Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Oud-schaapherder Sjoerd Stellingwerf: 'Als God zwijgt, klinkt nog elke dag Zijn echo'

Oud-schaapherder Sjoerd Stellingwerf: 'Als God zwijgt, klinkt nog elke dag Zijn echo'

"Sorry hoor," grapt hij vrolijk naar de fotograaf, "ik heb me vanmorgen niet geschoren." En meteen daar achteraan: "Hoor je dat? Raven." Als er íemand is die zijn gehoor heeft getraind, is het voormalig schaapherder Sjoerd Stellingwerf. Vijf jaar lang zwierf hij met zijn kudde over de Loenermark, in het Gelderse Loenen. Hij kwam er in het reine met zichzelf, zijn vader en met God.

“Deze dag valt ons ten deel,” merkt hij op als we elkaar ontmoeten. Volle terrasjes, fietsende dagjesmensen, een wolkeloze lucht. Een mooier moment voor een wandeling over de Loenermark hadden we niet kunnen kiezen, vindt Sjoerd Stellingwerf. “Ideaal voor de schapen, zo’n warme dag. Dan produceren ze extra lanoline, vet. Morgen is het schaapsscheerdersfeest hier in Loenen en met zo’n vette vacht gaat de schaar – tegenwoordig de tondeuse – er veel makkelijker doorheen. Al blijft het een zware klus, hoor.”

Hier spreekt een herder met ervaring. Acht jaar was hij, toen hij verliefd werd op de Loenermark, een heuvelachtig bos- en heidegebied op de Veluwe. Een kennis nam hem mee, achter op de fiets, en hij raakte overweldigd door de schoonheid van het struweel, de bomen en de verstilling. “Ik was niet het jongetje dat ging voetballen, ik zocht altijd de rust.”

Zes jaar later was hij opnieuw in het gebied, toen de toenmalige herder met zijn kudde in stilte aan hem voorbij trok. “Ik rook de schapen, ik zag hun kleur – zandkleurig – en die herder, zo rustig. Een paar jaar later raakte ik bevriend met hem. En wat ik nooit had verwacht: vijftien jaar later nam ik zijn kudde over. Als je aan kansberekening doet, is het volstrekt onwaarschijnlijk. Toch is het gebeurd en ik ben er dankbaar voor. Het is een heel goede tijd geweest. Leiding? Dat klinkt alsof we God kunnen narekenen. Ik zie er meer Zijn ontferming in. Het is me geboden en ik heb het graag ontvangen."

Luisteren en bewonderen

Opmerkzaamheid en verwondering. Het zijn twee eigenschappen die in Sjoerds DNA lijken te zitten. Terwijl we van de parkeerplaats naar de schaapskooi lopen, staat hij regelmatig stil. Dan legt hij zijn hoofd in zijn nek, sluit zijn ogen en luistert, geniet en bewondert. “Ik hoor een vink. Nog een vink. En nog één. En daar hoog bovenuit een merel. Wist je trouwens dat het geluid van vogels niet is te vangen in ons tonale systeem? De Joodse componist Arnold Schönberg heeft het twaalftoonsysteem bedacht, met gelijke toonsafstanden tussen de verschillende noten. Maar daar kun je geen vogelzang op nadoen. Het klopt met geen noot.

En toch zeggen we niet: ‘Wat zingen die vogels vals.’ Met andere woorden: elk notensysteem is slechts een fractie van de variatiepatronen die je in de natuur vindt. En dan zeggen sommigen dat het allemaal uit één knal voortkomt. Nou, zo’n groot geloof heb ik niet, hoor.”

In de jaren als schaapherder leefde je dag en nacht in de stilte. De meeste mensen moeten daar niet aan denken. “Ik heb in mijn jeugd zoveel prikkels ontvangen, dat ik me niet behaaglijk voelde in een drukke omgeving. Een stad, veel mensen – daar had ik de conditie niet voor.”

Hoe zagen die ‘prikkels’ eruit?

“Als een voortdurende bedreiging. Huis en thuis waren voor mij niet hetzelfde als veiligheid en geborgenheid. Het betekende oppassen, in de gaten houden; wanneer slaat het geweld weer toe? En wanneer slaat het geweld míj weer? Zo ben ik opgegroeid. Dan word je een angstig jochie dat voortdurend oplet: wanneer ben ik weer aan de beurt? Ik was dus dagelijks aan de beurt. Daar kom je nooit overheen.”

Terwijl er een vlieg rond zijn hoofd zoemt, bukt hij zich. Hij plukt wat groens. “Dit is schapenzuring. Toevallig heet dat zo.”

Neem je je ouders iets kwalijk?

Hij draait zijn hoofd schuin omhoog, knijpt zijn ogen tot spleetjes en fluistert: “Neem je je ouders iets kwalijk?” Om meteen daarop te verzuchten: “Heerlijk die zon.” Opnieuw fluistert hij: “Neem je je ouders iets kwalijk?” Na een korte stilte: “Het is mijn term niet. Laat ik het zo zeggen” – en hij benadrukt ieder woord – “het had zo niet mogen zijn. De rol van mijn moeder was er een van niet ingrijpen. Onmacht, onwil. Ik weet het niet. Zo is het gegaan. De psycholoog Erikson definieerde ooit de term basic trust, een basis van geborgenheid. Dat ken ik niet. Absoluut niet. Neem ik het ze kwalijk? Ach, we leven allemaal van genade. Maar het had werkelijk zo niet mogen gaan. En in het licht van het Evangelie heb ik begrepen: het had in Gods Naam nooit zo mogen gaan.”

Geavanceerde vliegtuigen

Terwijl het ronkende geluid van een tractor onze oren prikkelt, naderen we langzaam de oude schaapskooi. Sjoerds blik volgt een zwerm vogels, hoog in de lucht. “Zwaluwen. Daarboven een vliegtuig. Die zwaluwen zijn veel wendbaarder dan die geavanceerde vliegtuigen. Die kunnen dat nóóit.” Hij lacht hartelijk.

Dan: “Deze kooi is voor mij een beeld van geborgenheid. Ik geloof dat hij daarom zo belangrijk is. Hier is geborgenheid. Stilte. Als de zon schijnt, is hier schaduw. Als de schapen dorst hebben, is hier water. Als ze honger hebben, is hier voer. En hier is de herder die kijkt of het goed gaat als het onweert. Hoewel de kooi onder eikenbomen ligt, is het wonderwel nog nooit ingeslagen.”

Hij wijst naar de overkant van het veld: “Ik herinner me hoe die Douglasboom op een middag werd geraakt door de bliksem. Een knal! Vaak zie je dan zo’n verkoolde lijn langs de schors. Als je door het bos loopt, is onweer niet zo gevaarlijk. Het is zelfs mooi. Die echo: kedéng! Gods paukenslagen, noem ik ze.”

Eerst Bach, dan Paulus

De kooi blijkt leeg, op een paar in- en uitvliegende boerenzwaluwen na. “Acrobaten van de bovenste balk,” glimlacht Sjoerd. “Ze hebben daarbinnen een nest. Hoor je ze kwetteren? Ze vertellen elkaar van alles. Dat doen schapen ook. Moederschaap en lam hebben ieder hun eigen klank. Wanneer ze in een kooi door elkaar lopen of door het veld trekken, is daar iedere keer het roepen van moeder en lam naar elkaar, zodat ze weten: ‘Ze is er nog.’ Voor ons is het weinig boeiende taal. Het is alleen maar ‘bè’. Maar zij onderscheiden het idiolect van het afzonderlijke beest, levenslang. Hoe is het mogelijk hè?!”

Even verderop zijn twee jongemannen aan het werk rond de nieuwe schaapskooi, die naast de oude is gebouwd. Popmuziek schalt door de lege ruimte. Sjoerd: “Deze mensen luisteren niet naar de vogels, maar naar muziek. Vervreemding noem ik dat. Want dit is zo uniek; zoals nú de vogels zingen – in deze verhouding, in deze reactie op elkaar – zullen ze nooit meer zingen. Natuurlijk, morgen zingen alle vinken weer, maar ánders.

Als ik schrijf, luister ik ook veel naar muziek. Vooral Bach, dat is echt mijn grote vriend. Hij wordt wel de vijfde evangelist genoemd. Maar Bach gaat wat mij betreft vóór Paulus. Bij Paulus lees ik steeds maar weer de moraal. Bach raakte me dieper in mijn hart. Het mooiste stuk? Erbarme Dich. Dat raakt mijn hart. Als je ziet hoe mensen in deze wereld de kluts kwijt zijn, dan is er eigenlijk maar één gebed: Ontferm U.”

Terwijl we verder lopen en het grind onder onze schoenen knerpt, zegt hij: “Louis van Dijk heeft het Erbarme Dich in jazz verwerkt en keert dan de eerste drie noten om.” En ineens neuriet hij de melodie. “Zó begint die in de Matthäus Passion.” En weer neuriet hij. “En zó begint het in de bewerking van Louis van Dijk. Mooi he? Dat doorleefde wat dan volgt...” Hij zucht. “Bach, ja.” Dan veert hij op: “Maar niet op z’n Japans. Want Japanse musici streven naar perfectie. Dat lijkt me niet de bedoeling. Natuurlijk mag je kiezen voor het goede, het welgevallige en het schone. Maar je moet niet naar perfectie streven. Anders ruikt het niet meer naar ontferming, maar naar prestatie, naar adrenaline. Dat kan Bach nooit bedoeld hebben.”

Welk geluid van vroeger zal je altijd bijblijven?

“Ik hield erg van de stem van mijn grootmoeder. Zij had een heel mooie stem. Zo schoon, zo gaaf. Het was het geluid dat ik verbond met veiligheid. Want oma was niet afwijzend. Oma kwam om even oma te zijn. Daar associeerde ik die klank mee, en daarmee werd die in mijn beleving waarschijnlijk nog mooier.

Waar ik niet tegen kan, zijn schreeuwende mensen. Dan word ik bang; dat is voor mij direct onveiligheid. Nu ik volwassen ben, overzie ik het wel, maar het zit nog steeds in mijn vezels.”

De samenzang en het orgel in de kerk van je jeugd raakten je destijds.

“Ja, en nog! Weet je waarom? Tijdens een dienst was er geen ruzie. Ik wist zeker: op het moment dat ik door het portaal naar binnenga, maken mijn ouders geen ruzie, word ik niet geslagen. Het was een soort quarantaine-omgeving. Heel mooi beschermd. Ik hield van het orgel, van muziek, van taal. Die mooie oude psalmen; geweldig! Daar luister ik nog naar.”

Permanent onveilig

Hij luistert even naar het geloei van de bladblazer, die langzaam dichterbij komt. “Bladblazen? Dan pak je toch een hark! Dan doe je er een uurtje langer over, ja. Maar dan ben je wel in de stilte geweest en heb je intussen de vogels gehoord.” Zijn mondhoeken krullen omhoog. “Ach, ik lach er ook om, hoor.”

Was er niemand in je jeugd die ingreep?

“Niemand deed iets.” Langzaam spreekt hij de woorden uit, om dan te vervolgen: “Als je het hebt over trauma’s: dat is een van de niet te ontwarren knopen van mijn leven. Voor mij is het leven daarom permanent onveilig. Bij mijn allernaasten, ja, daar vind ik geborgenheid. En in de merkwaardige aanwezigheid van de Heilige Geest. Voel je de wind hier? Dat is iets waarin God laat zien dat Hij dichtbij komt. In de Bijbel zie je dat ook: God komt in het suizen van een zachte koelte. En logisch dat het nu waait, want hier stijgt de warme lucht op en daar verderop is de schaduw. Maar toch, het is een taal die mij doet denken aan de grote Adem. Dat gaat verder dan de Nederlandse taal, grammatica of tongentaal. Hij biedt nabijheid. Nee, in woorden heb ik Hem nooit gehoord. Hij spreekt in ontferming: ‘Jochie, ik ken jouw verdriet.’ En als er één begrijpt wat onveiligheid is, dan is het de Man van smarten wel. De vraag is: willen wij ons verbonden weten met een gebroken Messias?”

Er zijn mensen voor wie God soms afwezig lijkt. Herken je dat?

“Nee, ik denk niet dat Hij afwezig is. Ik kan alleen niet meten hóe Hij aanwezig is. Maar ik ben er volkomen mee verzoend dat ik als gebrekkig mens niet het vermogen heb mij voortdurend op de aanwezigheid van God te focussen. God niet kunnen ervaren, hoort bij mens-zijn. Bovendien, als God zwijgt, is het dan direct gevaarlijk? Hij heeft toch allang gesproken dat het volbracht is? Dus als ik Hem nou eens vijf jaar niet zou horen, dan is daar toch iedere dag die echo: ‘Het is volbracht.’”

Zwarte slagschaduwen

Niet alle herinneringen aan zijn vader zijn pijnlijk. Hij nam Sjoerd graag mee achter op de bromfiets. “Hij hield van het landschap en in vrije uren mocht ik mee de Veluwe over. Dan kon het gebeuren dat hij midden in het bos de bromfiets stilzette, afstapte en betoverd, sprakeloos raakte door de bomen, de vogels, al die madeliefjes, de vinken. Die momenten staan in mijn geheugen gegrift. En laat ik die wondere eigenschap nu Godzijdank óók hebben. Mijn vader kon naar Bach luisteren en ontroerd raken. Dat heb ik ook.”

Het verwarde Sjoerd wel. Die mooie momenten kon hij niet rijmen met de angstige momenten die hij óók met zijn vader had. “Ja, hij toonde af en toe genegenheid. Dat moet ik erkennen. Maar de slagschaduwen waren toch te zwart.”

Met zo’n verleden is het toch menselijkerwijs gesproken onmogelijk om God als Vader te zien?

“Jaren geleden fietste ik op zondag naar de hervormde kerk in Beekbergen. Ik kreeg een flash back: mijn vader wilde mij weer mishandelen. Eenmaal in de kerk, gaf de dominee als eerste lied Psalm 103 op: ‘Zoals een vader liefdevol zijn handen slaat om zijn kind, omringt ons met erbarmen God onze Vader.’ Dat is geen toeval geweest. Dat kán niet. En al was het wel toeval, het was er. Ik vond het zó merkwaardig.

Voor iemand als ik, zal God als Vader altijd een merkwaardige rol blijven. Maar ik denk dat het niet zo’n punt is. Want als Hij Vader is, zal Hij ook begrijpen waarom ik het soms moeilijk vind om Vader tegen Hem te zeggen. Diezelfde Psalm zegt dat Hij weet wat voor maaksel wij zijn. Dan hoef ik me toch niet groter voor te doen? Hij snapt dat wel.”

Als we langzaam terugrijden naar de bewoonde wereld, worden we verwelkomd door het gekwaak van kikkers. “Bij kikkers zijn het de mannetjes die zo kwaken,” zegt hij met een ondeugende glimlach om zijn mond. “De vrouwtjes luisteren. Dat is een wonderlijke speling van de natuur.” Hij kijkt schalks opzij. “Ik heb het over kik- kers, hè? Verder niet, hoor. Haha!”


Tekst: Mirjam Hollebrandse
Beeld: Ruben Timman
Bron: Visie 2015, nr. 27/28