
‘Na zo veel hartstilstanden is mijn leven een groter wonder dan ooit’
Leestijd: 12 minDoor Gert-Jan Schaap
Omdat haar hart er plotseling mee stopte, ontsnapte ze diverse keren nipt aan de dood. Afgelopen februari onderging kunstenares, spreker en auteur Wilma Veen (1967) uiteindelijk een harttransplantatie. Sindsdien bewandelt ze de lange weg richting herstel, met een donorhart. “Dat ik hier zit, is puur genade.”
De herinnering brengt een glimlach naar haar lichtblauwe ogen. Toen het ziekenhuis Wilma belde, zei de cardioloog tegen haar: “Dit is een historisch moment – er is een donorhart voor u.” Maar die bewuste februarimiddag lachte Wilma er bepaald niet om. Ze kon het nieuws nauwelijks bevatten, bleef even stil en vroeg of de cardioloog die boodschap kon herhalen. “Ik besefte dat ik binnen enkele uren op de operatietafel zou liggen. Er was geen weg terug. En ik dacht: misschien haal ik morgen. Maar misschien ook niet.”
Wilma moet het “héél rustig aan” doen, vertelt ze in haar lichte woonkamer in Harderwijk. En nee, dat valt niet mee voor iemand die jarenlang volop bezig was met schilderen, schrijven en spreken – tot hartproblemen plotseling een spaak in het wentelende wiel van al die bedrijvigheid staken.
“Klopt, twaalf jaar geleden alweer… Eind februari was ik ’s avonds – in het donker – met een groepje aan het hardlopen in Harderwijk. We renden door stille straten en over verlaten industrieterreinen, achter de trainer aan en ondertussen kletsten we wat: heerlijk. Als een van de eersten kwam ik aan bij het eindpunt, samen met twee andere vrouwen. ‘Ik voel me niet helemaal lekker worden’, zei ik bij de coolingdown. ‘Dan moet je even door je knieën gaan’, adviseerden ze. Maar terwijl ik dat deed, viel ik letterlijk om. Mijn hart was ermee gestopt.”
Terwijl Wilma bewusteloos op de koude grond lag uitgestrekt, belden de andere hardlopers direct 112. Ze haalden dekens om haar warm te houden. “Begin met reanimeren,” zei de meldkamermedewerker, “we sturen direct een ambulance jullie kant op.”
De AED deed pas na de derde schok zijn werk
De anderen keken elkaar eventjes vertwijfeld aan. Had reanimeren nog wel zin? Wilma vertoonde geen enkel teken van leven meer. “Gelukkig zijn ze tóch gaan reanimeren. Het was zorgelijk: de AED deed pas na de derde schok zijn werk. Mijn hart begon weer te kloppen, en met loeiende sirenes werd ik naar de intensive care gebracht.”
Wilma kwam er gelukkig doorheen. Na drie weken mocht ze naar huis. De artsen hadden geen flauw idee waardoor ze een hartstilstand had gekregen. Daarom kreeg ze voor alle zekerheid een S-ICD (een inwendige defibrillator), die een schok zou afgeven als haar hart opnieuw zou stilvallen. Amper vier weken later was het al raak.
Wilma kijkt naar buiten, de zonnige tuin in, en vertelt: “Ik zat thuis op de bank naast André, mijn man, achter mijn laptop. Ik kon nog net ‘Het gaat niet goed’ uitbrengen voordat ik omviel.”
André kon haar net op tijd opvangen, maar de laptop knalde op de vloer. Na ruim twintig seconden gaf de defibrillator inderdaad een schok. Wilma’s hart begon weer te kloppen. Opnieuw belandde ze in het ziekenhuis. Haar zo moeizaam opgebouwde conditie was weer in één klap weg.
Met een hand op haar borst: “Dan besef je haarscherp: ik heb een probleem waaraan ik kan overlijden.”
Je knippert nog één keer met je ogen en je bent weg
“Iets als een duizeligheid of misselijkheid die ineens opkomt. Je knippert nog één keer met je ogen en je bent weg. Zeker na die tweede keer heb ik ontdekt wat angst is.”
“Wel op dat niveau. Het is pure doodsangst: overleef ik dit wel? Blijkbaar kan het leven zomaar opeens stoppen.” Ze zucht. “Dat gaat zo ontzettend diep. Ik wilde léven, ook als echtgenote en moeder van drie zoons. Deze angst was inderdaad nieuw. En ongelofelijk spannend. Voor mijzelf was het trouwens ook een proces van leren en ontdekken: hoe kun je Gods aanwezigheid ervaren terwijl je zo ontzettend bang bent?”
Ze lacht, terwijl de merels buiten fluiten. “Het mooiste is natuurlijk als je bidt en – bám! – je angst verdwijnt direct. Maar wat als dat niet gebeurt? Ik weigerde met die angst te leven. Alleen wist ik niet hoe ik ervan af kon komen. Een boek van een gelovige hersendeskundige, Caroline Leaf, heeft me daarbij geholpen: Switch on your brain. Haar praktische handvatten brachten mij wat rust. De angst verdween niet, maar schoof wél meer naar de achtergrond.”
Iets anders waar Wilma mee worstelde, was vermoeidheid. Als hartpatiënt moest ze daar voortaan dagelijks mee dealen. Traplopen voelde al als een uitputtingsslag. “Ik was vastbesloten terug te komen op mijn oude niveau. Elke ochtend stond ik daarom rond kwart over zes op om te zwemmen, hard te lopen of krachttraining te doen. En daarna nam ik tijd voor gebed en Bijbellezen. Stapsgewijs bouwde ik, dankzij dit ritme, mijn conditie weer op. Ondertussen bleef ik onder controle en waren er onderzoeken. Het was nog steeds onduidelijk wat de bron was van mijn hartproblemen. Pas veel later ontdekten ze dat het met een auto-immuunziekte samenhing.”
De jaren erna bleef Wilma bezig met spreken, schrijven en schilderen. Wel moest ze dagelijks haar grenzen blijven bewaken. Tot het in 2022 opnieuw misging: haar conditie kelderde en ze werd akelig benauwd. De cardioloog sprak over ‘ernstig hartfalen’.
“Dat er aan mijn linkerhartkamer een dood deel zat, ter grootte van een speelkaart. En dat die kamer het bijna niet meer deed. Ten opzichte van een gewoon hart, functioneerde het mijne nog maar op zeventien procent. De boodschap was dat ik zo snel mogelijk geopereerd moest worden, om dat dode deel weg te halen. In de hoop dat daarmee de belasting van mijn hart een stuk minder zou worden. Dat was een zware ingreep, zonder garantie op overleving. Wel met aanzienlijke kans op complicaties.”
Wilma ziet zichzelf nog zitten, naast André, in de spreekkamer van de cardioloog. Vanachter zijn bureau legde hij de procedure nog eens uit, keek haar over de rand van zijn bril aan en zei: “Weet u wel dat u hieraan kunt overlijden?” “Dat weet ik”, antwoordde Wilma. “Maar ik kan het ook overleven.”
Er was slechts één chirurg die deze specifieke hartoperatie kon uitvoeren, vertelt ze. “Die was na afloop erg blij dat de operatie was geslaagd. Maar één dag later ging het alsnog helemaal mis. Ik kreeg de ene na de andere hartstilstand.”
Reanimatie op reanimatie volgde. Het was telkens kantje boord. “Jullie zullen afscheid van haar moeten nemen”, kregen André en hun drie zoons te horen.
“Dat hoorde ik later pas. Kort daarna kreeg ik opnieuw ernstige hartritmestoornissen. Opeens stond mijn ziekenhuiskamer vol mensen. De cardioloog verzekerde me: ‘We gaan je helpen.’ Dan moet je jezelf eraan overgeven. Alles loslaten. En vertrouwen.”
“Op de mensen die voor mijn leven vochten. Maar vooral op God.” Met stralende ogen: “Ik dacht op datzelfde moment: ik ga de Heer prijzen: ‘U bent zo goed voor me, en U zorgt voor mij.’”
O, o, misschien ga ik nu alsnog dood
“Zeker: ‘U gaat gewoon voor mij zorgen – dit is niet mijn laatste dag.’”
“Voor André en onze zoons was het anders. Zij voelden veel meer die angst om mij te verliezen.”
Wilma gaat verzitten en legt uit: “Als je zelf ergens in zit, beleef je het anders dan de geliefden om je heen. Natuurlijk was ik ergens ook wel bang. Ik wil mezelf niet stoerder voordoen dan ik ben. Maar ergens… was het een bewuste keuze. Ik kon ervoor kiezen om te zeggen: ‘O, o, misschien ga ik nu alsnog dood.’ De enige opdracht die ik kreeg, was: ‘Blijf heel rustig liggen, zodat het niet nog zwaarder wordt voor je hart.’ Toen dacht ik: de enige bij wie ik nu kan zijn, is bij de Here God. Bij Hem alleen.”
‘Here Jezus, U moet echt nú helpen – grijp in!’
“In stilte ging ik ook iedereen zegenen die daar rondom mijn bed stond. Ze gaven me allerlei spuiten, tegen die hartritmestoornissen. Dat mislukte steeds. Na de negende injectie zei de cardioloog: ‘Als ook de volgende niet lukt, brengen we je onder narcose en helpen we je op een andere manier.’ Toen riep ik in gedachten: ‘Here Jezus, U moet echt nú helpen – grijp in!’”
Grinnikend: “Op zo’n moment zijn mijn gebeden heel kort, hoor! En, zo wonderlijk: na die tiende prik schoten alle meters op de monitors naar normaal. Meteen een feestje in de kamer: eindelijk ging het goed! Dat waren intense momenten, ook die ontlading. En ik lag daar maar, verwonderd en stil.”
Zo’n twee uur later stond de cardioloog naast Wilma’s bed, en vroeg: “Hoe kan het dat jij zo ongelofelijk rustig bleef op zo’n hectisch moment? Was je aan het mediteren?”
“Ik antwoordde: ‘Ik hoef die rust gelukkig niet in mezelf te zoeken, maar volledig in God. Hij is de bron van rust.’”
Wilma stopt een losse haarlok achter haar oor en zegt: “Dat is de kracht van het geloof: je mag weten dat God kan ingrijpen op manieren die je vooraf niet kunt bedenken. In Psalm 23 zegt Hij als het ware: ‘Zelfs al ga je door een dal vol duisternis, Ik ben erbij.’ Niet: ‘We gaan kamperen’ of ‘Ik heb een hotel in dat dal geboekt.’ Alleen: ‘We gaan er samen doorheen.’ Als je in een donkere kamer bent en een lichtje aandoet, merk je dat veel meer dan wanneer je in een zonnige kamer zit.”
Misschien is dat dal vol duisternis wel dé metafoor voor wat toen nog in het verschiet lag: een harttransplantatie.
Afgelopen februari was het zover. Enkele uren nadat de cardioloog had gebeld dat er een donorhart voor haar was, lag ze op de operatietafel. “Om middernacht begonnen ze aan de transplantatie. De operatie was complex, risicovol en duurde urenlang.”
“Dat ik hoorde dat het allemaal goed was gegaan, en ik een nieuw hart had.” Fronsend: “En dat kort daarna de cardioloog binnenkwam: ‘We moeten je per direct opnieuw opereren. Jouw rechterhartkamer werkt niet goed en je nieren beginnen te falen.’ Dit was het absolute dieptepunt. Alles opnieuw openmaken? Grote angst, zowel bij mij als mijn geliefden: ga ik nu toch dood? Gelukkig ging die operatie goed. Maar daarna had ik totaal geen energie meer.” Ze wijst omlaag. “Ik kon letterlijk mijn been geen centimeter opschuiven. Ik moest gewassen worden, kreeg een luier om…”
Ik had zelfs geen energie om te huilen
“Als je zó dicht bij het snijvlak van leven en dood bent, maakt dat allemaal niet meer uit. Tenminste: voor mijzelf niet. Wat ik wel heel moeilijk vond, waren de nachten op de ic. Die duurden zo ontzettend lang. Ik zag uur na uur voorbijgaan. De zuster kwam een keer naar me toe. ‘Wat kreun je toch hard?’ vroeg ze. ‘Je buurman kan er niet van slapen. Wat is er?’ Ik zei: ‘Ik ben zó naar.’ Ik had zelfs geen energie om te huilen. Praten kon ik amper. Die eerste dagen waren sowieso loodzwaar.”
“Al jarenlang ervaar ik elke dag als een geschenk”, zegt ze even later. “Ik heb al heel jong een roeping van God ontvangen: anderen bemoedigen, en het evangelie doorgeven. Dat is zo’n mooi geschenk. Daar ben ik zuinig op. Vandaar dat ik graag werk aan mijn geestelijke en lichamelijke conditie. Zodat ik kan delen wat ik heb ontvangen.”
“Ik heb een hele sorteerbak aan medicijnen, onder andere prednison. Volgens de artsen moet ik die altijd blijven slikken.”
We hebben een God van wonderen
“Ja. We hebben een God van wonderen. Misschien gebeurt er wat dit betreft nog eentje. Na zo veel hartstilstanden is mijn leven sowieso al een groter wonder dan ooit.”
“Het leven is niet maakbaar, daar ben ik zelf hét voorbeeld van”, benadrukt ze. “Dat leerde ik trouwens al heel vroeg: mijn oudere zus is gehandicapt... Alleen al het feit dat ik hier zit en met jou kan praten, is puur genade.”
Wilma’s stem krijgt iets breekbaars. “Ja, ik had hieraan kunnen overlijden. En dan nóg was God zo’n ontzettend goede Vader voor mij geweest – van begin tot eind.” .


Kom op 5 juni naar het grootste worshipconcert van Nederland
Ontdek meer