
Visie op de Bijbel
Leestijd: 5 minDoor Jan Martijn Abrahamse
Bij Ezechiël moet ik altijd even slikken. Het is een boek dat ik niet gauw opensla. Wij lezen als gezin na het avondeten regelmatig een stuk en proberen dan hele Bijbelboeken door te lezen. Vorig jaar probeerden we Ezechiël, en regelmatig hebben we elkaar vertwijfeld aangekeken. Wat moet je met al die catastrofe-taal?
Wie Ezechiël wil lezen, doet er goed aan zich eerst wat in te lezen. Je moet het boek lezen als een crisisboek waarin een groot trauma overheerst. Ontheemd en verloren vindt een verslagen volk zich terug in het land van hun overwinnaars. Ezechiël is een van hen. Hij komt oog in oog te staan met Gods glorierijke tegenwoordigheid, die hem in dienst neemt om zijn eigen mensen te vertellen dat hun land leeggehaald en verwoest zal worden, en dat ook Jeruzalem met de grond gelijkgemaakt wordt.
Terwijl hij terugverlangt en hoopt op een terugkeer, moet Ezechiël horen en aankondigen dat hun thuisland helemaal geen hoopvol perspectief heeft. Hij spreekt hier, net als eerdere profeten, over “de dag is nabij” (7:10), een dag die onderweg is: “Die tijd komt dichterbij, die dag nadert” (7:12). Die dag is geen etmaal, maar een moment in de geschiedenis waarop er een keer komt. Het is een theologisch begrip dat verbonden is met het hoopvolle moment dat ‘de dag van de HEER’ wordt genoemd.
Tegelijk lijkt deze dag van de Heer hier weinig aanlokkelijk. Hoe zit dat? Ezechiël 7 benoemt precies de krachten die ook onze wereld tekenen: de macht van handel en geld, religie die zichzelf verabsoluteert, oorlog en geweld, ziekte, honger en dood. Al die bronnen van kwaad – zo zichtbaar en voelbaar, en waarmee onze levens zo gemakkelijk verkleefd raken – verliezen hier hun greep. Het einde dat Ezechiël schetst, is niet ‘over en uit’, maar het einde van een toestand. De dag van de Heer is geen volgende bladzijde in de geschiedenis, maar een breuk ermee, zoals een nieuwe morgen het duister van de nacht doorbreekt: het einde van de geschiedenis zoals wij die kennen.
Ezechiël leert ons anders naar de tijd kijken. Niet alleen beweegt de tijd zich voort en wij met de tijd, maar er komt ook iets op de tijd af: iets wat zich van de andere kant aan de geschiedenis opdringt en hoop tot een realistisch perspectief maakt. Het is een manier van kijken die niet terugverlangt naar vroeger, maar vooruitkijkt: God komt. We zitten niet opgesloten in een alsmaar voortgaande tijd waarin de cyclus van onrecht en geweld eindeloos lijkt. We kijken vooruit naar het moment waarvan C.S. Lewis aan het einde van zijn boek Het laatste gevecht schrijft: “De droom is afgelopen: het is ochtend.”
