
Toerist in eigen land
Leestijd: 8 minDoor Pieter-Jan Rodenburg
Deze zomer vraagt Visie aan lezers: leid ons rond door jouw stad of dorp. Vandaag toont voormalig koster Eef Van der Poel enthousiast haar woonplaats, het voormalige vissersdorp Huizen in het Gooi. “De belangrijkste vraag die je kunt stellen is: ‘Van wie ben jij er eentje?’”
Nog voordat we op stap gaan door Huizen moet Eef Van der Poel (70) een paar dingen duidelijk maken. Allereerst: je hebt het over Huizers, niet Huizenaren of Huizenezen. En ja, het is Eef Van der Poel met een hoofdletter V. Een typisch Huizer achternaam (net als Rebel, Bakker en Schaap). Waarom die hoofdletter er per se in moet, weet ze ook niet, maar belangrijk is het wel.
Ze zegt het met pretlichtjes in haar ogen. Eef is net zo vrolijk en opgeruimd als haar kleding en haar helderrode sieraden. Op het terras van restaurant Hof van Huizen vertelt ze bevlogen over haar dorp. Eerder was ze koster en werkte ze in de gehandicaptenzorg, tegenwoordig leidt ze in haar vrije tijd groepen rond in Huizen. “Ik ontdekte pas na mijn vijftigste, toen ik gestopt was met werken, hoe leuk ik het vind”, lacht ze. “En als geboren en getogen Huizer geef ik nét een ander inkijkje in het dorp dan andere gidsen.”
Dat inkijkje begint dus bij restaurant Hof van Huizen. Op deze plek zit al eeuwen een uitspanning, weet Eef. Nu is dit de rand van het centrum, vroeger de rand van het dorp. “Hieromheen lagen akkers. Huizen was eeuwenlang een boerendorp.” Pas later kwamen de vissers, vertelt ze. “Van oorsprong was Naarden de stad met een haven, maar die lieten hun rechten versloffen. Toen zeiden de Huizers: dat willen wij wel. Dus kreeg Huizen een haven, in 1854. Vanaf toen werd visserij een belangrijke inkomstenbron, totdat met de aanleg van de Afsluitdijk de Zuiderzee veranderde in het IJsselmeer.”
We wandelen met Eef het dorp in. Onderweg groet ze links en rechts mensen, af en toe volgt een kort praatje. Dan vraagt ze bijvoorbeeld: “Ben je al verhuisd? Zit er al snel aan te komen, zeker?” Of ze informeert naar de gezondheid van een naaste. Haast verontschuldigend legt Eef uit: “Dat komt ervan als je jarenlang koster bent geweest. Dan ken je gewoon veel mensen.”
Achter zo’n rijtje mutsen zag je niks meer van de dominee
Verder gaat de tocht, langs de Oude Kerk, die op een terp is gebouwd – een van de laatste uitlopers van de Utrechtse Heuvelrug, die hier eindigt. “Huizen is vanouds een protestantse enclave in het katholieke Gooi”, duidt Eef. “Nog steeds is het best kerks, al neemt de kerkgang wel af.”
Ze loopt richting een bronzen beeld, dat naast de kerk tussen de bomen staat: een rijtje vrouwen in klederdracht. Het beeld heet ‘Kerkgang’. Eef: “Ik heb een keertje een groep oudere vrouwen uit buurgemeente Laren rondgeleid door Huizen. Die vertelden dat zij op zondag naar Huizen gingen om de kerk uit te zien gaan. De Huizer vrouwen liepen dan breed over de weg, met hun hoge, hagelwitte kappen. Maar, zeiden ze, als je niet oppaste, kreeg je stenen naar je hoofd. Want de Huizers voelden er niks voor om zich als een soort toeristische attractie te laten bekijken. En al helemaal niet op zondag.” Wat opvalt aan het beeld, zijn de hoge en brede mutsen van de vrouwen. “Ik zat als kind weleens achter zo’n rijtje mutsen. Dan zag ik niks meer van de dominee.”
Langs de kerk lopen we door de Oranje Weeshuisstraat – genoemd naar het voormalige weeshuis dat er staat – naar de Brassershoeve: een trots, kloek gebouw met een rieten dak. “Dit is een typisch voorbeeld van een boerderij in het dorp zoals je er veel ziet”, doceert Eef. “Een krukhuisboerderij. Net als bij een deurkruk heb je een lang en een breed gedeelte.” Ze wijst naar de driehoekige baksteenpatroontjes onder de dakrand. “Boerenstrekkingen, noem je die. Die zorgen voor net wat meer stevigheid. Let maar eens op: je ziet ze overal in Huizen.”
Eef troont ons mee naar binnen. Want deze historische boerderij is tegenwoordig een activiteitencentrum voor 55-plussers. Onder de houten balken staan tafeltjes met kleedjes, een bar waar koffie wordt geschonken en een paar biljarttafels. Aan de muur hangen oude landbouwwerktuigen. “En kijk, daar hangt Buurvrouw Pietje”, gebaart ze glimlachend naar een schilderij van een vrouw in klederdracht. “Zij woonde naast mijn ouders. Aan het eind van haar leven liep ze helemaal krom, bijna haaks. Ze is bijna 100 jaar geworden.”

We vervolgen onze weg over typische straatnamen: Vletstraat, Schipperstraat en langs het huis van Geesje, de mutsenstrijker, naar de Hellingstraat. Deze vrijgezelle vrouw verdiende haar geld met het strijken van klederdrachtmutsen – een heus ambacht – en het verhuren van de panden die ze bezat. “Ze leefde als een arme sloeber, vies, tussen de kippen,” vertelt Eef vrolijk, “maar na haar dood bleek dat ze stapels papiergeld tussen de kranten had bewaard.”
De belangrijkste vraag die je kunt stellen is: ‘Van wéël bin jij d’r ééntje’
Aan de Hellingstraat zit het huisje van Hansje Dol. Deze onderwijzeres zette zich tijdens haar leven in voor het behoud van ‘het oude dorp’ en wilde dat haar huis en tuin na haar overlijden bewaard bleven. Tegenwoordig onderhouden vrijwilligers dit monument en is het eigendom van de Erfgoedvereniging Heemschut. Mieke Beumer, die bevriend was met Hansje, is een van de vrijwilligers. Vol enthousiasme toont ze het oude dorpshuisje. Met de schrootjes aan de muur, typische Huizer schildpadtegeltjes in de keuken, houten meubels en oude potkachel lijkt het alsof je terug in de tijd stapt. Na een kwartier enthousiaste verhalen van Mieke maant Eef ons voorzichtig naar buiten, de tuin in – op zichzelf al een bezienswaardigheid, want ontworpen door de legendarische tuinarchitect Mien Ruys. “Anders staan we hier morgen nog”, grinnikt ze.
Onderweg naar het Huizer Museum, waar Eef zich als vrijwilliger inzet, stoppen we bij Bakkerij Kruijmer voor wikkelkoek. Dit feestbrood, gevuld met spijs, is een echte Huizer specialiteit. “Ze gaan rond Kerst de hele wereld over”, weet Eef te vertellen. Hetzelfde geldt voor de speculaas. “En onze speculaas is anders doordat er meer suiker in zit. Dan bleef-ie knapperiger op de botters, de houten vissersschepen.”
Na een bezoek aan het Huizer Museum, waar we ons verwonderen over de prachtige klederdracht en de bewogen geschiedenis van dit dorp, voegt een Huizer familie zich bij ons gezelschap. De familie Van Roest neemt een nicht uit Florida en een nicht uit Australië op sleeptouw langs het tuinpad van hun vaderen.
Het zijn échte Huizers. Neef Jan van Roest lacht: “Geen sudeten-Huizers. Zo noemen we import weleens gekscherend.” Hij blijkt ook nog een aardig mondje Huizer dialect te spreken. “De belangrijkste vraag die je kunt stellen is: ‘Van wéël bin jij d’r ééntje’: van wie ben jij er eentje? Uit welke familie kom je? Ik ben bijvoorbeeld Jan van Aart van Jan de slager.” Hij wijst naar een nicht: “En Annette is een Visser, maar daar heb je verschillende soorten van. Zij is geen Muizen-Visser – zo genoemd omdat ze altijd naar de kerk trippelden – maar eentje van het ‘pauwe-gedó’. Die heten zo omdat hun voorouder Paul heette, en het een nogal trotse familie was: net pauwen. Echte Huizers weten nu meteen over wie je het hebt.”
Zo krijgt de rondleiding nóg meer een Huizer tintje. Als we langs een huis in verbouwing lopen, wordt uitgebreid geïnformeerd wie er komen wonen en waar diegene hiervoor woonde. Ondertussen legt Eef iets uit over de muurankers of de bijzondere gevel. We onderbreken de route regelmatig omdat we nog even langs “de slagerij van opa en oma” of “de school van vroeger” lopen. Af en toe komt er een Huizer uitdrukking langs. Neit mie bemeuien betekent ‘niet mee bemoeien’, Van nou en noggerus is zoiets als ‘dat doen we snel nog eens’. Terwijl Jan de uitdrukkingen langsloopt, worden we ineens bijna omvergereden door een jongen op een fatbike: ook Huizen is opgestuwd in de vaart der volken. Jan kent nog wel een toepasselijke uitdrukking: As ’t nijt ingewikkeld is deugt ’t teugesworig gien meer – als het niet ingewikkeld is, deugt het tegenwoordig niet meer. Eef knikt instemmend.

