
Leestijd: 5 minDoor Jan Martijn Abrahamse
Er zijn van die momenten waarop je ergens nieuw bent en meteen voelt: hier hoor ik nog niet echt bij. Mensen lachen om een grap die jij niet begrijpt. Er wordt verwezen naar iets wat blijkbaar iedereen kent – behalve jij. Een insidergrap kan pijnlijk duidelijk maken dat je aan de rand staat.
De vorige keer schreef ik al dat de Bijbel vol humor zit. Dat geldt zeker ook voor het Nieuwe Testament. In de gelijkenissen van Jezus klinkt vaak een komische ondertoon mee: soms subtiel ironisch, soms ronduit absurd. Zijn personages zijn geregeld karikaturen. Denk aan de zelfingenomen farizeeër tegenover de tollenaar, de rijke dwaas, of de onverwachte held in het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Andere beelden zijn bewust overtrokken: een balk in iemands oog, een kameel die door het oog van een naald moet. Het zijn kleine, vreemde scènes – bijna cartoons – waarmee Jezus zijn hoorders niet alleen aan het denken zette, maar ongetwijfeld ook aan het lachen maakte.
In Matteüs 13 gebeurt iets vergelijkbaars. Jezus vertelt over een zaaier die wel heel kwistig met zijn zaad omgaat, zodat een groot deel ervan verloren lijkt te gaan. Zijn leerlingen begrijpen het nauwelijks en vragen Hem: “Waarom spreekt U in gelijkenissen tot hen?” (13:10). Wij denken bij gelijkenissen vaak aan eenvoudige voorbeelden, maar voor de eerste hoorders waren ze juist raadselachtig. Eerder als een grap waarvan je de clou nog niet begrijpt. Waarom zegt Hij het niet gewoon rechtstreeks?
Jezus vertelt deze verhalen juist op het moment dat de weerstand tegen Hem groeit. In het evangelie ontstaat spanning tussen insiders en outsiders. De gelijkenissen functioneren dan bijna als gecodeerde boodschappen. Zoals tijdens de oorlog de berichten van Radio Oranje voor buitenstaanders onbegrijpelijk konden klinken – bijvoorbeeld: “De kinderen van Versteeg moeten onder de wol” – maar ingewijden direct wisten wat bedoeld werd. Zo zien velen Jezus wel, maar herkennen zij niet wie Hij werkelijk is. Daarom spreekt Hij in beelden en raadsels.
Juist via die soms grappige, soms verwarrende verhalen kan Jezus onderwijzen én kritiek leveren, zonder dat iedereen onmiddellijk begrijpt waar het over gaat. Iets van het profetische optreden van Jezus heeft zelfs trekken van een hofnar die de macht een spiegel voorhoudt. Gelijkenissen vragen om meer dan vluchtig luisteren. Ze nodigen uit tot dieper verstaan en tot een andere manier van leven. “Gelukkig zijn jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen” (13:16).
Wie de clou begint te begrijpen, ontdekt dat het niet alleen om een verhaal gaat, maar om een boodschap die om een houding vraagt: om navolging, om leren kijken met andere ogen. Juist daarin draagt het woord vrucht, in een leven waarin iets zichtbaar wordt van het koninkrijk van God.
