Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Oorlogsverslaggever Hans Jaap Melissen: 'Die blabla om oorlogen, vermoeiend is dat'

Oorlogsverslaggever Hans Jaap Melissen: 'Die blabla om oorlogen, vermoeiend is dat'

Ooit dienstweigeraar, nu doorgewinterd oorlogsjournalist: Hans Jaap Melissen (47) floreert al jaren waar het er heet aan toegaat – in de frontlinies van de geschiedschrijving. “Dat ik niet meteen in m’n broek plas en wegren in een oorlog, is niet meer dan normaal.”

[Loeiende sirenes] “Ik lig nu op een plat dak met een randje, vlak bij de plek waar iets ontploft is, vermoedelijk een auto. Ik zag een auto branden. Zag ook het café-restaurant waar ik elke avond eet, branden. Het is in de christelijke wijk van Erbil [geweerschot; Hans Jaap knippert even met zijn ogen]. Er wordt steeds geschoten ook. Zijn dat waarschuwingsschoten? Zijn er nog terroristen die hier rondlopen? Het is onduidelijk. Het is een chaotische situatie, een chaotisch einde... [opnieuw schoten] van een rustige vrijdag [aanhoudend geweervuur]...”

“Dit gebeurde op vrijdag 17 april in Erbil, Noord-Irak,” vertelt Hans Jaap over de korte video die hij zojuist op zijn laptop heeft laten zien. “In de buurt van het Ame- rikaanse consulaat ontplofte een autobom, waarbij meerdere mensen om het leven kwamen. Die aanslag is later opgeëist door Islamitische Staat. Ik was in de hotellobby toen ik een enorme klap hoorde. Ik trok m’n kogelvrije vest aan, pakte m’n camera en ben naar buiten gegaan om te zien wat er aan de hand was."

Kogelwerend vest

Zijn tolk weigerde mee te komen. “Die vond het te gevaarlijk, vermoed ik.” Eenmaal buiten zag hij – pakweg 150 meter verderop – “een inferno”. Enorme rookwolken, brandende gebouwen, schoten: het was een totale chaos. Om vanaf een relatief veilig standpunt te kunnen filmen, klauterde hij in dezelfde straat een plat dak op. “Toen er speciale eenheden op omliggende daken klommen en een militaire helikopter boven m’n hoofd begon te cirkelen, heb ik gauw de tekst ‘PRESS’ (pers, red.) op m’n borst geplakt en bleef ik languit liggen, zodat ze die letters vanuit de lucht goed konden zien. Want je weet het maar nooit. Voor hetzelfde geld houden ze me voor een aanslagpleger.” Grijnzend: “Hun ‘sorry’ is mijn dood: ‘Sorry, ik wist niet dat je journalist was, en een camera had in plaats van een geweer...’”

Dit recente voorval tekent de 1.93 m lange oorlogsverslaggever ten voeten uit. Hans Jaap Melissen wil daar zijn waar het gebeurt, maar probeert alle risico’s uit te sluiten. En ondanks zijn enorme gedrevenheid, gaat hij nooit onbesuisd te werk.

Stiekem radioluisteren

Als kind was hij al geïnteresseerd in de wereld om hem heen. Als jochie fietste hij achter brandweerauto’s aan, en de treinkapingen in Wijster (1975) en De Punt (1977) volgde hij op de voet. Met pretlichtjes in zijn ogen: “Van m’n zakgeld kocht ik eens een horloge met AM-ontvanger. Op zondag zorgde ik er altijd voor dat ik op de hoek in de kerkbank zat. Dat horloge zat om m’n linker pols, het draadje van m’n oortelefoon netje weggemoffeld in de mouw van m’n blouse. Ik hoopte maar dat niemand doorhad dat ik stiekem, met mijn hand tegen m’n hoofd en de kraag tegen mijn oor, onder de dienst naar de radio zat te luisteren.” Hij schiet in de lach. “Ik heb mezelf een keer verraden door zachtjes in de kerk tegen m’n vader te zeggen: ‘Het wordt zo- en zoveel graden vandaag!’”

Vervangende dienstplicht

Hoewel nieuws hem zeer interesseerde, overwoog Hans Jaap nooit een opleiding journalistiek te gaan volgen. Na het gymnasium koos hij voor de studie Engelse taal- en letterkunde, met specialisatie amerikanistiek. Daarna werd hij opgeroepen voor militaire dienst, waar hij totaal geen zin in had. Met een vies gezicht: “Ik wilde me niet laten commanderen door een hogere, en had te veel verhalen gehoord over verveling. Dat ik me als dienstweigeraar liet registreren, was niet zozeer antimilitaristisch gemotiveerd.”

Zijn vervangende dienstplicht vervulde hij bij Radio Utrecht. “Al tijdens mijn studie deed ik wel eens wat klussen voor de lokale omroep in Utrecht, waar het er nogal amateuristisch aan toeging. Dit was anders: goede apparatuur, gemotiveerde mensen én leuke opdrachten. Al snel wist ik het zeker: mijn toekomst lag in de journalistiek.”

Naar buiten gevochten

Toen zijn vervangende dienstplicht er in 1993 op zat, vroeg Radio Utrecht hem te blijven. “Na 2,5 jaar freelancewerk, merkte ik dat de regionale journalistiek me begon te vervelen. Ik vond het te beperkt, wilde meer.”

Inmiddels wist hij ook dat hij oorlogsverslaggeving wilde gaan doen: conflicten en oorlogen fascineerden hem mateloos. Maar bij de regionale omroep waren daar geen mogelijkheden voor. Zodra er een plek vrijkwam bij de Wereldomroep, zag hij zijn kans schoon. “Daar begon ik als landelijk verslaggever en heb me ‘naar buiten gevochten’. Al snel kon ik me toeleggen op humanitaire crises en oorlogen. Daar lag mijn hart.”

Wanneer en waar voelde jij je voor het eerst echt oorlogsverslaggever?

“Kosovo, 1998. Door frontlinies heenrijden, strijdende partijen aan beide kanten spreken: ik merkte dat het me enorm goed lag en dat ik heel rustig bleef. Sowieso is een oorlog ter plekke altijd veel minder indrukwekkend dan we ons hier misschien voorstellen. Zo’n land is groot, de dag lang, en er is niet continu gevaar.”

Wat drijft jou, als oorlogsverslaggever?

“Ik wil eraan bijdragen dat mensen nooit kunnen zeggen: ‘Ik heb niet geweten dat het gebeurde.’ En waarheidsvinding is ook een belangrijk aspect van mijn werk. De waarheid sneuvelt snel in oorlogsgebieden, net als bij rampen trouwens – ik heb ook veel rampenverslaggeving gedaan.”

Spannend genoeg

Hans Jaap geldt als een van de meest ervaren en beste oorlogsverslaggevers van Nederland. In 2012 werd hij uitgeroepen tot Journalist van het Jaar, met name vanwege zijn reportages over de Arabische Lente. ‘Hij is daar waar het er toe doet, neemt gecalculeerde risico’s bij zijn werk en bericht feitelijk en sober. Dat laatste is erg prettig als het nieuws al spannend genoeg is,’ aldus het juryrapport. “Die prijs is een heel groot compliment,” zegt hij. “Temeer omdat ik ’m kreeg toen ik al fulltime voor mezelf werkte.”

Wat maakt dat jij zo goed bent in dit vak?

Met lage stem: “Johnny Cash is good under pressure, haha! Dat zei Cash een keer tijdens een concert. Ik denk dat ik goed onder druk kan werken en ik raak niet gauw in paniek. Al zal ik niet ontkennen dat ik soms stress ervaar aan het front, maar dat heeft dan meestal te maken met hoe mensen om mij heen – de tolk of de chauffeur – situaties anders inschatten dan ik.”

Kun je een voorbeeld geven?

“In Aleppo ben ik eens flink uitgevaren tegen mijn chauffeur. Er vlogen gevechtsvliegtuigen over, maar volgens hem was de plek waar wij stonden veilig. Daar dacht ik totaal anders over. Ik ben zo kwaad geworden dat hij uiteindelijk gas gaf en wegreed. Later zagen we dat het stuk wegdek waar wij hadden gestaan, doorzeefd was met kogels uit een boordkanon.” Direct erachteraan, glimlachend: ”Maar het is ook een heel mooi bestaan, hoor. Je komt in de hele wereld op plekken waar je vooraan staat bij de geschiedschrijving. ”

Is het een baan, of meer dan dat?

“Kijk, ik vind het heel leuk dat je me komt interviewen, hoor. Maar soms denk ik: is het zo bijzonder?”

Lang niet iedere journalist doet – en durft – wat jij doet.

“Jawel, maar ik ben oorlogsverslággever; het mag niet teveel om mij draaien. Ik kies er vrijwillig voor om naar conflictgebieden te gaan. En anders dan de mensen daar, kan ik altijd terug. Tenminste” – besmuikt lachje – “als ik niet word ontvoerd.”

Onthoofdingsshows

Dat overkwam zijn Japanse collega Kenji Goto wel. Hij werd vorig jaar onthoofd door Islamitische Staat. “Ik heb zijn visitekaartje nog ergens. We kenden elkaar.”

Ik begreep dat jij – omdat het je werk is – allerlei onthoofdingsvideo’s van Islamitische Staat hebt bekeken. Bij die van Kenji lang heb je lang gewacht. Waarom?

“Dat vond ik heel moeilijk om te zien. Tien jaar geleden is mijn eigen tolk in Irak ook onthoofd. Dat komt heel dichtbij. Ik was de laatste westerse journalist voor wie hij heeft gewerkt, dus kun je ook nog denken: ‘Heeft het soms met míj te maken dat hij is onthoofd?’”

Denk je nog vaak aan hem?

“Sinds IS met die onthoofdingsshows is begonnen, wel. Door IS is ons werk gevaarlijker geworden: journalisten zijn nu doelwit. Ik stel me al bijna elf jaar voor hoe het zal zijn, als ik daar zelf zit. Op m’n knieën in het zand, in oranje overall, een beul erachter. Dat probeer ik uiteraard te voorkomen. Kenji had niet zo hoeven te eindigen. Was hij door domme pech opgepakt, dan had ik gedacht: ‘Oké, het is topsport, met een verhoogd risico...’ Maar hij bood zich bewust aan Islamitische Staat aan, door verder een bepaald gebied in te gaan dan verantwoord was. Hij wilde in gesprek met IS, en daar lijkt het me geen club voor. Je hebt geen enkele garantie dat je levend terugkeert.”

Oorlogscameraman Roel Rekko vertelde eens dat hij en zijn collega’s wat gekscherend tegen elkaar zeggen: ‘Als je Hans Jaap Melissen ziet, zorg dan dat je een dorp teruggaat.’

Met een frons: “Een heel dómme opmerking van hem, schrijf dat maar op. Ik heb het ook gelezen; dat stond in de Amersfoortse Courant. Een prima cameraman waarschijnlijk, maar door zo’n citaat schildert hij zichzelf af als iemand die er geen verstand van heeft.” Op zachtere toon “Ik ben niet boos op hem, hoor, en misschien is het ’leuker’ opgeschreven dan hij het vertelde. Kijk, ik heb een bepaalde beroepsethiek, een beroepsveiligheidsethiek ook, en daar houd ik me aan. Ik wil niet dood.”

In april was je zo’n 150 meter verwijderd van een zware autobom. Dat is dicht bij de dood.

“Klopt, maar het was mis. Het restaurantje waar ik vaak at, werd ook getroffen, dus het zette me wel weer op scherp. Ik heb het bonnetje nog, een avocadosalade... Die had m’n dood kunnen zijn. Natuurlijk, er zitten grotere risico’s aan het werk ik een oorlogsgebied. Maar ze zijn beheersbaar. Je hebt een verhoogde kans op pech, dat is het. Die accepteer ik. Zo zit ik in elkaar. Wat moet ik dan doen? Voortaan maar niet gaan? Dan zit ik op den duur gefrustreerd thuis.”

In Coen Verbraaks interviewserie ‘Kijken in de ziel’ met journalisten, zei oorlogsverslaggever Arnold Karskens: ‘Een goed verhaal is je leven waard.’ Zeg je hem dat na?

“Dat vind ik quasi-heroïek. Voor zo’n programma benaderen ze soms mensen die juist bekendstaan om hun boude uitspraken, niet zozeer om hun oorlogsverslággeving.”

Heel veel blabla

Toen hij een jaar of 12 was, ging het gezin Melissen niet langer naar de kerk. Zijn vader was ouderling in hun gereformeerde kerk, maar kreeg steeds grotere twijfels over God en het geloof, en brak uiteindelijk helemaal met de kerk. Daar was Hans Jaap niet rouwig om. “Het zei me allemaal niet zoveel.”

In het ‘Nederlands Dagblad’ vertelde je begin 2013: “Ik zou wel willen geloven.”

“Dat is mijn idee van geloof, dat het je troost biedt. Volgens mij is alle geloof door mensen gemaakt om een comfortabel gevoel te geven. Want het leven is iets raars; je kunt van alles meemaken. En dan ga je ook nog dood! Wat voor zin heeft het leven gehad? Het is een heel comfortabele gedachte dat het na de dood doorgaat. Zelf denk ik dat het leven stopt. Net als vóór mijn conceptie. Al het fysieke zal verteren, inclusief de hersenen, en daarmee verdwijnt ook het bewustzijn. Ik weet heel goed hoe mensen erbij kunnen liggen als ze dood zijn; ik heb inmiddels genoeg lijken zien. Maar ik snap ook dat mensen wél geloven, en ik vind het jammer dat ik zo kritisch naar dat soort dingen kijk” – hij schiet in de lach – “dat het mij niet lukt om te geloven. Ik sta ervoor open, hoor; als er een leven na dit leven is... Dat lijkt me fantastisch.”

Want je hecht aan het leven?

“Zeer. En ik baal ervan dat het zo snel gaat.” Na een korte stilte: “Is een verhaal je leven waard...? Dat is écht schijn-heldendom. Oorlogsjournalistiek heeft daar niets mee te maken. Je bent pas een held als je handelt in zaken die jou overkomen, en met gevaar voor eigen leven hulp biedt, bijvoorbeeld door onderduikers in huis te nemen. Dat ik niet meteen in m’n broek plassend wegren in de oorlog, is niet meer dan normaal: ik heb ervoor gekozen om daar te zijn en het is mijn werk. Natuurlijk is het een spannend leven, af en toe, maar maak het ook niet groter dan dat.”

Hij kijkt naar de grote wereldkaart op de muur achter hem, legt zijn lange benen op de kast eronder en verzucht: “Er zit altijd heel veel blabla om oorlogen, en dat is wel eens... vermoeiend. Aanstellerij. Kom op, doe gewoon je werk.”