
Leestijd: 12 minDoor Charlotte van Egmond
De veronderstelling dat het leven alleen maar leuk moet zijn. Dát is volgens psychiater Dirk De Wachter (62) dé ziekte van deze tijd. Hij daagt ons uit om geluk te zoeken in gewonigheid – of soms zelfs in verdriet. Wanneer hij in 2021 geheel onverwachts de diagnose kanker krijgt, moet de verdrietdokter zelf aan de bak.
De zomerregen klettert op de ramen van zijn historische art-nouveau huis, wanneer de professor de deur voor ons opent. In een lichtgrijs pak, met zijn karakteristieke wilde haren, die je eerder aan een rockster dan een psychiater zou toedichten. Sinds zijn bestsellers Borderline Times (2012) en De kunst van het ongelukkig zijn (2019) is Dirk De Wachter een graag geziene gast in binnen- en buitenlandse media en lopen journalisten zijn deur plat.
“Normaal ligt het hier vol met boeken,” wijst hij naar zijn eettafel. “Ik heb het speciaal voor jullie opgeruimd.” Hier thuis, tussen al zijn leesvoer, de statige vleugel, muziek en oneindig veel kunst, is hij het allergraagst. “Wat lezen, wat schrijven, mijn geliefde die thuiskomt. Als jong mens was ik graag alleen, maar hoe ouder ik word, hoe minder goed ik alleen kan zijn. Mijn vrouw is ingebroken in mijn allenigheid. Ik kan niet meer zonder haar.”
Mijn vrouw is ingebroken in mijn allenigheid
Hij pauzeert even. “Het zal ook niet nodig zijn. Zij zal misschien zonder mij moeten kunnen. Ja, ik heb heel veel chance dat ik haar ben tegengekomen. Ik ben een moeilijke, gemakkelijke man. Het is heel lastig om ruzie te maken met mij, omdat ik niet boos kan worden. Ik kan ook niet goed spreken over de echt moeilijke dingen van mijn eigen leven. Dat is frustrerend voor haar. Het is niet zo makkelijk leven met mij. Dat weet ik, maar daarin ben ik heel machteloos. Dus ja, ik heb veel chance. Als ik bij haar ben, voel ik mij wezenlijk gelukkig.”
Net als in Parijs, waar hij zeker vijf keer per jaar komt. Hij hoeft niet naar Bali of de Zuidpool. “Als ik de Thalys uit stap, dan zweef ik. Ik raak de grond niet meer. Mede door het feit dat ik door de chemotherapie mijn voeten niet meer voel. Maar daarvoor zweefde ik ook al.”
Sinds de kankerdiagnose ontbijt hij sober: toast, boerenboter en witte thee. “Ik kan geen nee zeggen,” verklaart hij onze aanwezigheid krap acht maanden na een zeer pijnlijke operatie, die werd gevolgd door maandenlange chemotherapie. Hij voelt zich vandaag wiebelig, geeft hij toe. Hoe een verdrietdokter omgaat met zo’n tegenslag? “De nabijheid van de ander is voor mij het allerbelangrijkste. Allez, mijn vrouw, zonder enige twijfel. En mijn twee geweldige zoons, mijn getalenteerde dochter en mijn kleinkind Céleste, die nu twintig maanden oud is. Dat nieuwe leven heeft voor mij een heel existentiële betekenis. Ik word ouder en ga misschien dood, maar er is nieuw leven. Het gaat voort. En dat geeft een soort fundamentele rust en troost.”
Hoe anders was zijn reactie toen hij de dood op zijn 39e in de ogen keek. “Ik deed mijn consultatie in het ziekenhuis en voelde me echt niet goed. ‘Excuseer me,’ zei ik tegen het echtpaar tegenover me, ‘misschien kunnen we hier afronden.’ Ik wilde mijn agenda pakken voor een nieuwe afspraak, maar ik kon mijn hand niet optillen. Daarop wilde ik de mensen naar de deur begeleiden, maar ik kon mijn been niet meer bewegen. Ik ben ook neuroloog, dus ik wist: dit is een herseninfarct of hersenbloeding. Ik ga dood en dat is vreselijk. Wat moet ik doen? Ik moet mijn vrouw bellen.”
Dirk probeert zijn vrouw, die in Antwerpen als huisarts aan het werk is, via de telefoon uit te leggen wat er aan de hand is. Maar in plaats van woorden komen er alleen maar vreemde klanken uit zijn keel. “Gelukkig is mijn vrouw zeer pienter en op een bepaald moment herkende ze mijn stem. Ik werd in de ambulance gestoken en dacht alleen maar: als ik niet meer kan spreken, wil ik liever sterven. Want als psychiater moet ik kunnen spreken en mijn beroep is heel wezenlijk voor mij. Dat ik geen enkel letsel heb overgehouden, is een grote chance. De afgelopen 22 jaar leef ik in extra time.”
Dit keer kijkt hij de dood niet in de ogen, maar voelde hij haar wel achter zich sluipen, om bij vlagen zijn haren recht overeind te zetten. “Ik wil het nog niet te concreet maken, maar denk er wel vaak over na. Ik wil in een kerk begraven worden en er zal Bach zijn. Natuurlijk wil ik nog zeker twintig jaar leven. Maar nu mijn kinderen groter zijn, zou ik makkelijker kunnen sterven. Het is wel volbracht zo’n beetje. Ik ben niet wezenlijk meer nodig voor mijn kinderen. Mijn wens is nu nog om mijn kleindochter naar school te brengen, zo aan de hand. Misschien wel omdat ik zelf ook soms door mijn grootvader naar de kleuterschool werd gebracht.”
Nu mijn kinderen groter zijn, zou ik makkelijker kunnen sterven
In leven na de dood gelooft hij niet. “Moeilijk om tegen jullie te zeggen misschien,” verontschuldigt hij zich, “maar ik ben een arts, een wetenschappelijk denkend mens, dus ik geloof niet dat we ergens in de hemel voortbestaan. Maar we bestaan wel voort in de geest van de mensen hier. Mijn moeder is al twaalf jaar geleden overleden, maar zij is er nu wel bij, tussen ons. Zoals filosoof Jean-Paul Sartre schreef: De doden blijven bestaan in het leven van de levenden.”
Hij kan erover meepraten. “Ik ben na die zware operatie zeer, zeer ziek geweest en kreeg veel morfine. Ik zag verpleegsters die niet bestonden, zo bleek. Want dan waren ze soms ineens weg. Heel raar. Op zeker moment kwam een goede collega van mij binnen, Guido. Hij ging zitten en babbelde vlot en aangenaam. En ineens dacht ik: Guido is gestorven, aan kanker, en ik was op zijn uitvaart. Ik kreeg er kippenvel van. Ik zei: ‘Guido, excuseer, mag ik u iets raars vragen? Waarde gij niet overleden?’ ‘Ja, dat klopt, maar dat is geen probleem,’ antwoordde hij. Was ik ook dood? Een akelige gedachte. Maar ineens was Guido weg, floep, en was ik weer de psychiater die alles wetenschappelijk kon duiden. Het was blijkbaar een hallucinatie.”

Zijn eigen blik op de dood is er niet door veranderd, maar in de samenleving ziet hij de plek die dood en rouw innemen wel veranderen. “Door de secularisering van de samenleving zijn er heel wat rituelen en symbolen weggevallen. De dood is gemedicaliseerd. Waar mensen twee generaties terug nog thuis stierven en werden opgebaard – de dood als onderdeel van de samenleving – sterven mensen nu in ziekenhuizen. Waar ze vroeger werden gedragen door de pastoor en elkaar, bezoeken mensen nu therapeuten om te vertellen over hun verdriet. Als je na zes maanden nog rouwt, moet je naar de psychiater. De rouw wordt een ziekte.” Zichtbaar verontwaardigd: “Terwijl de rouw tot het léven behoort. Juist omdát we hier tijdelijk zijn, omdat we sterven, krijgt het leven zin.”
We kunnen niet accepteren dat het dagelijks leven af en toe een beetje gewoon en verdrietig is
Dat er voor verdriet, lastigheid, ongeluk en dingen die niet fantastisch zijn eigenlijk geen plaats meer is in onze maatschappij, verklaart de eindeloze wachtlijsten voor de praktijk van Dirk en zijn collega-psychiaters. “We zijn te geobsedeerd met gelukkig zijn. We willen dat alles leuk, leuk, leuk is en lijken niet te kunnen accepteren dat het dagelijks leven af en toe een beetje gewoon en een klein beetje verdrietig is. We hebben allemaal tegenslagen en lastigheden, dat is het aardse leven. Dat gaat struikelend over de last met uw gezondheid, baas, partner, vrienden en kinderen. Vooral met uw kinderen! Als er nooit iets voorvalt met uw kinderen, moet u dringend op consultatie komen. Het gedoe, dat is het leven. Liefst niet te veel natuurlijk, maar het is onvermijdelijk.”
“Je zal denken: wat een trieste boodschap,” zegt Dirk na een hap van zijn toast. “Maar eigenlijk is het een heel mooie boodschap. Want door de lastigheid hebben we nood aan de ander. Doordat het leven lastig is, hebben we anderen nodig die ons liefhebbend en zorgzaam tegemoet treden. Zouden we geen last hebben, dan zouden we de ander niet nodig hebben. Dat zou een verschrikkelijk leven zijn. Ik pleit voor een zorgzame samenleving waar verdriet en rouw een plaats kunnen hebben. Waar het geen taboe is. Waar we bij elkaar terechtkunnen met ons klein verdriet, zodat het zich niet opstapelt en gaat gisten tot een groot verdriet, waar medicatie en psychiaters voor nodig zijn.”
Zouden we geen last hebben, dan zouden we de ander niet nodig hebben
Naast zijn oproep om te spreken over het verdriet en over de lastigheden, heeft hij een nog veel dringender oproep. “Om te luisteren. Tijd maken. Vragen hoe het gaat. En na de standaard reactie ‘Goed’, doorvragen hoe het écht gaat. Of een beetje stil blijven, eventjes van de thee nippen. Juist op momenten dat de tranen kunnen vloeien, ontstaat een bijzonder moment van verbinding. Zo werkt dat ook in de liefde. De liefde toont zich in de lastige dingen. Het probleem van onze maatschappij is dat de lastigheid wordt weggemoffeld in de duisternis. We lijken door te schieten in ‘ikkigheid’, ‘ik kan het helemaal alleen’.”
Of we de ander niet kunnen overweldigen met ons verdriet, vraag ik me af. “Degene die luistert, heeft als het goed is ook weer een netwerk met zorgzame relaties om zich heen, waar hij of zij terechtkan na een zwaar gesprek,” verklaart Dirk. “In een gezonde samenleving, vol netwerken van zorgzame relaties, kan heel wat verdriet worden opgelost binnen de normaliteit. Dan kunnen het etiket en het professionele circuit achterwege blijven. Ik hoop zo dat we in het gewone leven wat meer naar elkaar kunnen luisteren. Gewoon tijd maken, het verdriet meedragen, niet weglopen. Amai, laten we wat meer elkaars psychiater zijn.”
Maar waarmee kunnen we elkaar nog troosten, als kerkelijke gemeenschappen en rituelen massaal wegvallen? “Dan moeten we zelf rituelen maken,” knikt hij beslist. “Anders vervallen we in een soort betekenisloos niets. Mijn generatie wordt nog wel kerkelijk begraven, maar van de Vlaamse jongeren is slechts twee procent kerkelijk. Toch denk ik dat de mens een spiritueel wezen is. Het is zo’n diepe nood, dat er wel iets voor terugkomt. Sommige mensen kunnen in al hun creativiteit betere rituelen bedenken dan kerken dat ooit deden.”
Zoals zijn eigen moeder. “Zij dacht daar veel over na. Ze wilde gecremeerd worden en thuis op de schouw staan. Toen mijn vader ziek werd, ging de urn mee naar het zorgcentrum. Ook hij zou gecremeerd worden, had mijn moeder bedacht, en dan moesten hun assen worden gemengd. Met mijn broer, de kinderen en kleinkinderen, voeren we de zee op. In een speciale pot gemaakt van zeezout – dus niet vervuilend – lieten we hun assen neerdalen naast de Belgische kust, die ze samen zo graag bezochten. Ik heb nog steeds het papier met de coördinaten erop. We lazen teksten en gedichten voor. De mooiste woorden waren van mijn dochter.”
Sommige mensen kunnen in al hun creativiteit betere rituelen bedenken dan kerken dat ooit deden
Zijn ogen schieten vol. “Het was echt heel, heel mooi. Heel betekenisvol. Heel troostend, echt heel mooi. Ik was daar heel erg van geëmotioneerd. Tijdens de uitvaart speelde mijn dochter een stuk van Chopin. Ongelooflijk prachtig. Dat zijn rituelen, symbolen… Daar gaat niks boven. Het is het mooiste wat er is. Raar om te zeggen. Maar door verdriet te kunnen ritualiseren en betekenis geven: daar is de verbondenheid, op een spiritueel, bovenmenselijk niveau. Tja.”
Hij is zelf nog altijd het meest verwonderd en vereerd dat hij met zijn boeken en praatjes volle zalen trekt. “Mijn moeder zou dat wel bijzonder hebben gevonden, maar ze zei ook: ‘Zie dat ge niet naast uw schoenen gaat lopen.’” Zijn verlangen naar het gewonige is misschien wel gewoon een ode aan zijn moeder, concludeer ik. “Ja, zo zie ik dat wel. Wat ik zeg, is heel doodgewoon en evident, dat zegt mijn vrouw ook altijd. Misschien slaat het daarom wel zo aan. Omdat ik bevestig wat mensen zelf al denken. Het is mijn ambitie om ingewikkelde, complexe dingen op een begrijpelijke en toepasbare manier uit te leggen. Dat is iets anders dan simplisme.”
Wat ik zeg, is doodgewoon en evident, dat zegt mijn vrouw ook altijd
Vanuit de academische wereld krijgt hij soms dat verwijt. ‘Daar is Dirk weer met zijn Libelle-praatjes.’ “Heel beledigend vind ik dat, omdat ik ook wel voldoende ijdel ben. Ik schrijf ook gewoon de ingewikkelde wetenschappelijke artikelen die niemand leest. Maar lang niet zo veel als sommige collega’s, die nooit in de media komen.” Hij kan er stiekem ook wel van genieten dat de Nederlandse media uitgerekend Belgische psychiaters citeren. “Jullie Nederlanders zien Belgen toch als een beetje dommer dan gemiddeld. Toch mooi dat wij, de domme Belgen, degenen zijn die de wijsheid komen verkondigen.”
Interview: Griëtte Vonck
Styling en visagie: Joselien Hoogendam
Fotografie: Jeannine Rijsdijk

