De redelijkheid van Goddelijke genezing
Spanningsveld tussen wel en niet genezen
De Bijbel openbaart God als een reddende God. Hij wil dat niemand verloren gaat. Toch gaan er mensen verloren. In het licht van zijn karakter en zijn doel met de mens kun je veilig stellen, dat God ook wil dat iedereen gezond zou zijn. Toch is niet iedereen gezond.
Dat brengt ons in een spanningsveld dat de volgende spanning oproept: Je kunt in die spanning proberen God te verdedigen en je kunt Hem aan vallen op het feit dat Hij het blijkbaar niet goed doet. De enige die zich echt zou kunnen verdedigen is God zelf en dat doet Hij niet, omdat Hij ver boven die spanning staat.
Geen keuze maken
In die spanning van wel of niet genezen; wel of niet Gods wil; wel of niet Gods bescherming is de Bijbel ook duidelijk dat God niet wil dat wij onze zekerheden in het weten en antwoorden moeten zoeken maar in de troost en vertrouwen van een relatie met Hem. Het lijkt wel of Hij er op wijst geen keuze te maken tussen wel of niet genezen, maar beiden te aanvaarden als onderdeel in het leven: Gods genezing is er, maar ook het lijden is er. En het een doet niet onder voor het ander. Ook door lijden heen verheerlijkt God zich, kijk daarvoor maar naar Jezus’ kruisdood en de martelaren van de kerk.
Feiten
Kijken we echter naar de redelijkheid om Goddelijke genezing te verwachten dan kunnen we die redelijkheid baseren op het feit dat God geinteresseerd is in ons menselijk lichaam. (1 Korintiërs 6:13: ‘Het lichaam is voor de Here, en de Here voor het lichaam’). We worden zelfs opgeroepen God te verheerlijken met ons lichaam. Gods interesse voor ons lichaam komt voort uit de volgende feiten:
1. De mens is geschapen naar het beeld van God
Wij zijn geneigd dit beeld te verbinden met de geestelijke aard van de mens, maar Gen. 9:6 waarschuwt ons geen menselijke lichamen te doden of bloed te vergieten, omdat wij naar zijn beeld geschapen zijn. God is dus zuinig op de tenten waarin wij wonen.
2. De redding betreft ook ons lichaam.
Paulus leert in Romeinen 8:28 over de verlossing van ons lichaam. Blijkbaar is dat lichaam niet ons eigendom en heeft God er een verlossingsdoel mee. Paulus wordt dan heel fel en zegt: ‘Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt? Want gij zijt gekocht en betaald.
3. Het lichaam van een gelovige is een lid van Christus
‘Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn?’ (1Kor 6:15). In deze tekst gaat het duidelijk om het lichaam van de mens, niet zijn geest of zijn ziel.
4. God verlangt ernaar dat zijn kinderen hun lichaam heilig houden
Dit blijkt zonneklaar uit het aangehaalde gedeelte 1 Korintiërs 6:15-18. Daarin kwalificeert Paulus sommige zonden als zonden tegen het lichaam. God neemt deze zonden net zo serieus als de zonden die alleen betrekking hebben op de ziel of de geest.
5. Het lichaam van een christen is een tempel van de Heilige Geest
‘Weet gij niet dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest?’ (1Kor 6:19). Men hoeft maar te bedenken hoezeer God was geïnteresseerd in elk detail van de tabernakel in de woestijn en de tempel in Jeruzalem, om te beseffen hoezeer Hem onze fysieke gesteldheid ter harte gaat, die immers eveneens een woning van de Heilige Geest is?
6. Het lichaam zal worden opgewekt
‘God heeft niet alleen de Here opgewekt, maar zal ook ons opwekken door zijn kracht’ (1Kor 6:14). De opstanding is werkelijkheid. Christenen zullen in hun eigen, opgewekte en verheerlijkte lichamen leven tot in alle eeuwigheden. Om deze reden vindt God het ook zo belangrijk wat er nu al met onze lichamen gebeurt. Het onderpand van het onsterfelijke opstandingsleven is dat wij hier en nu reeds genezing en gezondheid ontvangen voor onze lichamen.