“14 De nakomelingen van Jozef kwamen zich bij Jozua beklagen. ‘Waarom,’ vroegen ze, ‘hebt u voor ons het lot maar één keer geworpen en ons slechts het gebied van één stam toebedeeld? Wij zijn toch met zeer velen, omdat de HEER ons tot nu toe altijd heeft gezegend?’” (Jozua 17:14 NBV)
Het land Kanaän was voor een groot deel veroverd. Delen ervan werden nog bezet door haar oorspronkelijke bewoners, maar het grootste gedeelte was nu land voor de Israëlieten. De verdeling van het land tussen de verschillende stammen kon nu beginnen. Tijdens deze verdeling, kwamen de twee stammen die voortkwamen uit Jozef, Manasse en Efraïm, klagend bij Jozua. Hun deel was hun te klein en zij vonden dat zij oneerlijk behandeld werden nu zij als twee stammen het met één deel moeten doen.
Hun klacht was wat bijzonder, want in de voorafgaande verzen, (Jozua 17:11-13) wordt melding gemaakt van een streek van Bet-San die ook toebehoorden aan Manasse. Zij klaagden hier over tegen Jozua, door te zeggen: ‘Ook dan is het bergland niet groot genoeg voor ons. En in de laagvlakte wonen de Kanaänieten. Die hebben allemaal ijzeren strijdwagens, zowel die uit Bet-San en de dorpen eromheen als die in de vallei van Jizreël.’
Aha! Zij zeggen dat de reden was dat dit land te klein was, maar het lijkt er verdacht veel op dat de ware reden was dat zij zich niet meester konden maken van het land. Ze klagen dat deze bewoners ijzeren strijdwagens hadden. Met andere woorden, Jozua deze volken zijn gewoon te sterk.. Jozua komt met een antwoord wat bijna een beetje spottend overkomt. Zijn antwoord is deze: 18 U hebt toch bergen? En die bergen hebben toch bossen? Rooi die dan eerst! Dan krijgt u ook de uitlopers van het gebergte. En op den duur zult u ook de Kanaänieten kunnen verdrijven, ook al hebben die ijzeren strijdwagens en zijn ze sterk.’ (Jozua 17:18 NBV)
Uiteindelijk doen de nakomelingen van Jozef helemaal niets. Uit Rechteren 1:27 blijkt dat zij de streek van Bet-San niet tot hun eigen kunnen maken. Alleen in hun sterkste dagen onderwerpen zij deze volken en verplichten hen tot herendienst. Maar verdrijven doen zij hen niet.
Dit is een voorbeeld van onggeloof en wat onggeloof kan aanrichten. De nakomelingen van Jozef klaagden, zagen alleen maar problemen en geloofden niet in God en wat Hij al gedaan had voor hen en ook voor de rest van het volk. Zij lieten zich bang maken door omstandigheden, de wereld en al het grote geweld wat daarin omging.
Wie kent dit niet? Dagen dat alle problemen zich lijken op te stapelen. In je huwelijk heerst al dagen, weken of maanden een intense en ongezonde spanning. Je werk loopt totaal niet en je loopt alleen maar meer vast. Je bent thuis niet te genieten voor jouw vrouw en kinderen. Je bent alleen maar chagrijnig. De dag is te lang omdat je je problemen ziet en de nacht is te lang omdat je over jouw problemen piekert. En in al deze omstandigheden komt jouw (oude) verslavingsvriendje ook nog eens op bezoek en hij neemt ook nog wat verleidingen mee die bijna onweerstaanbaar zijn. Het lijkt op een neerwaartse spiraal die je ogenschijnlijk niet kunt doorbreken. Jouw vijanden lijken veel op de vijanden in dit deel uit Jozua: sterke mannen in ijzeren strijdwagens..
Hoe doorbreek je dit nu? Laten we een stukje teruggaan in Jozua en lezen wat de oude Kaleb zegt: ‘10 ik ben thans nog even sterk als toen Mozes mij uitzond; de kracht, die ik nu bezit is dezelfde als die ik toen had, kracht om te strijden en om uit en in te gaan. 12 Geef mij daarom dit bergland, waarvan de HERE te dien dage gesproken heeft, want gij zelf hebt toen gehoord, dat daar Enakieten zijn met grote, versterkte steden; wellicht zal de HERE met mij zijn en zal ik hen verdrijven, zoals de HERE gesproken heeft.’ (Jozua 14:10-12 NBV)
Zie je het verschil? Kaleb kijkt naar God en vertrouwt volledig op Hem. Hij kijkt terug op wat God al had gedaan, namelijk hem al 45 jaar trouw bewaart en hem zijn kracht laten behouden zodat hij op zijn 85e nog steeds dezelfde kracht had als op zijn 40e. En dan heel ironisch zegt Kaleb, wellicht zal de HERE met mij zijn…
Dit is zeker niet bedoelt als twijfel aan de kant van Kaleb, maar meer als een milde spot. Hij wist het zeker, God zou zijn vijanden verdrijven! En dat kwam ook uit: 13 Aan Kaleb echter, de zoon van Jefunne, gaf hij een deel in het midden der Judeeërs, namelijk Kirjat-Arba, overeenkomstig het bevel des HEREN aan Jozua; Arba was de vader van Enak. Dit is Hebron. 14 En Kaleb verdreef vandaar de drie Enakieten: Sesai, Achiman en Talmai, zonen van Enak. 15 Vandaar trok hij op tegen de inwoners van Debir. De naam van Debir was tevoren Kirjat-Sefer. 16 Toen zeide Kaleb: Wie Kirjat-Sefer slaat en het inneemt, die geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw. 17 Otniël nu, de zoon van Kenaz, de broeder van Kaleb, nam het in; en hij gaf hem zijn dochter Aksa tot vrouw (Jozua 15:13-17 NBG’51).
Laten we leren van Kaleb. Hij kijkt in zijn komende problemen alleen maar op God en niet op wat hem staat te wachten. Tegelijkertijd weet hij heel goed wat hem te wachten staat, maar toch raakt hij hierdoor niet van slag, maar vertrouwt hij op God dat Hij zal maken dat het goed gaat worden.
Als jouw problemen groter lijken dan jouzelf, zeg dan tegen jezelf dat je niet langer meer aan jouw problemen wilt denken, maar in eerste plaats wilt kijken naar Christus. Luister minder naar jezelf maar praat meer tegen jezelf! Zeg met deze schrijver: 6 Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt. (Psalm 42:6 NBV).
Sluit jezelf niet op, maar laat God weten wat jou kwelt, laat jouw vrouw of man weten wat erin je omgaat, spreek er over met een broeder of zuster in de kerk en bidt samen zodat je weer het juiste perspectief krijgt! En als het ongeloof in jou blijft hangen, belijdt dit dan ook als zonde aan God. God is niet te klein voor jouw problemen. Het echte probleem is dat jij te klein denkt over God en jouw problemen ten diepste zelf wilt oplossen, in plaats van deze bij het Kruis van Christus neer te leggen en ze daar ook te laten.
Hij belooft het immers: 4 Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u! 5 Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij. 6 Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus. (Filippenzen 4:4-7 NBG'51)
Heb je vragen of opmerkingen, mail ze dan naar: pzijlstra@settingcaptivesfree.nl
Jullie zijn geliefd,
Petrus Zijlstra
teamlid – SettingCaptivesFree.nl
Geplaatst op maandag 23 augustus 2010 om 13:15 uur in
Bijbelstudies