Ga naar submenu Ga naar zoekveld

Een dagje mee met de dierenambulance: dierenfeitjes, anekdotes en avonturen

“Als er iets heftigs aan de hand is, trap ik het gaspedaal in.”

Nederlandse dierenambulances zijn uniek in de wereld. Gedragen door vrijwilligers en gesteund door donateurs helpen ze dieren in nood. Visie loopt een dag mee met de Haagse chauffeur John Buijs. “Als er iets heftigs aan de hand is, trap ik het gaspedaal in.”

Deel:

Klagelijk gemiauw klinkt uit een van de kooien. Met grote ogen kijkt een spierwitte kat ons strak aan. Lang blijven we niet, want dierenambulancechauffeur John Buijs heeft meer te doen. In een razend tempo leidt hij zijn bezoekers door het dierenhospitaal in Den Haag. Eerst langs een gigantische hoeveelheid katten (het asiel heeft een opvangstop, dus belanden ze in het hospitaal), vervolgens langs honden, vogels, reptielen, de meldkamer, het restaurant en wat kantoren.

Gespierde armen

Met zijn heldere ogen, geblondeerde haar en gespierde armen is John een opvallende verschijning. Begonnen als een van de tweehonderd vrijwilligers, is hij nu in dienst als ambulancechauffeur bij Dierenambulance & Dierenhospitaal Den Haag. Dagelijks redt hij dieren. Maar, vertelt hij nadat hij achter het stuur van de ambulance heeft plaatsgenomen, óók voor hem was deze baan een soort redding.

Terwijl hij kalm en vakkundig door de stad manoeuvreert, schetst hij in grove lijnen zijn levensverhaal. Als telg uit een bekende Volendamse familie kon hij het niet verkroppen dat hij op mannen valt. Daarom wilde hij stoer en succesvol worden. John schopte het tot professioneel kickbokser, verdiende goudgeld als ondernemer, maar zonk weg in een alcohol- en cocaïneverslaving. Droogjes vertelt hij: “Ik ben met cocaïne in Duitsland gepakt, met wapens in Noorwegen en ben met de auto over de kop geslagen in Zweden.”

Uiteindelijk belandde hij met zware schulden in een afkickkliniek in Den Haag, waar hij iemand zag lopen van de dierenambulance. Dat leek hem wel wat. Hij begon er als vrijwilliger en is er nooit weggegaan.

“Ooit verdiende ik tienduizend euro per maand, nu zo’n vijftienhonderd euro. Maar het geluk dat ik hier heb gevonden is twintig keer zoveel waard. Op Volendam zeggen ze: ‘Tjonge, wat ben jij een ander mens geworden. Zo rustig kennen we je niet.’”

Eigenwijze vogel

Op het scherm van zijn telefoon ziet John meldingen binnenkomen. In dit geval gaat het om een pauw die zich al twee dagen verschanst op het dak van een Rijswijkse villa. We rijden erheen.

De beheerder en een vrijwilliger van de nabijgelegen kinderboerderij staren naar het dak, waarop de vogel parmantig paradeert. Hun pogingen hem met voer te lokken liepen op niets uit en de eigenaren van de villa zijn op vakantie, dus de mogelijkheden om het dier te bereiken zijn minimaal.

John belt de brandweer als de pauw naar beneden fladdert, de riante tuin in. Gewapend met een groot net klautert John over het hek en sluipt richting de pauw. Maar zodra hij dichtbij is, vliegt de eigenwijze vogel prompt naar boven.

Een groepje buurtgenoten volgt alles met plezier en het nodige commentaar, helemaal als de hoogwerker van de brandweer arriveert. Als het bakje met daarin John en een brandweerman vlak bij de pauw is, vliegt-ie verder naar het volgende villadak. Anderhalf uur na aankomst besluiten brandweer en John gezamenlijk dat dit kat-en-muisspel geen zin heeft. De pauw moet zelf maar beslissen wanneer ze naar beneden komt. Op naar de volgende melding.

Dikke knuffel

John is niet de enige die onderweg is: vijf dierenambulances rijden overdag door de stad om dagelijks zo’n veertig dieren te helpen. De meeste collega’s doen dat vrijwillig. Van de tweehonderd medewerkers zijn er maar vijftien betaald in dienst. Hun salaris wordt bekostigd door trouwe donateurs. Net als de gloednieuwe ambulance waarin we rustig door Den Haag rijden.

Onze volgende stop is een vervallen appartementencomplex naast het Zuiderpark. Buiten staat een rechercheur van de dierenpolitie. De eigenaar van een hond is vanochtend gearresteerd en het dier heeft dringend hulp en onderdak nodig.

Het blijkt te gaan om een grote, zwarte herdershond-achtige. Op zijn staart, achterpoot en flank zitten wonden, maar het beest lijkt vooral blij te zijn met de aandacht van John. Kalm kwispelend hinkt hij achter hem aan. John overlegt met de rechercheur wat er het beste met deze gehavende viervoeter kan gebeuren.

Nog geen kwartier later bekijkt een dierenarts van het Haags Dierencentrum de verwondingen. De hond mag blijven. Enthousiaste vrijwilligers geven hem een dikke knuffel en nemen hem mee naar zijn nieuwe verblijf. Opnieuw blijkt de Nederlandse dierenhulp afhankelijk te zijn van liefdevolle vrijwilligers.

‘Niet meer te redden’

Op naar het volgende dier in nood: een duif met een gebroken vleugel. De melder, een stevig getatoeëerde man met paardenstaart en metal-shirt, heeft de vogel voor zijn deur gevangen en in een doos in zijn schuur geparkeerd, naast zijn zware motor.

Bij binnenkomst walmt een rottingslucht ons tegemoet. “De duif”, verduidelijkt John. “Zijn wond is aan het etteren.” Hij pakt het beestje voorzichtig op en bekijkt zijn vleugel. “Een volledige, open breuk. Die is niet meer te redden.” Hij wijst. “Kijk, vogels hebben lichte, holle botten. Als die breken, is het goed mis. Zelfs als je met veel geld, pijn en moeite de breuk zou kunnen zetten, blijft het een zwakke plek.” De duif moet naar de dierenarts om geëuthanaseerd te worden. Ook dat is onderdeel van dit werk.

John blijkt een eindeloze bron van dierenfeitjes, anekdotes en avonturen. We leren dat gedumpte waterschildpadden in Nederland niet lang overleven omdat het hier te koud is (“ons klimaat zorgt voor een martelgang van zes tot zeven jaar, die uitmondt in de dood”), dat Den Haag een grote populatie zwerfkatten heeft (“die vangen we, castreren we en laten we weer vrij”) en wat botulisme is (“een bacterie die bij warm weer in het water actief wordt en watervogels ziek maakt”). De duif laten we achter bij een dierenarts, de reis gaat verder.

Serieuze nood

Nu volgen wat routineklussen: een gevonden, spierwit konijn en een zoektocht naar een gewonde duif, die bij aankomst gevlogen blijkt. “Waarschijnlijk zat-ie gewoon te slapen”, bromt John.

Tijd voor een pauze. De ambulance is nog maar net geparkeerd als er een spoedmelding binnenkomt: wandelaars hebben een buizerd op het gras naar adem zien happen. John springt meteen in de ambulance.

Het gemoedelijk cruisen is over, het tempo gaat omhoog. “We zijn geen voorrangsvoertuig zoals politie- of brandweerauto’s. Maar in geval van nood mogen we wel bijvoorbeeld door parken, langs pollers of over fietspaden. Uiteraard rijden we netjes en houden we ons aan de verkeersregels. Maar als er iets heftigs aan de hand is, trap ik het gaspedaal in. En als een vogel naar adem hapt, is er serieuze nood.”

Messcherpe klauwen

Aan de rand van een Zoetermeers park staat een vrouw te wachten. Tijdens een wandeling zag ze de vogel zitten en belde ze de dierenambulance. De oranje zwaailichten gaan aan, via fiets- en wandelpaden bereiken we een grasveldje. Daar zit een indrukwekkende, bruin gevlekte vogel in elkaar gedoken, de tong hangt half buiten de happende snavel. De buizerd reageert amper op de naderende mensen.

John trekt een paar dikke handschoenen aan. “Die klauwen zijn messcherp,” vertelt hij, “die snijden zó door je vinger.” Met een soepele beweging gooit hij een groot net over de vogel. Voorzichtig pakt hij het dier op, dat futloos naar John pikt, wat klapwiekt en dan berust in zijn plekje op de handschoen. John kijkt in zijn keel, maar ontdekt niet direct wat er aan de hand is. “Het kan het geel zijn, een parasiet die ontstekingen veroorzaakt in de keel. Daar stikken vogels door. Maar ik zie geen gele uitslag.” Daar moet een expert naar kijken. Dus gaat de vogel in een bench achter in de ambulance. John rijdt met gezwinde spoed terug naar Den Haag.

Dan gaat zijn telefoon: of hij een aangereden, overleden kat wil ophalen. “Dat heeft geen haast. Eerst de buizerd”, reageert hij. Vogelopvang De Wulp is een internationaal begrip, vooral befaamd om het schoonmaken van vogels die onder de olie zitten. John is er, naast zijn werk als ambulancechauffeur, wekelijks te vinden als vrijwilliger en geeft vol trots een snelle rondleiding terwijl de buizerd wordt nagekeken. Eenmaal terug in de wagen rijdt hij rustig naar het opgegeven adres.

‘Ach, wat verdrietig’

Op de stoep zit een echtpaar verslagen naast het lichaam van een zwart-witte poes. Met betraand gezicht aaien ze het dode diertje. Op een paar passen afstand staat een buurman stil toe te kijken. John parkeert zijn wagen en hurkt naast het stille groepje. “Dit was uw kat? Gecondoleerd”, zegt hij zacht.

Het echtpaar vertelt hoe de kat – Luna – gevonden werd. John bekijkt het beestje. “Ze heeft niet geleden”, benadrukt hij. “Haar nagels zijn niet gesleten en er is weinig bloed.” Voorzichtig legt hij de pootjes bij elkaar en sluit de oogjes.

Rustig legt hij uit wat de mogelijkheden zijn. Ze kunnen het poesje meegeven met de dierenambulance, zelf begraven of zelf naar het dierencrematorium brengen. Het echtpaar weet het niet. Een paar keer vraagt de man of John zijn woorden wil herhalen. Maar de praktische vragen die John stelt, blijken het echtpaar te helpen. Ze kunnen iets doen: een doos pakken om Luna in te leggen, een beslissing nemen over het afscheid.

Een buurvrouw loopt langs: “Ach, wat verdrietig!” Dan neemt de stille buurman het woord. Hij vertelt hoe Luna dagelijks langskwam, op zoek naar aandacht en op muizenjacht. Geëmotioneerd: “Dit was de eerste kat waarvan ik merkte dat ze me begreep als ik tegen haar sprak.” De tranen stromen, de buren geven elkaar een knuffel.

Als John even later weer instapt, is hij voor het eerst die dag een tijdje stil. Dan zegt hij: “Dit zijn lastige momenten. Maar het is goed om op zo’n moment iets te betekenen voor deze mensen.” Hij tikt op het schermpje van zijn telefoon. Deze melding is afgehandeld. Op naar de volgende.

Geschreven door

Pieter-Jan Rodenburg

--:--