Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Matthijs Vlaardingerbroek: 'Ik geloof meer als een kind, nu'

Matthijs Vlaardingerbroek: 'Ik geloof meer als een kind, nu'

Kerkplanter, verhalenverteller, schrijver, buikspreker en entertainer Matthijs Vlaardingerbroek (43) kreeg enkele jaren geleden de schrik van zijn leven. Alles wat hij zeker wist over God en het geloof, zag hij opeens als zand tussen zijn vingers wegglippen. “Dat was heel, heel eng.”

Als Matthijs terugdenkt aan zijn jeugdjaren, komen herinneringen bovendrijven aan de warme klanken van Hammond-orgels, liederen uit Glorieklokken en Johan de Heer, Zoeklicht-toogdagen en een sterk besef van de naderende Jongste Dag.

“Ik groeide op in een zwaar evangelisch milieu. Illustratief is dat mijn ouders nooit een huis kochten, maar uitsluitend huurden. Ze waren ervan overtuigd dat Jezus spoedig zou terugkeren – waarom zou je een huis kopen?"

Opnieuw leren lopen

De Haagse Houtwijk, dicht bij de duinen en de zee, vormde het decor van zijn kindertijd. ‘Kleine Thijs’ was een introvert, naïef en fantasierijk jochie, vertelt hij op de bank van zijn werkkamer (ooit de wachtruimte van een dokterspraktijk) in de Haagse Spoorwijk, waar hij zich in 2000 vestigde als kerkplanter. “Verzot op lezen en spelen. Met Lego en Playmobil verzon ik complete avonturen. Ik was een heel gelukkig kind.”

Dat geluk begon barsten te vertonen toen hij als 4-jarige een week lang verlamd raakte, geopereerd werd en opnieuw moest leren lopen. “Ik heb jarenlang fysiotherapie gehad, en liep een beetje gek. Bij gymnastiek werd ik altijd als laatste gekozen, als de stoerste jongens uit mijn klas om beurten teams mochten samenstellen.”

Meestal met buikpijn naar school

Pesten? Matthijs weet er alles van. “Als kind ben ik jarenlang flink gepest. Dat heeft diepe sporen getrokken in mijn leven. Ik liep raar, was klein, naïef en had een bloempotkapsel: een makkelijke prooi.”

Het liep zozeer de spuigaten uit, dat hij in de vijfde klas overstapte naar een andere lagere school. Maar daar ging het in de zesde opnieuw helemaal mis. “En op de havo ben ik écht gepakt. In de tweede bleef ik zitten, vooral omdat enkele klasgenoten het op mij hadden gemunt. Bijna elke dag werd ik gepest en geslagen. Meestal ging ik met buikpijn naar school: ‘Wat gaan ze nu weer doen...?’”

Om het tij te keren, nam hij die zomervakantie een drastisch besluit. Het komende schooljaar zou hij zich stoerder voordoen dan hij diep vanbinnen was (“Want ‘de echte Matthijs’ was kennelijk niet goed genoeg”). Voor het eerst van zijn leven liet hij zich een stoer kapsel aanmeten, en kocht hij bijpassende kleren. “Na de zomer kwam ik als 13-jarige in een klas met allemaal gasten die jonger waren dan ik, en opeens stond daar een extraverte Matthijs; dat heb ik mezelf als een soort toneelspel aangeleerd. Het ging me verrassend goed af, en gaf me zelfvertrouwen. Het pesten was afgelopen. Langzamerhand werd die extraverte jas, die ik mezelf had gedwongen aan te trekken, een deel van mijn persoonlijkheid.”

Met twinkelende ogen: “Het kan raar lopen, hè? Als 13-jarige had ik niet kunnen bedenken dat ik ooit met voorstellingen en spreekbeurten de kost zou verdienen, en me op het podium volledig op m’n gemak zou voelen.”

Niet alleen goudklompjes

Na een praktische opleiding tot evangelist in Engeland, waar hij zijn (Britse) vrouw Lindsey leerde kennen, was hij jarenlang bezig om het geloof aan de man te brengen en zocht hij naar creatieve manieren om het Evangelie uit te dragen. Maar als hij de zeef door de stroom van zijn herinneringen haalt, komen er niet alleen goudklompjes naar boven.

“Op mijn 21e kwam ik samen met Lindsey terug naar Nederland, en werd hier fulltime straatevangelist. We begonnen van giften te leven. Jarenlang, ook toen Katie en Daniel werden geboren, waren we afhankelijk van wat God ons zou schenken. Er was geen vangnet. Er zijn tijden geweest dat we hebben gesmeekt: ‘Here God, we kunnen onze rekeningen echt niet betalen; voor het eerst moeten we geld gaan lenen van anderen, wilt U misschien...’ En dan lag er een envelop met geld in de brievenbus, zonder dat we er iets over hadden verteld.”

Na een korte stilte vervolgt hij: “Ik voelde me enorm afhankelijk van mijn hemelse Opdrachtgever, en dat heeft natuurlijk iets moois. Maar langzamerhand kroop er – ongemerkt – iets in van: ‘Nu moet ik wel álles doen wat Hij van me vraagt, anders ben ik de pineut en kan ik bijvoorbeeld de huur niet betalen.’ Als je mij destijds had gevraagd: ‘Waarom doe je dit allemaal?’ dan had ik gezegd: ‘Puur uit liefde voor de Heer.’ Maar... er zat ook angst bij. Als ik niet tot op de letter zou doen wat God van mij vroeg, was ik het haasje.”

De blaren op de tong

Zo’n zeven jaar geleden was het niet langer nodig om van giften te leven: met zijn voorstellingen en spreekbeurten begon Matthijs een eigen inkomen te genereren. “Zodra mijn afhankelijkheid van God in die zin wegviel, en ik van deze angst verlost was, kwamen er vragen in mijn leven naar boven die ik jarenlang niet had mogen stellen van mezelf. En die overweldigden en schokten me.”

Wat waren dat voor vragen?

“Ze kwamen op uit de praktijk. Zieke mensen bidden zich de blaren op de tong, en sterven toch – hoe zit dat? Had je mij destijds gevraagd of ik ergens wilde spreken over de kracht van het gebed, dan had ik nee gezegd. Want ik begreep er niks meer van. Ik zat hier in een wijk met heel veel chronisch zieken. ‘Matthijs, waarom geneest de Here God mij niet?’ Daarop moest ik het antwoord schuldig blijven. En hoe zat het met een liefdevolle God en de hel? Ook zo’n vraag waar ik enorm mee worstelde. En: waarom geloof ik eigenlijk dat de Bijbel Gods Woord is, en niet de Koran? Ik kwam op een punt waarop ik concludeerde: er is geen greintje extern bewijs voor wat ik allemaal geloof. Het is als een schitterende kathedraal, maar zonder fundament: hij zweeft in de lucht.”

Alleen maar leegte

Matthijs zakt onderuit op de bank en vouwt z’n handen achter zijn nek. “Ik was jarenlang dag in dag uit bevlogen missionair bezig, en opeens was ik mijn geloof – en God Zelf – helemaal kwijt. Op een dag heb ik het letterlijk uitgeschreeuwd: ‘Here God, ik kan U niet meer vasthouden, ik moet U loslaten! Ik ervaar alleen maar leegte en duisternis!’ Ik wilde God helemaal niet kwijtraken; ik had me als 17-jarige bewust laten dopen en hield nog steeds heel veel van Hem. Sterker, ik zou voor Hem zijn gestorven als dat moest.”

Toch was je Hem helemaal kwijt?

Matthijs bijt op zijn lip. “Ja. Die lange periode, mijn ‘donkere nacht van de ziel’, was heel eng. Echt heel eng. Hadden we God misschien toch niet met z’n allen verzonnen...?”

Die term ‘nacht van de ziel’ kennen we vanuit de katholieke geloofstraditie: ook iemand als Moeder Teresa heeft over zo’n zware geloofscrisis geschreven.

“Klopt; katholieken hebben vanouds meer oog gehad voor de verschillende geloofsfasen. Ik denk dat het Gods verlangen is dat wij groeien als christen. Misschien moet je daarom door zo’n nacht gaan, een woestijntijd, een periode van twijfel, waarin heel veel zekerheden en beelden over Hem wegvallen.”

En als je nooit twijfelt?

“Dan heb je volgens mij nog geen kinderlijk geloof zoals de Bijbel erover spreekt, maar een tienergeloof. Net als pubers: vasthouden aan zekerheden, volledig overtuigd zijn van je eigen gelijk, heel zwart-wit, zonder de dingen werkelijk goed onderzocht en doordacht te hebben.”

Wat is ‘geloven als een kind’ volgens jou?

“Nieuwsgierig zijn, niet te stellig. Open, ontvankelijk, vragen blijven stellen: ‘Hoe zit dat?’ ‘Waarom dan?’ ‘Hoe werkt dat?’ Een fascinerende eigenschap van kinderen, die ik zelf ook wil vasthouden.”

Overal een antwoord op

“De kern van mijn geloofstwijfel? Ik hield me vast aan een beeld van God, dat niet God Zelf was. Hij is zo groot, zo machtig, zo mysterieus, zo anders, dat we altijd proberen Hem in een beeld te vangen. Voor mij was dat beeld God Zelf geworden. Maar toen die hondsmoeilijke vragen opwelden, werkte het niet langer. Op zeker moment dacht ik: ‘In deze God wil ik niet meer geloven.’ En toen zei Hij als het ware: ‘Dat is goed, want Ik sta áchter het beeld dat jij van Mij hebt gevormd.’ Nu weet ik dat God oneindig veel mysterieuzer en groter is dan ik altijd dacht. Veel minder zwart-wit. Ik geloof meer als een kind, nu.”

Als mensen hem vragen stelden over het geloof, had hij vroeger overal een antwoord op. Daar was hij per slot van rekening in getraind, als evangelist. “Maar dat viel allemaal weg. Heel veel dingen weet ik niet meer. Maar wat ik weet, dat zijn ‘interne dingen’ geworden; het is, om zo te zeggen, van mijn hoofd naar mijn hart gezakt. Ik weet dat God liefde is, dat Hij trouw is, dat Hij zichzelf heeft geopenbaard in Zijn Zoon, dat ik voor altijd veilig ben bij Hem, dat de Bijbel het Woord van God is. Maar er zijn heel veel vragen waarop ik geen antwoord meer weet, terwijl ik die antwoorden voorheen wel meende te hebben. Dat gaf me een stuk veiligheid, zekerheid. Het idee: ‘Ik sta aan de goede kant.’ Nu ben ik dat kwijt. Wat ik zeker weet, zijn geen zaken die ik kan ‘bewijzen’.”

'Laat maar los'

Toen Matthijs het uitschreeuwde naar God dat hij Hem niet wilde kwijtraken, was er iets wat hij omschrijft als ‘een fluistering’. Met verwondering in zijn stem: “Midden in die diepe duisternis, mijn wanhopige gevoel van Godverlatenheid, was er één moment waarop ik in mijn hart hoorde: ‘Je hebt het gevoel dat je valt, maar je valt niet echt – je ligt in Mijn hand. Laat maar los, het is goed.’ Eén lichtpuntje, dat me hoop gaf: er was een bodem.”

Je nam psychologe Michelle van Dusseldorp in de arm, vertel je in het boek ‘Van kikker tot prins’. Op welk punt heeft zij je vooral geholpen?

“Michelle heeft me op allerlei vlakken geholpen. We hebben samen bijvoorbeeld gewerkt aan de pijn uit mijn jeugd, en aan de balans tussen introvert en extravert. Wat de twijfel betreft: waar ik onder andere mee zat, was dat ik bepaalde dingen in mijn hoofd over God geloofde, die niet samengingen met wat ik in mijn hart over Hem geloofde. Door mijn opvoeding en opleiding had ik een soort theologisch denkkader ontwikkeld, terwijl ik diep vanbinnen dacht: ‘God moet anders zijn.’ Door gesprekken met Michelle heb ik dat een plek kunnen geven.”

Hun geloof kwijtgeraakt

Kennissen van hem die ook door zo’n fase van twijfel heen zijn gegaan, maar er met niemand over hebben gesproken, zijn hun geloof helemaal kwijtgeraakt, zegt hij even later. “Een stuk pastorale begeleiding is ontzettend belangrijk.”

Heb je zelf pastorale begeleiding gezocht voordat je bij Michelle aanklopte?

“Ik heb geprobeerd het aan te kaarten bij enkele mensen. Hun eerste reactie was: ‘Joh, het staat toch zus en zo in de Bijbel?’ Maar de Bijbel had ik al zo vaak gelezen! Weet je waar ik behoefte aan had? Aan mensen die zeiden: ‘Matthijs, ik ben er zelf ook doorheen gegaan. Vertel me je verhaal, ik luister. Stel al je vragen. Ik ga ze niet beantwoorden en zal God niet verdedigen. Dit is een normale fase waar je doorheen gaat. Misschien duurt het twee, drie jaar – maakt niet uit: het komt goed!’ Er zijn er weinig die de genade hebben om zo te reageren. Heb je twijfel, houd contact met anderen en praat erover.”

AA-groep voor twijfelende christenen

“Twijfel is een normale fase van het christelijk geloof, een fase op weg naar geestelijke volwassenheid,” benadrukt hij. “Dat probeer ik nu – onder andere via mijn website – wat breder bekend te maken. Want in de kerk ontbreekt het helaas vaak aan veilige plekken voor mensen die hiermee worstelen.” Grijnzend: “Er zou eigenlijk een AA-groep voor twijfelende christenen moeten komen.”

Zelf ben je uiteindelijk rijker uit jouw ‘nacht van de ziel’ gekomen?

“Absoluut! Sterker dan ooit beleef ik het geloof als een groot en geweldig avontuur met God. Dwars door die crisis heen heb ik veel meer leren geloven als een kind: onderzoekend, vragend, ontdekkend. Ik was een rups, en die crisis was mijn cocon – doodstil, donker, eng –, waarin ik mij mocht ontpoppen tot wat God altijd al voor mij in gedachten had: een vrije vlinder onder Zijn grote hemel.”


Tekst: Gert-Jan Schaap
Beeld: Miss Jack
Bron: Visie 2015 - nr. 23