
Leestijd: 3 minDoor Jan Martijn Abrahamse
“Wat moet je ook alweer doen als je je telefoon in de wc-pot hebt laten vallen – ik vraag dit voor een vriend.” In een appgroep met mijn vrienden is dit inmiddels een terugkerende grap geworden: de klassieke ‘ik vraag dit voor een vriend’-smoes voor foute vragen. Bedoeld om gezichtsverlies te voorkomen, terwijl iedereen allang doorheeft dat je het over jezelf hebt.
De overdenking van vandaag gaat over 1 Samuel 23:1-28.
1 Samuel is, hoe dramatisch ook, óók een verrassend grappig boek. De achtervolgingsscènes tussen Saul en David hebben soms iets slapstickachtigs: dezelfde handelingen herhalen zich bijna mechanisch en zitten vol subtiele grappen. In 1 Samuel 19 vers 19 tot 21 stuurt Saul drie keer een groep soldaten op David af, en drie keer raken ze door Gods Geest in trance. Uiteindelijk gaat Saul zelf, met precies hetzelfde resultaat. De tragiek van zijn leiderschap krijgt zo een komische glans binnen Gods verhaal met David.
Steeds opnieuw hoort Saul waar David zich ophoudt, mobiliseert zijn leger en zet de achtervolging in, en steeds opnieuw glipt David net op tijd weg. Zo ook in onze tekst. Het contrast tussen beiden wordt alleen maar scherper. 1 Samuel 23 opent met David die bij dreiging van de Filistijnen direct de Heer raadpleegt. Saul daarentegen hoort dat David in de buurt is en concludeert meteen dat God hem aan hem heeft uitgeleverd (23:7), terwijl de verteller laat weten dat het tegendeel waar is (23:14). Toch blijft Saul het proberen. Wanneer hij opnieuw hoort waar David zit, lijkt hij eindelijk succes te hebben: David wordt van twee kanten ingesloten. Maar net voordat de val dichtklapt, wordt Sauls aanwezigheid elders gevraagd en vliegt de vogel weer weg.
Wij als lezers zagen dit al aankomen. Want te midden van dit kat-en-muisspel staat Jonatan op, opnieuw de stem van wijsheid en nederigheid. Hij ziet helder wat er werkelijk speelt: God staat aan Davids kant. En dan dat subtiele zinnetje: “En dat weet mijn vader zelf ook” (23:17). Jonatan doorziet Sauls innerlijke strijd.
Dat blijkt ook wanneer de inwoners van Zif Saul tippen over Davids verblijfplaats. Saul reageert met: “… men heeft me verteld dat hij bijzonder listig te werk gaat” (23:22). Men heeft me verteld. Het is de koninklijke variant van ‘ik vraag dit voor een vriend’: een wanhopige poging om zijn gezicht te redden. In werkelijkheid verraadt Saul hier zijn hart. Maar hij kan het zichzelf niet toestaan dat hardop toe te geven. Zo groeit Saul uit tot het malle karakter in het verhaal van David.
De grap wordt in de Bijbel vaker gebruikt om de dwaasheid te tonen van wie zich hoogmoedig tegen Gods weg verzet. En wie zichzelf zo serieus neemt als Saul, ziet daar dan de grap niet van in.
