuis voor deze mensen, in de stad Scicli. Daar kunnen minderjarigen en alleenstaande vrouwen met kleine kinderen op adem komen in een veilige omgeving, na hun vaak traumatische ervaringen. Verder helpen we bootvluchtelingen, onder meer via onderwijs, te integreren in de Italiaanse samenleving; onze overheid laat het helaas nogal afweten op dat punt. Ook bepleiten we opening van humanitaire corridors, om te beginnen in het politiek stabiele Marokko, zodat mensen aan de overkant van de zee asiel kunnen aanvragen. In heel 2014 overleefden bijna 3500 mensen de oversteek niet. En dit jaar zijn er tot nu toe al meer dan 1800 bootvluchtelingen verdronken. Elke dode die op zee valt, is er één teveel.”

De Poort van Europa

De schemering valt in. Voordat het donker wordt, rijden we per taxi naar de laatste plek die we nog willen zien: de Poort van Europa. Dit grote monument van kunstenaar Mimmo Paladino is opgericht naast de zee. De naam verwijst naar Lampedusa, de meest zuidelijke grens van Europa. Terwijl de avondwind om onze oren fluit en we de golven op de rotsen uiteen zien spatten, staren we naar het imposante bouwwerk. Als een soort stenen uitroepteken onderstreept het een pijnlijk feit: hier, vlak voor ‘onze’ kusten, sterven mensen. Mannen, vrouwen, kinderen. Zij zochten een nieuw leven via de zee, maar vonden de dood in deze mooie, maar tegelijk meedogenloze wateren.

In het licht van de snel dalende zon loopt een bruidspaar voor het monument heen en weer, op aanwijzing van een fotograaf. Hand in hand vieren deze man en zijn kersverse bruid vandaag een nieuw begin. Achter hen glijdt een vissersboot, omcirkeld door meeuwen, langzaam langs de kust.


Tekst: Gert-Jan Schaap
Beeld: Ruben Timman
Bron: Visie 2015, nr. 24