werkindekerk.nl
Bekijk
doel en deelnemers:
evangelische alliantie evangelische omroep Christelijke Hogeschool Ede
 
2 september 2010

De kleine groep en het priesterschap van alle gelovigen

Gemeente – Groei - Groepen hebben alles te maken met het zoeken naar een vorm waarin het priesterschap van alle gelovigen optimaal kan functioneren. Vanaf het begin is het Gods verlangen geweest dat heel het volk Hem als een priester zou dienen.

Oude Testament

In Exodus 19: 6 wordt dit verlangen van de Here God tot uitdrukking gebracht: ‘En gij zult Mij tot een koninkrijk van priesters zijn’. Dit was het ideaal dat Hem voor ogen stond toen Hij Zijn volk uit Egypte bevrijdde. Een volk dat uit priesters bestaat. Priesters die bidden voor anderen, die om vergeving vragen voor zichzelf en voor anderen, God lof offeren. Priesters die in staat zijn om Gods Woord uit te leggen en toe te passen op het leven van alle dag. Priesters die de lofzang gaande houden. Het trieste is dat dit ideaal van God in de geschiedenis van het volk Israël volledig de mist in is gegaan. Het ideaal was nog niet uitgesproken of het gouden kalf werd al hartstochtelijk aanbeden. God paste daarop een noodgreep toe. Eén stam werd uitgekozen om priester te zijn. Het was niet de bedoeling, maar het kon blijkbaar niet anders. In de loop van de geschiedenis blijkt dat ook de priesters niet beantwoorden aan de hun opgedragen taak. In plaats van leiders worden het verleiders en het volk eindigt in ballingschap. In die ballingschap spreekt God opnieuw over Zijn ideaal van het algemeen priesterschap met de woorden van Jeremia 31: 31-34: ‘Zie Ik sluit een nieuw verbond…en zij allen zullen Mij kennen van de kleinste tot de grootste onder hen’.

Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament zien we dit in vervulling gaan. Het priesterschap verengt zich tot het hogepriesterschap van Jezus Christus. Hij is de middelaar die voor de zonden van het volk sterft. De priesterstand als middelaar tussen God en de mensen is niet meer nodig. De weg is vrij en het voorhangsel scheurt. Met pinksteren wordt duidelijk wat dit alles betekent: de Geest van God wordt op álle vlees uitgestort. Er is geen onderscheidt meer tussen priesters en leken. Alle gelovigen samen vormen een koninklijk priesterschap (1 Petr. 2:9).

Handelingen der apostelen

Bij dit priesterschap van alle gelovigen ontstaat een bepaalde vorm van gemeente-zijn. Zo zien we dat de gemeente de gewoonte had, om bij elkaar te komen in de tempel voor het onderricht van de apostelen, maar ook, om in huizen bij elkaar te komen voor het breken van het brood en de gemeenschap (Hand. 1:13; 2:2,46; 12:12). Dit laatste was in die tijd niets bijzonders. Ook de heidense godsdiensten vereerden hun goden in huisbijeenkomsten. En - het meest vergelijkbaar voor de christenen - ook de Joden in de diaspora kwamen in huissynagogen bijeen. Evangelisatiewerk gebeurde eveneens vaak aan huis (Hand. 5:42; 10:42vv; 18:7; 20:7,20). Dit alles neemt niet weg dat men ook in de tempel, dus in het openbaar bijeenkwam en evangeliseerde. Grootschaligheid en kleinschaligheid bestonden naast elkaar. Nauta vraagt zich af: ‘Kan in de crisis waarin de kerk vandaag met name in de steden verkeert déze vorm van kleinschaligheid niet een zinvol alternatief zijn temidden van schaalvergroting én individualisering? Het is een vorm van kerk-zijn die in elk geval in de vroege periode van de kerk haar waarde heeft bewezen, juist ook in moeilijke omstandigheden.’7 Het antwoord kan zijn: jawel, maar niet vanwege de crisis en de moeilijke omstandigheden maar omdat het te allen tijde (!) een onontbeerlijk middel is in de opbouw van de gemeente. In de kleine groep kan het priesterschap van alle gelovigen door de gaven van de Geest optimaal functioneren

De brieven van Paulus

Paulus maakt verschillende keren melding van gemeenten die in privé-woningen bijeenkwamen. Een tempel bestond in de zendingsgebieden immers niet. Dus was de huis-samenkomst vaak de enige gemeentesamenkomst. Alhoewel waarschijnlijk de huisgemeenten ook wel gezamenlijke bijeenkomsten hielden samen met andere huisgemeenten. In Efeze en later in Rome wordt de gemeente ten huize van Aquila en Prisca genoemd (1 Cor. 16:19; Rom. 16:5). In Rome waren meerdere huisgemeenten (Rom. 16:14,15). In Laodicea had Nympha een gemeente bij haar aan huis (Col. 4: 15). en tenslotte had ook Philemon in zijn huis (in Colosse) een gemeente (Phil. 2). Het is opvallend dat Paulus deze huisgemeenten met precies hetzelfde woord aanduidt als de plaatselijke gemeente en de wereldkerk, nl. ‘ecclesia’, gemeente. Iedere gemeente, hoe klein ook, representeert de ene kerk, het volk Gods, het lichaam van Christus. "Elke ecclesia bij iemand aan huis was ten volle ecclesia, niet slechts een stukje van de kerk; nee, in de huiskerk klopte het hart van de kerk, zij wás kerk". 8

Bouwstenen voor gemeenteopbouw in de Nieuw- Testamentische brieven

Daar (in de kleine, overzichtelijke groepen) kunnen alle “elkaar-woorden", die we in de Nieuw Testamentische brieven zo dikwijls tegenkomen, pas goed functioneren. Elkaar vermanen en vertroosten en elkaar opbouwen in het geloof (1 Thess. 5:11 ). Op elkaar acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken (Hebr. 10:24,25). Elkaar leren en terechtwijzen (Col. 3:16). Daar is het ook de plaats waar de gelovigen zich kunnen oefenen in het jegens elkaar bewijzen van vriendelijkheid, barmhartigheid en vergevingsgezindheid (Ef. 4: 32). Daar ook kunnen zij elkaar dienen, een ieder naar de genadegave die hij ontvangen heeft (1 Petr. 4;10). Daar kan het vele malen herhaalde gebod om elkaar lief te hebben in liefdedaden toegepast worden: door elkaar te aanvaarden en te verdragen (Rom. 15:7 en Gal. 6:2), elkaar onderdanig te zijn en elkaar uitnemender te achten dan zichzelf(Ef. 5:21 en Fil. 2:3), door vrede onder elkaar te houden en jegens elkaar het goede na te jagen (1 Thess. 5:13,15). Daar kan men ook leren om actief mee te doen in de samenkomst en tot stichting en opbouw van de anderen iets in te brengen. 'Telkens wanneer gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong of een uitlegging' (1 Cor. 14:26).
 
Daar waar men elkaar van zo dichtbij leert kennen, kan men ook beoordelen wie het meeste geschikt is om bijzondere taken toevertrouwd te krijgen, bijvoorbeeld de taak van de herder, de opziener, de diaken, de leraar. Daar waar de godsdienstoefening zo dicht bij het dagelijkse leven staat, waar liefdemaal en avondmaal in elkaars verlengde liggen, waar de verkondiging van het Woord en het gesprek over de vragen van geloof en leven als vanzelf in elkaar overgaan, daar zullen gasten zich weldra thuis voelen. Daar is de drempel zo laag dat men gemakkelijk de uitnodiging aanvaardt om met dit nieuwe geloof kennis te maken.

Van de vroege kerk tot de reformatietijd

De kleine, verdrukte en vervolgde gemeenten van de vroege kerk hadden aanvankelijk voor een groot deel hun aanhang onder de armen, de onderste lagen van de bevolking. Ze hebben waarschijnlijk niet eens gedacht aan het bouwen van kerken, laat staan kathedralen. Eerst vanaf de vierde eeuw werden kerken gebouwd. Het aantal christenen nam toe, maar helaas de onderlinge band verslapte. De vitaliteit van de gemeente nam af. De vervolgde kerk werd staatskerk. Wie vooruit wilde komen in de maatschappij moest zich aansluiten bij de kerk. Christendom werd meer en meer een uiterlijke aangelegenheid. Er ontwikkelde zich een geestelijke stand van priesters die steeds meer bevoegdheden in de kerk en macht in de samenleving kreeg. Het algemeen priesterschap van alle gelovigen verdween. De betekenis van de huissamenkomsten en de huisgemeenten nam meer en meer af.

Reformatie en Piëtisme in Duitsland

Het was Maarten Luther die het priesterschap van alle gelovigen weer in ere wilde herstellen. In zijn beroemde voorrede op de Deutsche Messe (1526) pleitte hij er daarom voor om naast de kerkdienst ook nog in kleine groepen bijeen te komen. Althans, diegenen 'die met ernst christen willen zijn en het evangelie met daad en mond belijden'. Hij vond het geen vrijblijvende zaak want ze moesten zich in een ledenlijst laten inschrijven. Ze zouden bijeenkomen om te bidden, de Schrift te lezen, te dopen, het sacrament te ontvangen en andere christelijke werken te beoefenen. Wie zich niet christelijk gedroeg zou hier vermaand, op het goede pad gebracht, desnoods uitgebannen moeten worden naar de regel van Matth.18:15w. Ook zou men hier, in de huiskring, aalmoezen kunnen inzamelen en die uitdelen aan de armen. Luther was kennelijk van mening dat voor gemotiveerde christenen de kerkdienst niet kan volstaan. Hij wilde het priesterschap der gelovigen werkelijk tot zijn recht laten komen en presenteerde daarvoor een model dat -in onze ogen -heel ver gaat. Hij wilde nl. de huiskring een grote zelfstandigheid geven, zoals blijkt uit het programma: onderricht (over de Geloofsbelijdenis, de Tien Geboden en het Onze Vader), onderlinge tucht, diaconaat en zelfs sacramentsbediening. Tot invoering durfde hij echter niet over te gaan. Niet omdat deze aanpak verkeerd zou zijn maar omdat hij er, zoals hij zegt, 'de mensen niet voor had die werkelijk met ernst christen willen zijn'. Er was wel visie voor het priesterschap van alle gelovigen, maar die had geen prioriteit en werd ook niet breed gedragen. Men slaagde er niet in om kleine groepen te incorporeren in het totaal van kerk-zijn. Er was wel angst voor dwalingen en daardoor verdween de kleine groep op de achtergrond. De nadruk kwam te liggen op het ambt van de predikant. In plaats van de priester kwam de predikant die het alleenrecht had om te preken en de sacramenten te bedienen.

Pogingen tot herstel van het algemeen priesterschap

Pas anderhalve eeuw later nam de Lutherse predikant Jakob Spener, voorman van het Duitse Piëtisme, het idee van de kleine groep weer op. Hij stichtte de "vroomheidsgenootschappen" (collegia piëtatis) als een middel om het geestelijk leven in de kerken te stimuleren. Ecclesiola in ecclesia, kerkjes in de kerk, noemde hij ze. De impulsen van Spener werken tot op vandaag door. Komt het daardoor dat in Duitsland de Hauskreisen in onze tijd zo snel, veel vlugger dan bij ons, gemeengoed zijn geworden?

Nadere Reformatie in Nederland

In de zeventiende eeuw en ook daarna waren er in ons land in de Hervormde gemeenten groepen, conventikels genoemd. Zij hielden zich bezig met de catechismus, de gehouden preek en de oefening in vroomheid, soms mét, soms zonder predikant. We zijn dan in de wereld die men wel de Nadere Reformatie noemt. Men had er aandacht voor de persoonlijke geloofsbeleving. Het gezamenlijke zingen, intens bijbelgebruik, een rijk gebedsleven en het geestelijke gesprek waren er in ere (9).

Het Reveil

Het is niet verwonderlijk, dat de 19e eeuwse beweging het Reveil, die beïnvloed was door Piëtisme en Methodisme, ook groepssamenkomsten kende. We horen telkens van huisbijeenkomsten, waar de Bijbel gelezen en uitgelegd werd, waar gezongen werd en waar men samen bad. Soms sprak in de kring de ene deelnemer na de andere een gebed uit. Er was ook wel eens een meditatie of wat men noemde een ‘stichtelijk gesprek’. Bekend zijn bijvoorbeeld de bijbellezingen van Isaäc da Costa (1798-1860), die wel beschouwd wordt als de ‘Vader van het Reveil’.

Domineeskerk of priesterschap van alle gelovigen?

Na de 2e wereldoorlog kwam in ons land het groepswerk in de kerk meer en meer tot ontwikkeling. Vorming en toerusting, bijbelkringen, gesprekskringen, gebedskringen: het zijn woorden, waarmee we vertrouwd zijn geworden. Tot op de dag van vandaag is men echter nog nooit tot een structurele invoering van die kleine groep gekomen als beleidsprincipe voor de gemeente-opbouw. Soms worden kleine groepen als iets positiefs gezien, soms worden ze alleen ‘gedoogd’ door de kerkenraad, met als resultaat, dat groepen zich verwijderen van het totaal van de gemeente óf dat ze gewoon doodbloedden. Eén van de gevolgen van dit alles is dat er nog steeds een geweldige druk ligt op het ambt van de predikant. Het verwachtingspatroon is hoog en steeds meer predikanten maken duidelijk, dat het hen teveel wordt. Onderbelichting van de gaven, passiviteit van gemeenteleden en eenzaamheid zijn de vruchten van een kerkgemeenschap, dat niet de kleine groep de aandacht geeft die zij verdient en het priesterschap van alle gelovigen verwaarloost.

Het GGG-model dienstbaar aan het ideaal van het priesterschap van alle gelovigen

Het unieke van de Gemeente – Groei – Groepen is, dat hier het ideaal van het priesterschap van alle gelovigen integraal onderdeel wordt van het totale kerk-zijn. Met het opzetten van GGG’s vormt de kerkenraad structureel plekken, waar het priesterschap van alle gelovigen zich ten volle kan ontplooien. De predikant is niet langer de solist, die alles zelf moet doen, maar de coach, de toeruster en begeleider van de gastgezinnen (Ef. 4:12). Zowel het materiaal als de toerusting voor de toerusters worden daarbij landelijk aangeboden, zodat niet iedereen ‘zelf het wiel hoeft uit te vinden’. Hoe meer het priesterschap van alle gelovigen versterkt wordt in onze kerk, des te beter zal de gemeente als geheel functioneren naar Gods oude ideaal en hartsverlangen: ‘Gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn’.
 
Copyright Ds. Hans Esbach
 
(hfdst. 4 uit 'Kleine groepen grote kansen. Handboek voor
Gemeente-Groei-Groepen', ds. Hans Esbach)
 
(6) Dit hoofdstuk is gedeeltelijk ontleend aan een artikel van ds. F.H. Veenhuizen, dat eerder verscheen in Idea-documentatie nr. 32, een uitgave van de Evangelische Alliantie in Driebergen. Het is aangevuld met gedeelten uit een lezing van ds. J. de Kok over het priesterschap van alle gelovigen.
(7) J. Nauta: ‘Flexibele gemeentevormen in de eerste eeuw’ in Leidse lezingen, De kerk verbouwen. Callenbach, Nijkerk 1989.
(8) J. Nauta: a.h.w. blz. 14.
De huisgemeenten zijn in de vroeg-christelijke kerk de bouwstenen geweest voor de opbouw van de gemeente, de interne en externe, de kwalitatieve en kwantitatieve opbouw.
(9) Lindijer, blz. 18
mail deze pagina naar
printversie
zie ook:
logo Publieke Omroep