Het Joods-christelijke alternatief

door Arie Kok

Minister Ella Vogelaar heeft met haar uitspraken het nodige stof doen opwaaien. Wat beweerde zij? Dat Nederland over enkele eeuwen zal uitgroeien tot een land met een Joods-christelijke-islamitische traditie. De kritiek was niet van de lucht. Aftreden moest ze, volgens rechts Nederland.

Nu maakt mevrouw Vogelaar ook wel een belangrijke denkfout. Dat er sprake is van een Joods-christelijke traditie, heeft weinig te maken met de Joodse minderheid die eeuwen geleden in Nederland is komen wonen. Het christelijk geloof wortelt in het Jodendom. Wij geloven ook in de God van Israël Die zich geopenbaard heeft in de Bijbel, een Joods boek. Daarom zijn de Joodse wortels fundamenteel voor het christelijk geloof. Bij de islam ligt dat anders. Er is geen sprake van dat het christelijk geloof zou wortelen in de islam of andersom. De God van het christelijk geloof heet in het Arabisch weliswaar ook Allah, maar de openbaring in Jezus Christus maakt de christelijke God tot een wezenlijk andere persoon.
Het is verbazend dat er in Nederland qua houding zo’n wissel kon omgaan. Van de naïeve idealen van de multiculti-samenleving is de sfeer doorgeslagen in één waarbij moslims van sommigen niet de vrijheid krijgen hun geloof te belijden. Die geluiden komen nogal eens van mensen die hameren op het aambeeld van de Joods-christelijke wortels van onze westerse cultuur. Terwijl juist deze wortels Nederland gemaakt hebben tot een land waarin de persoonlijke vrijheid van geloofsovertuiging hoog in het vaandel staat.
In de luwte van het tumult rond de uitspraken van Vogelaar verscheen er een bescheiden, maar belangwekkend boekje bij de stichting Evangelie en Moslims: Europa, het Mekka van de islam? Nog ontwetend over de uitspraken van Vogelaar schreef Cees Rentier een ‘christelijk perspectief op het maatschappelijk samenleven met moslims’. Goed geïnformeerd en goed onderbouwd zoekt hij naar een bijbelse weg om met moslims om te gaan. ‘We vervreemden migranten van ons door assimilatie aan onze westerse cultuur van hen te eisen, alsof die in morele zin superieur zou zijn. Als christelijke gemeenschap willen we een andere weg inslaan. Recht doen aan ‘vreemdelingen’ is immers een bijbels gebod.’ Bovendien zouden wij er, volgens Rentier, als christenen iets van moeten kunnen begrijpen, dat moslims de waarden van onze samenleving niet zomaar overnemen.
Rentier waarschuwt echter om geen partij te worden in het conflict tussen moslims en de ‘liberalen’. De kerk heeft voor beiden een boodschap, los van het conflict tussen die twee. Als christenen zouden we er winst in kunnen zien, dat door de komst van de islam naar Europa de intellectuele arrogantie van seculiere liberale humanisten ter discussie wordt gesteld. Dit biedt ook voor het Evangelie nieuwe kansen om in het openbaar ter sprake te komen.
Vervolgens pleit Rentier voor het serieus nemen van de verscheidenheid van geloofsovertuigingen in de samenleving. Willen we met elkaar verder kunnen, dan wijst de christelijke naastenliefde een weg. En naastenliefde betekent niet dat we kritiek onder het tapijt vegen. Er moeten met moslims harde noten gekraakt worden, met name over het gebruik van geweld en de publieke uitingen van het geloof. Liefde betekent niet dat je elkaar maar een beetje vrijlaat. Het betekent wel dat je, met het oog op het welzijn van de ander, je kritiek laat horen.
Onverschilligheid ten opzichte van moslims is niet aan de orde. Maar we hoeven ons ook niet te laten leiden door angst en paniek. De Joods-christelijke traditie voorziet in een derde weg. De begaanbare weg van de naastenliefde.