Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Politiecommissaris Pieter-Jaap Aalbersberg: 'Steeds meer dingen weet ik niet zeker'

Politiecommissaris Pieter-Jaap Aalbersberg: 'Steeds meer dingen weet ik niet zeker'

De Amsterdamse politiecommissaris Pieter-Jaap Aalbersberg leidde de repatriëringsmissie na de ramp met vlucht MH17 in Oekraïne. In oktober verschijnt het officiële onderzoeksrapport, maar Aalbersberg heeft zijn blik inmiddels weer op de hoofdstad gericht. "Mijn opdracht is afgerond." En misschien was dit wel zijn laatste keer in de spotlights, want de gelovige commissaris wordt er te mild voor.

Hij is net terug van een vakantie, samen met zijn vrouw. Kort daarvoor was Pieter-Jaap Aalbersberg voor de laatste keer in Oekraïne. Precies een jaar nadat het toestel naar beneden is gestort, heeft hij daar de slachtoffers van vlucht MH17 herdacht. Nu wil hij zich weer voor de volle honderd procent richten op de problemen in Amsterdam. “Het is niet zo dat ik mijn werk heb gedaan, mijn oogkleppen opzet en weer vertrek. Maar mijn opdracht, het weghalen van de menselijke resten, persoonlijke bezittingen en wrakstukken van de neergehaalde MH17, is afgerond. Ik kan de missie nu loslaten en me weer concentreren op de dynamiek van de grote stad.”

Bang is hij nooit geweest in Oekraïne; hij kwam niet op plekken waar werd gevochten. In 1980, toen hij als ME’er werd ingezet bij de kroningsrellen in Amsterdam, heeft hij voor het laatst ervaren wat angst is. “Als je op een linie staat met driehonderd leeftijdsgenoten tegenover je, van wie de haat bijna voelbaar is, je collega’s één voor één worden afgevoerd naar het ziekenhuis en je geen idee hebt hoe het gaat aflopen, ja, dan voel je wat angst is.”

De heftige incidenten, conflictsituaties en ongelukken met meerdere slachtoffers, waarmee hij in zijn loopbaan voortdurend is geconfronteerd, zitten als dia’s opgeslagen in zijn hoofd. Als je hem eraan herinnert, komt het plaatje meteen tevoorschijn, inclusief de reuk. “In dit vak sta je constant onder druk, maar je leert ermee omgaan.”

Vol emmertje

Hij moet oppassen dat hij niet nonchalant wordt, bekent hij. “Sommige zaken kunnen langzaam maar zeker vanzelfsprekend worden, terwijl ze dat niet zijn. Dat realiseert elke politieman en -vrouw zich. Daarom is delen wat je meemaakt zo belangrijk.”

Terwijl het een jaar of dertig geleden met een grapje wel klaar was, is hij nu als leidinggevende voortdurend alert op signalen die kunnen wijzen op post-traumatische stressstoornissen. Zowel bij collega’s die erbij waren in Oekraïne als bij politiemensen die in Amsterdam uitrukken na een liquidatie, of op wie wordt geschoten. Zelf word hij ook in de gaten gehouden. “In Oekraïne kwam een psycholoog van defensie bij mij zitten. Dat gebeurt in alle crisissituaties. Het maakt niet uit of je agent bent of hoofdcommissaris, na elk incident komt iemand van het ZIG-team (zeer ingrijpende gebeurtenissen, red.) met je praten. Maar ondanks alle aandacht ervoor, zie ik dat politieagenten soms toch problemen krijgen, maanden of jaren na een voorval. Omdat het emmertje vol is.”

Partners zien gedragsveranderingen vaak als eerste, beseft hij. “Ik ben thuis niet zo’n grote prater, maar wat ik meemaak, deel ik wel met mijn vrouw, Roelanda. Je moet van elkaar weten waarmee de ander bezig is. Daarom was het goed er even samen uit te zijn. Vanzelfsprekend hebben we tijdens onze vakantie veel gepraat, maar het zou raar zijn als je dat uitstelt totdat je rust hebt. Je moet delen op het moment dat iets speelt.”

Tijdens de missie heeft hij geleerd om de beperkte tijd die hij en zijn vrouw samen hadden, goed te gebruiken. Ze belden elke dag. “Niet meer dan een minuut of wat, want je weet dat iedereen meeluistert. Maar thuis konden we de draad steeds weer oppakken.”

Verslavend vak

Zijn vrouw is langzaam maar zeker meegegroeid in het accepteren van de beperkingen die zijn werk oplegt aan hun gezinsleven. Aalbersberg moet bijvoorbeeld altijd telefonisch bereikbaar zijn. “Als ik dertig telefoontjes krijg op zaterdag en zondag, heb ik een rustig weekend.” Schuldig voelt hij zich daarover niet. “Je maakt bepaalde keuzes en het belangrijkste is dat je die deelt.

Maar voor Roelanda is het soms zwaar geweest, zeker in de periode dat onze vier zoons, die kort na elkaar zijn geboren, klein waren. Het politievak kan veeleisend en verslavend zijn. Toen onze tweeling werd gedoopt, leidde ik een groot onderzoek naar een ontvoering dat zijn ontknoping naderde. Ik herinner me dat ik ’s ochtends naar de kerk ben gereden, vervolgens Roelanda en de kinderen snel naar huis heb gebracht en ben vertrokken. Achteraf vind ik dat wel ver gaan. ‘Pieter-Jaap,’ denk ik nu, ‘dat had je ook een ander kunnen laten doen!’”

Verliezen is leerzaam

Samen zijn ze er goed uitgekomen, concludeert hij. “Maar de balans had ook anders kunnen zijn. Ik ben een product van een generatie waarin de verhoudingen tussen mannen en vrouwen anders waren dan nu. Ik zie dat mijn kinderen andere keuzes maken. Toch is Roelanda niet 'de vrouw van de hoofdcommissaris', en dat is ze ook nooit geweest. Toen onze jongste zoon veertien was, heeft ze haar vak als fysiotherapeut in een verpleeghuis weer opgepakt. Ze is lekker aan het werk en dat is goed voor haar én onze relatie.”

Zijn vrouw is weliswaar 'een onmisbare levenscoach', maar het meeste heeft Aalbersberg toch geleerd van zijn puberzoons. “Je hoeft thuis geen korpschef te zijn, lieten mijn jongens me onverholen weten. Ik heb me daarop afgevraagd of ik wel een goede vader was, of ik wel écht verbinding had met mijn kinderen. In een cursus ben ik vervolgens mijn biografie gaan schrijven. Ik ontdekte dat ik vooral meeleefde met anderen omdat het erbij hoorde, als vader maar ook als leidinggevende. Ik wilde me wel verbinden, maar deed het onvoldoende. Ik was als een ui die zich door anderen niet liet pellen. Ik hield zeker vijftien beschermde laagjes intact voordat je mijn kern kon bereiken.”

Het was een eyeopener. En jezelf veranderen lukt niet zomaar, ontdekte hij. “Zelfonderzoek helpt je om een patroon te herkennen. Ik ben ook maar een mens en kan altijd terugvallen, maar om anders te kunnen reageren, moet je het probleem eerst onderkennen. Mijn puberjongens hadden feilloos hun vinger op mijn kwetsbare plek gelegd. Daar zijn pubers goed in – en van pubers kun je niet winnen. Verliezen bleek leerzaam te zijn: ik heb van mijn zoons geleerd dat het in het leven niet draait om kennis. Dat mijn gelijk geen gelijk is.”

Geloof als locomotief

Maar ook na de cursus en de autobiografie is Aalbersberg nog altijd analytisch ingesteld. Hij beseft dat zijn normatieve aard ingebakken zit. “Het sluit wel aan op mijn functie, of misschien heb ik daarom wel voor dit vak gekozen – bij de politie kom je weinig anarchisten tegen.”

Hij heeft ondervonden dat je niet per se kwetsbaar wordt als je de ‘schilletjes’ afpelt. “Je wordt er opener van, ronder. Het leven is een oefentocht, waarbij ik erop vertrouw dat ik met mijn geloof mijn gevoel en verstand kan sturen. Om te voorkomen dat je op een doodlopend spoor belandt, moeten die drie in balans zijn. Verstand, gevoel en geloof horen bij elkaar. Ik gebruik graag het beeld van wagons die worden voortgetrokken door een locomotief. Als je kennis voorop zet, word je een verstandelijk mens. Ik heb het geloof, dat mijn bron en mijn basis is, op de locomotief gezet. Dat wil niet zeggen dat de andere twee onbelangrijk zijn, maar mijn emoties en verstand worden erdoor gestuurd.”

Tijd om te bidden

Over het geloof praten zonder Jezus te noemen, is voor Aalbersberg onmogelijk. Zijn leven, dood en opstanding vormen de bron, die wordt gevoed met je naaste liefhebben als jezelf. “Een mooie tekst, die liefde voor de ander,” analyseert hij, “maar hoe kun je die telkens opnieuw toepassen?

Ik word dagelijks geconfronteerd met de enorme nood in Amsterdam: de onzekere jeugd, eenzame ouderen en verwarde mensen. In de Bijbel lees ik dat God juist de zwakkeren en verschoppelingen opzoekt. Begrijp me goed, er worden mooie initiatieven ontplooid in de stad, maar de kerken kunnen op dit punt nog wel een tandje bijzetten!”

Zelf worstelt hij vooral met die naastenliefde als hij een collega moet ontslaan. “Dat zijn dossiers die ik letterlijk mee naar huis neem. Hoe rechtvaardig een ontslag ook kan zijn, voor de betrokkene en zijn omgeving is de impact enorm. Strategische besluiten nemen, bijvoorbeeld over wel of niet infiltreren, kan soms veel gemakkelijker zijn dan dergelijke knopen op menselijk vlak doorhakken.Wakker lig ik er niet van, maar ik blijf ermee bezig. Tussen besprekingen door, of als ik in de auto zit.”

Dat zijn ook de momenten waarop hij soms even tijd heeft om te bidden. Maar het nemen van zakelijke beslissingen wil hij verder zo veel mogelijk gescheiden houden van zijn geloof. ‘Gevaarlijk’ noemt hij het, als een gelovig persoon zich erop zou laten voorstaan dat hij dingen beter aanpakt dan iemand die niet gelooft. “Ik zeg wel eens: ik ben omringd door een aantal humanisten die stuk voor stuk betere mensen zijn dan ik. Ik ben ingehuurd vanwege mijn professionele kwaliteiten. Mijn talenten heb ik gekregen om de samenleving te dienen. Daarnaast ben ik een mens met een geloofsovertuiging die ik niet onder stoelen of banken steek. Als iemand ernaar vraagt, vertel ik erover. Maar op het werk ben ik geen dominee.”

Stilte voor de maaltijd

Hoewel hij thuis altijd bidt voor de maaltijd, zal hij in een professionele omgeving nooit om stilte verzoeken. “Ik heb erover nagedacht en vind het een tamelijk agressieve daad om mensen te vragen om voor mij hun mond te houden. Daarmee vervreemd je anderen van je. Stilte voor een maaltijd is mijn persoonlijke wens.

Opmerkelijk genoeg volgt juist als tafelgenoten constateren dat ik er niet om vraag, soms een mooi gesprek over het geloof. Daarin kan ik uitleggen dat bidden deel uitmaakt van mijn relatie met God, dat ik het belangrijk vind, maar mijn keuzes niet aan anderen wil opdringen.”

Ouderen onder de poort

Aalbersberg kreeg een gereformeerde opvoeding en ging naar de School met de Bijbel. Zijn jeugd was geplaveid met normen en regels. “Op zondag deden we een aantal dingen uit principe niet.” Maar samen met het afleggen van schilletjes en het ‘ronder’ worden, is ook zijn geloofsbeleving anders geworden. “Toen ik jong was, was ik veel radicaler. Hoe ouder je wordt, hoe milder je oordeelt. Steeds meer dingen weet ik niet zeker.”

Daarom moet je op latere leeftijd geen leider meer willen zijn, vervolgt hij. “Leiderschap vereist een bepaalde vorm van radicaliteit die zich moeilijk laat verenigen met een steeds milder wordende blik. Misschien was de repatriëringsmissie wel mijn belangrijkste opdracht en mijn werk als korpschef mijn laatste boegbeeldfunctie. Als baas is het ook je taak te weten wanneer je plaats moet maken voor een nieuwe generatie.”

Het is niet zo dat hij voor zijn 67e wil stoppen met werken, legt hij uit. “Maar als je ouder en milder wordt, zijn er nieuwe rollen voor je weggelegd waarin je waardevol kunt zijn. Ik ben bijvoorbeeld bijzonder tevreden over oudere rechercheurs die op zedenzaken zitten of de klachtenbemiddeling voor hun rekening nemen. Senioren zijn enorm waardevol voor organisaties en als leidinggevende streef ik ernaar om iedereen optimaal gebruik te laten maken van zijn of haar verworvenheden. Ook in de Bijbel wordt erop gewezen hoe de levenswijsheid van ouderen, jongere generaties van nut kan zijn. Senioren hadden in Israël gezag – en dat is iets totaal anders dan de leiding hebben. Zij zaten onder de poort, spraken recht en gaven advies. Dat vind ik een prachtig beeld van senioriteit. Ik weet niet wat het gaat worden, maar ik ben echt niet tot mijn 67e korpschef van Amsterdam.”


Tekst: Maria Aarts
Beeld: Ruben Timman
Bron: Visie 2015, nr. 39