Visie op Facebook

Meepraten over films? Op de speciale Televisiefilm-Facebookpagina kunt u uw reactie achterlaten.

Verzetsman en oud-generaal Ted Meines: 'Vertrouw op elkaar. En op God!'

Verzetsman en oud-generaal Ted Meines: 'Vertrouw op elkaar. En op God!'

In de Tweede Wereldoorlog hielp hij tientallen Joodse kinderen, als militair was hij bevriend met prins Bernhard en als hij koning Willem-Alexander tegenkomt, geeft hij hem een "stevige pakkerd". Luitenant-generaal buiten dienst Ted Meines: "Hier zit een bewogen mens."

Het woord ‘kranig’ lijkt voor Ted Meines uitgevonden. De 93-jarige luitenant-generaal doet de deur van zijn ruime appartement in Leidschendam open – militaire schildjes aan de muren –, geeft een ferme hand, gaat zitten en steekt direct van wal. “Mijn leven is gebaseerd op drie pijlers: zelfvertrouwen, vertrouwen op de medemens en vertrouwen op God. Ik hoop dat die drie voor iedereen gelden.” Het zijn deze drie lessen die het leven van Meines kleuren.

Gebroken stem

Het is duidelijk niet de eerste keer dat Meines deze woorden uitspreekt. Die drie pijlers zijn vaste ingrediënten in de toespraken die hij regelmatig houdt voor groepen veteranen. Want de veteranenwereld is zijn natuurlijke habitat. Als oprichter van de Stichting Veteranen Platform bracht hij tientallen veteranenstichtingen onder één vlag.

Zelf is hij oud-verzetsman en Indië-veteraan, maar er is nog een reden voor zijn grote inzet voor deze zaak. Kort na de Tweede Wereldoorlog volgde hij een militaire opleiding in Engeland. Daar ontmoette hij prins Bernhard. Geïnspireerd door de Britse veteranenvereniging British Royal Legion besloten de twee in Nederland ook een veteranenvereniging op te zetten.

“Die afspraak met prins Bernhard groeide uit tot ware vriendschap,” vertelt Meines. “Op zijn sterfbed heb ik hem nog gesproken. Hij kon nauwelijks een woord uitbrengen, maar toch zei hij, met gebroken stem: ‘Ik kan niet meer. Maar jij wel. Zorg goed voor mijn veteranen.’ Dat doe ik nog iedere dag. Die grote opdracht draag ik met warmte, liefde en kracht uit.”

Zeven woorden

Het is die vriendschap die hem nog altijd drijft. Eén moment komt in de toespraken die hij voor veteranen houdt, altijd voorbij. “Ik heb in 1952 een cursus in Amerika gevolgd, Oklahoma. Op paasmorgen ontmoette ik daar dr. Martin Luther King, de voorvechter van zwart Amerika. Bij het afscheid gaf hij mij een boodschap mee. Zeven woorden: Be yourself, be good and tell it. Vrij vertaald: ben en wees jezelf, zet je in voor je medemens, en leg getuigenis af van wie je bent. Deze zeven woorden hebben mijn leven gestempeld.”

Tell it – dat doet Meines voortdurend. Of het nu in een persoonlijk interview is, of voor grote groepen veteranen. Waar het kan, neemt hij het woord en spreekt de groepen toe. En altijd komt die drieslag terug: zelfvertrouwen, vertrouwen op de medemens en vertrouwen op God.

Vrije jongen

Het zelfvertrouwen heeft Meines van huis uit meegekregen. Hij groeide op in een Fries, gereformeerd en politiek geëngageerd gezin. “Ik kom uit een tijd dat vaders nog de dienst uitmaakten. Mijn vader was werkmeester bij de spoorwegen, maar vooral politicus. Als lid van de ARP (Antirevolutionaire Partij, voorganger van het CDA, red.) zat hij in de gemeenteraad en de Provinciale Staten. Hij had stiekem de hoop ooit burgemeester te worden. Toen dat niet lukte, hoopte hij dat ik die kans wel zou krijgen.”

Daarom nam vader Meines zijn zoon – de enige jongen in een gezin van vijf kinderen – mee op zijn politieke avonturen. Van zijn vader kreeg hij een sterk rechtvaardigheidsgevoel mee. Toen in mei 1940 de Duitsers Nederland binnenvielen, ging het leven voor Meines aanvankelijk gewoon door. Fel: “Maar in latere oorlogsjaren begonnen de nazi’s de samenleving te knechten en mensen af te voeren. Voor mij was er als vrije, Friese jongen, met de opvoeding die ik had gehad, maar één weg: in het verzet gaan. En daarbij moest ik mijn Joodse landgenoten helpen, anders werden ze vermoord!” Het laatste woord spreekt hij met grote nadruk uit.

Yad Vashem

Hij kijkt met diepe dankbaarheid terug op het werk dat hij in de oorlogsjaren mocht doen. Tientallen Joodse kinderen ontliepen dankzij zijn inzet een verschrikkelijk lot. Meines regelde bonkaarten, transporteerde kinderen en zocht veilige plekken waar ze konden verblijven. Eerst kwam hij in Limburg terecht, later in Twente. “Nu nog heb ik contact met de kinderen die ik heb gered – ze zijn nu natuurlijk ook in de 70 of 80. Ik prijs me gelukkig om te zeggen dat ik daar een steentje aan bij heb mogen dragen.”

In Yad Vashem, het holocaust-museum in Jeruzalem, staat zijn naam geschreven op de herdenkingsmuur voor de ‘rechtvaardigen onder de naties’, naast namen als Oscar Schindler en Corrie ten Boom. “Ik ben de trotste drager van de Yad Vashem-onderscheiding. Iedere dag dank ik God dat ik dit heb mogen doen. Al die Joodse kinderen gaven mij de stimulans om mijn gaven en talenten in te zetten voor vrede, veiligheid en rechtvaardigheid. Tot op de dag van vandaag.”

Politiecel

Het was niet alleen het zelfvertrouwen dat hem in die dagen kracht gaf. Minstens zo belangrijk was het Godsvertrouwen. Bijvoorbeeld toen hij in 1942 bij het scheppen van een luchtje werd opgepakt. Hij belandde in een politiecel. “Ik wist niet precies wat er ging gebeuren, maar de kans was groot dat ik naar een concentratiekamp zou gaan. Daar werd je vermoord! Die spanning voelde ik heftig. Dan is er maar één ding dat overblijft: op je knieën. Dat besef heeft mijn leven als verzetsman, maar later ook als beroepsmilitair, doordrenkt. Ik ben door het verzet uit die cel bevrijd. Een Godswonder.”

Meines werkte al onder een schuilnaam, maar moest na zijn ontsnapping weer een nieuwe naam aannemen. “Van het verzet kreeg ik de papieren van een jong overleden dominee, Sjoeke Nutma. Omdat ik gezocht werd, moest ik niet alleen de naam van die dominee dragen, maar me ook gedragen als predikant.” Glimmend: “Ik heb voor volle kerken gepreekt in de oorlogsjaren.”

Soebatten

Na de oorlog wilde Meines zo snel mogelijk het leger in. “Wij waren bevrijd, maar in Indië zuchtten mensen nog steeds onder de Japanners! Ik wilde helpen!” Het leger werd het, maar Indië moest wachten. Omdat het Nederlandse leger opnieuw opgebouwd moest worden, werd hij naar Engeland gestuurd voor een opleiding. Pas daarna werd hij, na lang soebatten, in 1948 naar Indië gestuurd. Als officier van een artilleriebatterij gaf hij zijn drieslag zelfvertrouwen, vertrouwen op de medemens en Godsvertrouwen nieuwe kleur. Bijvoorbeeld toen zijn mannen op zoek waren naar een onderkomen. “Bij vertrek uit Nederland had ik de ouders beloofd dat ik voor hun zonen zou zorgen. Er waren een paar honderd jongens aan mijn zorg toevertrouwd – ik vertelde mezelf iedere dag dat ik die onbeschadigd terug moest brengen.”

Toen hij de opdracht kreeg zich bij een groot kamp te voegen, besloot hij op zoek te gaan naar een betere plek voor zijn mannen. “Dus vroeg ik aan mijn brigadecommandant: geeft u mij de gelegenheid om een plek te vinden. Die sputterde tegen: ‘Er is hier niets anders.’ Ik antwoordde: ‘Dat vraag ik niet. Ik wil alleen maar zoeken.’ Dat is een stukje zelfvertrouwen: geloven dat je iets moet doen dat niet in de lijn der verwachting ligt om je manschappen te helpen.”

Psalmzingend

“Ik stuurde een aantal van mijn mannen op verkenningstocht om een geschikte plek te vinden. Gewone kanonniers, Jan Soldaat. Zij zouden bericht geven als ze iets vonden. Dat is mensvertrouwen: ik vertrouwde erop dat zij hun werk zouden doen. Tijdens een verkenningstocht kwamen we een beschadigd hotel tegen, Hotel Lido. Het lag schilderachtig aan een meer, met bergen aan beide kanten. Maar we hadden geen geld of toestemming daar te bivakkeren.

De dagen daarna moest ik naar Jakarta voor een bespreking. ’s Avonds zat ik daar in de officiersmess. En ik was zó vervuld van dat Lido, dat ik niet kon ophouden over dat hotel te praten. Naast me zat een meneer die me de ene borrel na de andere gaf. Na een tijd zei hij: ‘Weet u wel wie ik ben? Ik ben de eigenaar van Lido. U krijgt van mij geld.’ Ik had gehoopt, ik had gebeden, en door zo’n simpele ontmoeting in de officiersmess komt het goed. Ik ben psalmzingend naar mijn mannen terug gegaan. En dat is het Godsvertrouwen, dat mij nooit beschaamd heeft.”

Heeft uw geloof wel eens gebotst met uw militaire loopbaan?

“Nee, nooit. Het tegendeel is waar! De gaven en talenten die God mij heeft meegegeven, heb ik mogen inzetten voor het behoud en het bewaren of verkrijgen van vrede en veiligheid voor mijn collega’s. Mooier kan het toch niet? Geloof en militair-zijn houden voor mij direct verband met elkaar.

Als officier heb ik niet alleen vaardigheden over mogen dragen aan mijn manschappen, maar ook een levenshouding. Voortdurend heb ik de woorden van Martin Luther King in mijn achterhoofd gehouden: be yourself, be good and téll it. Draag uit wie je bent!”

Wie zijn de mensen die u op uw beurt inspireerden?

“Prins Bernhard was mijn grote steunverlaat en Martin Luther King heeft mij die belangrijke boodschap meegegeven. Maar uiteindelijk is het Jan Soldaat die mij keer op keer inspireerde. De gewone man, die het vertrouwen waard bleek.”

Warm en dankbaar

Terug uit Indië richtte hij met prins Bernhard zijn eerste veteranenorganisatie op: het Veteranen Legioen Nederland. Het voorzitterschap hield hij af. “Ik had het idee dat ik nog te weinig mensenkennis had om deze functie te vervullen.” In plaats daarvan maakte hij carrière in het leger, dat hij in 1976 op 55-jarige leeftijd verliet.

Opnieuw vroeg prins Bernhard hem de veteranenwereld te leiden, maar weer hield Meines de boot af. In plaats daarvan werd hij hoofddirecteur van de Hartstichting, waarna hij in 1986 met pensioen ging. Met deze ervaring op zak ging Meines aan de slag voor de veteranen. Samen met de prins richtte hij in 1986 de Stichting Veteranen Platform op, een vereniging die allerlei veteranenorganisaties samenbracht.

“Als ik nu in Doorn in het grote pand ben, waar het gevestigd is, raak ik doordrenkt met een warm en dankbaar gevoel. Dat hebben we met elkaar mooi tot stand gebracht! Al maak ik me ook wel zorgen. Wat ik mis, en wat ik graag in mijn toespraken uitdraag, is de menselijke kant. Uiteindelijk is dat de kern van de samenleving: het leven als mensen onder elkaar. Daarom draag ik dat keer op keer uit in mijn toespraken. Vertrouw op elkaar! En vertrouw op God! We zingen dat zesde couplet van het Wilhelmus wel, maar menen we het ook? Hier zit een bewogen en een betrokken mens. Ik zeg na toespraken vaak tegen de mannen: ‘Ik houd van jullie.’ En dat meen ik ten volle!”

Pakkerd

Diezelfde warmhartigheid draagt hij uit naar het koningshuis. Koning Willem-Alexander beschouwt hem als zijn ‘tweede opa’. Meines vertelt: “Toen Willem-Alexander als prins in Den Haag een defilé afnam, stond ik naast het podium in uniform.

Ook ik stond driftig te groeten. Na afloop kwam hij naar me toe: ‘Generaal, wie nam nu eigenlijk het defilé af?’ Ik zei: ‘Koninklijke Hoogheid, dat hebben we samen gedaan. Maar weet u wie ik mis? Ik mis uw grootvader. En u moet, net als uw opa, iets voor ons als veteranen betekenen.’ De dag daarna kreeg ik een telefoontje van de chef militair huis, dat was toen generaal Morsink: ‘De prins wil met je spreken.’ Hij is hier thuis geweest. En aan het eind van het gesprek zei hij: ‘Generaal, ik heb geen vader en opa meer. U bent mijn opa niet, maar als ik er een nodig heb, mag ik dan op u terugvallen?’ Dat is mijn relatie met de koning. Wanneer we elkaar tegenkomen, krijg hij van mij een stevige pakkerd. Ik geef daarmee uiting aan mijn affiniteit. Dat heeft met mannenliefde geen barst te maken.

Pas vroeg de koning me: ‘Hoe word je zo 93?’ Ik antwoordde: ‘Majesteit, ik zou het niet weten. Maar één ding weet ik wel: ‘doe wat je hart je ingeeft. En wat andere mensen daarover denken, leg dat naast je neer.’ Als je dat kunt en daarvoor de kracht krijgt, kun je heel lang meegaan.”

Grote Baas

Dat blijkt. Nog steeds is de agenda van Meines rijk gevuld. “Als ik niets te doen heb, word ik onrustig”, geeft hij aan. “Het liefst zie ik de luitenant bij de auto op me wachten, op weg naar een nieuwe afspraak. Want ik ga zo lang door tot de Grote Baas zegt: ‘Tedje, nu is het genoeg geweest.”

Als hij alleen thuis is, kan de twijfel hem aangrijpen. “Er zijn momenten dat ik heel sterk de behoefte heb aan Gods aanwezigheid. Overdag zit ik dan bij tientallen of honderden mensen, maar als ik ’s avonds thuiskom, is er niemand en en kan ik mijn verhaal niet kwijt. Ik ben bovendien slechthorend, dus als ik mijn apparatuur uit mijn oren doe, hoor ik niets meer. Dan treedt de angst mijn leven binnen. Dat kan aanleiding zijn om te roepen: ‘God, help me! Help me om rustig te worden, om die eenzaamheid naast me neer te leggen.’ Maar het vertrouwen op Hem blijft! Dat is onlosmakelijk deel van mijn leven. Dat speel ik niet, dat is écht. En ik dank God dat ik daar nog getuigenis van mag afleggen. Als ik dat doe, hangen de mensen aan mijn lippen. Dan zeggen de veteranen: u heeft ons hart geraakt. Is er iets mooiers dan dat? Op die momenten staat er een oud-militair, een oud-verzetsman, maar vooral iemand die zijn leven in Gods hand weet.”


Tekst: Pieter-Jan Rodenburg
Beeld: Jacqueline de Haas
Bron: Visie 2015, nr. 18