Een Goede Zondag

Iedere zondagochtend
van 06.02 - 08.00 uur
op Radio 5.

Gedichten en gedachten

Al úw gedichten en gedachten zijn welkom bij:

EO - Een Goede Zondag
Postbus 21000
1202 BA Hilversum

of via e-mail: eengoedezondag@eo.nl

 

Gedicht: Eliza's vlucht

Auteur: Bernard ter Haar

oom tom

Addie Born heeft na wat zoekwerk dit gedicht thuis ergens in de kast teruggevonden. Vorig jaar plaatsten wij een oproep om dit gedicht te vinden. Er bleek toen dat er meerdere gedichten te bestaan naar aanleiding van het boek De Negerhut van Oom Tom.

DE ONTDEKKING
,Ja, ‘k had wel ‘t vrees’Iijk woord verstaan,
hoe zacht hij fluistereri mocht.
Mijn meester nam het bloedgeld aan:
mijn Harry is verkocht.
Zeshonderd dollars is de som.
Daarvoor is ‘t kind het eigendom
des hand’laars, in wiens klauw hij viel,
naar lichaam en naar ziel.”

Zó klagend trad een jonge vrouw,
een kleurling, een slavin,
de handen wringend in haar rouw,
met drift haar woning in.
Zij telde vijfentwintig jaar.
Althans niet ouder gaf men haar.
En — was zij kenbaar als quadroon*
toch was Eliza schoon.
(* halfbloed)

“Maar dat ik, arm’ bedrogen vrouw,
hen luist’rend hand bespied,
en nog bijtijds dat weten zou,
dat dacht die snoodaard niet.”
Ze omsloot een schrijn en greep haar hoed
En tastte in haast naar kindergoed.
En schreiend: “Red mijn kind, o Heer”,
Zonk zij voor ’t kribje neer.

“Ach”, peinst zij, “geen ontvluchting baat,
te ras ontdekt, gestuit.
Hij zendt met déerste dageraad
Reeds zijn vervolgers uit.
Maar… zo ik in de nacht ontvlied,
Bespeurt hij ’t nog in uren niet.
Misschien bereik ik Canada,
Al jaagt mij de onmens na.”

Terstond en ijlings wil zij gaan;
dit is haar stout besluit.
,,Word wakker, Harry, zie mij aan!
Je gaat met moeder uit.
Je vogeltje... hoor, Harry, hoor,
zingt je zijn morgendeuntje voor.
Je krijgt je zondagspakje aan,
kom, lieverd, opgestaan!”

En ‘t ventje woelt zich om en om
en pinkt het slaap’rig oog
voor ‘t licht, dat door zijn wimpers glom
en rust in ‘t bedje omhoog.
Maar, als het vragend ziet in ‘t rond,
legt zij de vinger op haar mond,
die zij aan ‘t luisterend oortje bracht:
,,Stil, Harry, luister zacht.”

,Je zag hem wel... de vreemde man,
die ‘t suikergoed je gal?
Je weg te stelen is zijn plan
en... ver van moeder af.
Maar ‘k breng je, waar die boze man
je nooit van moeder scheiden kan...
hij krijgt je niet... die kinderdief!
Ik heb je veel te lief.”

DE VLUCHT
Schuw glijdt zij, als een schaduw voort...
de vlucht’ling met haar zoon.
Hoe vindt zij thans een veiliger oord
ter schuilplaats, of ter woon?
‘t Was donker nog, maar aan de trans
verschoot allengs der sterren glans.
En langzaam rees, met flauwe lach,
de nieuwgeboren dag.

De rijp had alles wit gehuifd
en stoof als as langs de aard’.
Het dennenwoud stond hooggekuifd,
met kegels aan zijn baard.
Een schat van parels en juweel
lag uitgestrooid langs ‘t bosstruweel.
En iedere heester, tak of haag
droeg thans een zilveren kraag.

Eliza siddert, nu zij hoort,
hoe iedere voetstap kraakt.
Toch vlucht zij verder, altijd voort,
daar de angst haar vleug’len maakt.
En toen het daglicht helder glom,
toen zag zij telkens schichtig óm
en kuste dan de lieveling,
die in haar armen hing.

,,Ik mag wel slapen, moeder, zeg,
ik ben van ‘t waken moe.
En als ik zó mijn hoofdje leg,
dan vallen de oogjes toe.
Maar als ik slaap, komt dan de man,
die me uit uw armen stelen kan?
Dan geef je Harry toch niet weg?
Zeg, lieve moeder, zeg.”

Zij klemt hem dichter aan haar borst
en... hangt hij loodzwaar neer...
de last, die zó willig torst,
wordt licht gelijk een veer.
Dan weder slaat zij ‘t wenend oog
van ‘t slapend kind tot God omhoog.
en fluistert: ,,Heere hoed mijn vlucht.”
Dat geeft haar boezem lucht.

Soms rust zij, aan een schuur geleund.
Dan staart zij angstig rond
en luistert, of geen voetstap dreunt
langs de bevroren grond.
Of niet een bloedhond snuffelend speurt,
die met één sprong haar ‘t kind ontscheurt.
Dan jaagt zij weer, door schrik gespoord,
haar zoon in de armen, voort.

Maar de uitgeputte kracht bezwijkt.
En ‘t knaapje lonkt haar toe,
terwijl ‘t haar diep in de ogen kijkt:
,,Ik kan wel lopen, moe.”
Zij zet het neer en ‘t huppelt blij
en houdt een poos haar voetstap bij.
Toch merkt zij ras, hoe zij haar spoed
om ‘t kind vertragen moet.

En als zij ‘t opneemt in haar schoot
en koestert in haar arm,
dan kust zij we! de kaakjes rood,
maar ‘t bibb’rend kind niet warm.
En als ‘t zo bitter klaagt en krijt,
omdat het koude en honger lijdt,
dan is ze op tedere list bedacht
tot stilling van die klacht.

,,Zie, hoe ik hier een appel vond
met hooggekleurde wang!”
Zo roept ze en kaatst die langs de grond:
,,Loop haastig Harry,vang!”
En de appel hupt en danst vooruit.
En Harry giert van blijdschap luid
en vleit: ,,Och, doe het nog eens wéér.”
En weent of klaagt niet meer.

Zó wordt de weg voor ‘t kind verkort,
al valt hij eindeloos lang.
Zó wordt weer moed haar ingestort,
al blijft de toekomst bang.
En toen zij, met zijn liefste lach,
haar Harry de appel volgen zag,
toen brak een glimlach, naar bet scheen,
nog door haar tranen been.

Reeds naakt zij ‘t einddoe! van haar vlucht,
dat telkens nader spoedt.
Eén mijl voorbij bet dorpsgehucht...,
daar bruist de Ohio-vloed
Dáár ligt de weg naar Canada;
dáár jaagt haar geen vervolger na;
dáár staat de grens der slavernij;
dáár aâmt een moeder vrij.

DE IJSGANG
Daar ligt de Ohio, vaal en grijs,
Van boord tot boord gestremd.
Een breed pantsier van schubbig ijs
hield hem de borst omklemd.
Maar ,,‘k draag geen boei der slavernij”,
zo bromde en gromde en brulde hij.
En steigerend met herhaalde ruk
sloeg hij zijn ketenen stuk.

En barstend breekt het ijs vaneen.
De stroom gulpt door het slop
en smijt de schotsen om zich heen,
of kruit ze in heuvelen op,
bouwt torens, werpt die keer op keer,
gelijk een kind zijn speelgoed, neer.
En beukt ze met zijn golfgebruis
tot fijn versplinterd gruis.

Dat schouwspel staarde Eliza aan.
En ‘t hart bestierf van schrik.
Haar laatste hoop voelt ze ondergaan
in ‘t eigen ogenblik...
Geen aak, die zich van d’oever waagt,
terwijl zô wild nog de ijsgang jaagt...
En rustend ligt de stoomboot stil
met de ijskorst om haar spil...

Wanhopig slaat zij de ogen rond,
nu wacht geen redding meer...
Bezwijmend zinkt zij op de grond
en naast haar lieveling neer.
Die, half van ‘t groot gevaar bewust,
luid schreiend ‘t klamme voorhoofd kust.
tot ze opschrikt, tastend, of zij ‘t kind
wel aan haar zijde vindt.

Dáár nadert de aangestoven bent
op ‘t witgetuigde ros...
De drijver heeft zijn prooi herkend
en laat de teugels los.
Hij spalkt zijn klauwen als de gier,
,,Slavin, uw kind is mijn... geef hier!
Meen niet, dat worstelen baten zou;
geef hier uw kind, o vrouw!”

Dáár staat ze en meet met rollend oog,
dat doorpeilt tot de boom,
terwijl zij ‘t kind op de armen woog,
het ijsvlak langs de stroom.
,,Neen”, schreeuwt ze, ,,ik sta mijn kind niet af,
al wordt die stroom ons beider graf
Geef, Heere, geef nu moed en kracht.”
Zo zucht en bidt zij zacht.

Zij waagt de voet op ‘t glibberig pad.
En de ijsschol schudt en kraakt
en plompt en kentert, waar zij trad,
pas door haar teen geraakt.
Toch springt zij voort van schots naar schots,
gelijk een gems van rots op rots
en de afgrond belt bij elke tred,
waar zij haar voetstap zet.

De vlokken dwarrelen om haar heen
en feller blaast de wind.
Het deert haar niet, zij kermt alleen:
,,O, God, behoud mijn kind.”
Met iedere druk van haar voet
verft zij de sneeuw en ‘t ijs met bloed.
En ‘t kleed, langs schots en scherf gesleurd.
is half van ‘t lijf gescheurd.

Opeens… daar staat zij duizelend stil.
waai is zij:’... zij verdween...
Klink daar geen rauwe kreet... geen gil?
Is zij verzwolgen?…. Neen!
Weer staat zij op die ijsklomp dáár,
met wapperend kleed en fladderend haar
en de arm, gebogen om haar borst,
toont, dat zij ‘t kind nog torst.

En naakt dáár niet reeds de overkant?
Is niet de zoom nabij?
En wuift en rekt zich niet een hand
haar toe van de overzij?
Eén sprong... één sprong dient nog gewaagd.
die at haar moed en krachten vraagt.
Eén sprong... daar stort ze op ‘t oeverbed:
Godlof... zij is gered.

Hef, moeder thans uw kind omhoog.
‘t Is uw verworven buit.
GaIm met een vreugdetraan in ‘t oog
uw overwinning uit.
Uw losprijs is betaald, slavin.
Elk’ moeder juicht u toe, heldin.
En vlecht een dubbele vrijheidskroon
voor u en voor uw zoon.

Reacties 

reageer
 

////////, 28 oktober 2008 21:48 uur

wij hebben het projeckt op school over de neger hut van oom tom!
en we moeten er een gedicht voor schrijven!

 

Dinie Visschers-de Wit, 22 augustus 2007 20:43 uur

Het is een verrassing om dit gedicht gevonden te hebbenop de pc.Ik was er naar op zoek omdat mijn moeder het vroeger in het schemeruur vaak voordroeg aan ons ,haar kinderen,(de drie oudsten dan) en zij kon dat zo prachtig declamerend verteleen,dat ik vaak hele zinnen onthouden heb Terwijl ik het ontdekte op de pc kreeg ik te gelijk een boek met ,,versjes uit de oude tijd,verzameld door Els Olden,,kado,en ....dit hele gedicht staat er in!!! Dit gedicht moet ook eens op muziek gezet zijn(Johan de Heer?)En wat zou ik dat graag eens hebben.Maar ik ben al heel erg blij met de tekst.Groet van Dinie

 

Jack Terpstra, 16 augustus 2007 02:03 uur

Het is zeker 55 jaar geleden dat ik dit gedicht voor gedragen heb op een declamatie wedstrijd,voor dat ik emigreerde naar Canada.Ik weet niet meer of ik er een prijs mee gewonnen heb.Het was een lang gedicht om van buiten te leren.Enkele coupletten en/of zinnen ken ik nog steeds van buiten.Ik was zeer verbaasd dat ik het hele gedicht op de computer vond.Het maakte destijds diepe indruk op mij.