Jezus had gehoord dat Zijn vriend Lazarus ernstig ziek was. Hij besloot naar hem toe te gaan. Zijn discipelen hadden daar groot bezwaar tegen. Jezus moest dat niet doen. Men zou Hem arresteren.
Toen zei Jezus dat Hij zeker wist dat Hem niets zou overkomen. De donkere nacht van Zijn lijden en sterven was nog niet aangebroken. Het was nog geen nacht. Al was het wel vijf voor twaalf. Maar zolang het ‘dag’ was, wilde Hij de werken doen van de Vader Die Hem gezonden had.
Hij zei het als volgt: ‘Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht der wereld kan zien, maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is,( Johannes 11: 9, 10).
 
Er zit in deze woorden van Jezus duidelijk een diepere betekenis. Hij sprak niet gewoon over de zon, die overdag schijnt, maar over ‘het licht der wereld.’ Had Jezus Zichzelf niet in gesprekken het licht der wereld genoemd?! Ook sprak Hij over licht dat in een mens kan zijn als het nacht is. Dat is ook vreemd. Als er een gewone nacht bedoeld zou zijn, heb je ook niet veel aan licht in je, maar licht over je. Het licht van de maan bijvoorbeeld.
 
Het is duidelijk dat Jezus aan meer dacht. De dag, waarover Hij sprak, was geen gewone dag. De nacht waarover Hij sprak, die voor Hem zou gaan komen, had duidelijk te maken met Zijn lijden en sterven. Hij had het over het leven van ieder mens. Elk mens kan in het licht leven, maar kan ook in een verschrikkelijk donkere nacht terechtkomen. Dan komt het er op aan, dat een mens het licht in zijn hart heeft, anders zal hij voortdurend struikelen en vallen, en raakt hij het spoor bijster.
 
Leven in heel moeilijke omstandigheden, wandelen in de nacht, maar met het licht van God in je hart, is een geweldige kracht. Want wat kan het donker zijn in ons leven. Tegenslagen, moeiten en verdriet kunnen het leven enorm verduisteren. Soms komt het heel plotseling. Van het ene moment op het andere. Maar als in zulke situaties God het licht in je hart is, de troost van Zijn Woord, kun je de duisternis toch aan. Koning David zei ooit in zulke moeilijke omstandigheden: ‘De Here is mijn Licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen?!’
 
Maar het kan ook anders. Wandelen in de nacht, zónder licht in je hart. Omdat je God niet kent. Deze keer denk ik vooral aan mensen die God wel kennen, maar het licht in hun hart niet ervaren. De profeet Jesaja spreekt over hen: mensen die in diepe duisternis wandelen, van licht beroofd (Jesaja 50: 10)
Zoiets kan elk kind van God overkomen. Koning David heeft ook Psalm 22 gedicht, waarin hij spreekt over het zich verlaten voelen door God. Jezus haalt aan het kruis deze psalm aan.
 
God kennen, en toch in de duisternis zitten. Dat kan in heel sterke mate het geval zijn als mensen psychisch ziek zijn. Voor hen kan de donkere tunnel soms heel lang zijn.
 
En zo kan het zelfs voorkomen dat kinderen van God in het duister sterven. Soms heeft een psychische ziekte mensen zo in zijn wurgreep, dat zij geen uitkomst meer zien. Hoeveel steun ze ook ontvangen en hoe vaak er ook voor hen werd gebeden. Zij maakten een eind aan hun leven. Zij konden het niet meer aan.
Zij struikelden en stonden niet meer op.
‘Wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich…’
Sterven vanwege al het duister. Is dat hetzelfde als voor eeuwig verloren gaan?
 
Niet elk schip komt bij daglicht in de behouden haven aan. Het kan ook in het donker gebeuren.
 
Bovenstaande meditatie verscheen ook in Visie 22, 2003