
Leestijd: 5 minDoor Jurjen ten Brinke
Vanuit het Bijbelboek Ezechiël klinken ernstige woorden. De profeet wordt door God als wachter aangesteld: hij heeft de verantwoordelijkheid om mensen die verkeerde dingen doen terecht te wijzen.
Of dat nu ‘slechte mensen’ zijn of ‘goede, rechtvaardige mensen die de fout in gaan’. Ezechiël is medeplichtig als hij er weet van heeft en hen níét waarschuwt; tegelijk geldt dat hij zijn ziel vrijpleit als hij die persoon waarschuwt voor de goddeloze weg die hij gaat.
De wachter-metafoor komt uit de oude wereld, waar wachters op stadsmuren gevaar moesten signaleren. Hun taak was niet het gevaar tegenhouden, maar alarm slaan. Ezechiëls verantwoordelijkheid ligt dus in het trouw doorgeven van de boodschap. Daarmee is ‘wachter-zijn’ nog geen gemakkelijke opdracht; het vraagt moed, durf en zelfverloochening. Maar ook diepe, niet-zoetsappige liefde voor de ander. Het gaat hier over het verlangen dat iemand zichzelf niet kapotmaakt, maar het door God bedoelde léven ontvangt. Waarschuwingen doen ertoe; iemand kan zich immers bekeren en de juiste weg inslaan.
De spannende vraag is natuurlijk: wie mag wie corrigeren?
Binnen het jodendom wordt dit gedeelte gezien als een beschrijving van de profetische verantwoordelijkheid: een profeet mag de waarheid niet verzwijgen.
Binnen veel christelijke tradities wordt de wachter-rol, afhankelijk van de kerkelijke context, breder toegepast op geestelijk leiders, predikers of ook gewone gelovigen die de verantwoordelijkheid voelen om anderen te wijzen op morele of geestelijke gevaren.
We leven niet meer in de tijd waarin God profeten op pad stuurt, zoals in het Oude Testament; zij hadden aanzien tot aan het koningshuis toe. Maar ook in het Nieuwe Testament lezen we dat Gods Geest mensen profetische gaven geeft. In de podcast Vraag het Jurjen (aflevering 5) ben ik uitgebreider op de verantwoordelijkheden van deze mensen ingegaan. Als het gaat om het aanwijzen van zonde in het leven van anderen, is het van belang óók andere Bijbelverzen in ere te houden – zoals Matteüs 7, waar Jezus waarschuwt voor het te veel gefocust zijn op de splinter bij de ander, terwijl je zelf een balk in je oog hebt.
Dat neemt niet weg dat (bijvoorbeeld in de brieven van Paulus en Petrus) nadrukkelijk opgeroepen wordt elkaar waar nodig te corrigeren. Uit liefde en zonder je boven de ander te verheffen. Al is het maar om wat tegenwicht te bieden aan het denken in onze cultuur: dat iedereen zelf mag weten wat hij of zij doet of wil. Met die gedachte maakt de Bijbel korte metten. Liefde is óók terechtwijzen.
Met wie moet jij eens praten? Of… welke vermanende woorden in jouw richting zou jij serieuzer moeten nemen?
