
Leestijd: 4 minDoor Jurjen ten Brinke
In diverse evangeliën komt het bekende verhaal voor: de vermenigvuldiging van de broden en de vissen, waardoor een hele menigte mensen te eten heeft.
In de rubriek De Bijbel Open lees je elke week bij Visie een overdenking bij een Bijbeltekst. Jurjen ten Brinke en Jan Martijn Abrahamse wisselen elkaar af.
Overvloed aan brood, gebrek aan geloof
Toen Jezus hiervan hoorde, week Hij per boot uit naar een afgelegen plaats waar Hij alleen kon zijn. Maar de mensen kwamen het te weten, en vanuit de steden volgden ze Hem over land. Toen Hij uit de boot stapte en de grote menigte zag, voelde Hij medelijden met hen en Hij genas hun zieken. Bij het vallen van de avond kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: 'Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen.' Maar Jezus zei: 'Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten.' Ze antwoordden Hem: 'We hebben hier niets, alleen vijf broden en twee vissen.' Hij zei: 'Breng ze naar Mij.' En nadat Hij de mensen opdracht had gegeven op het gras te gaan zitten, nam Hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit en brak de broden; Hij gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze door aan de mensen. Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze twaalf manden vol. Er hadden ongeveer vijfduizend mannen gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld.
Terwijl de leerlingen van Jezus vooral op de tijd letten en zich druk maken over al die mensen die toch op z’n minst iets te eten moeten hebben, heeft Jezus vooral medelijden met hen (vers 14). Dat bepaalt voor een belangrijk deel zijn handelen.
Voor mijzelf ligt de kern van dit Bijbelverhaal in het besef dat ik niet hoef uit te gaan van mijn tekort (want wat zijn nou vijf broden en twee vissen op zo’n schare mensen), maar dat ik mag geloven dat mijn ‘niets’ in Jezus’ handen een levensgroot verschil maakt. Kijk naar wat je hebt en niet naar wat je mist. Toch wil ik vandaag vooral benadrukken dat Jezus een ‘zegengebed’ uitspreekt (vers 19). Wat was dat voor gebed?
In de Joodse traditie wordt dat het ‘beracha’ genoemd. Het gebed waarin God gezegend wordt om wat Hij geeft. Het klinkt als volgt: “Gezegend bent U, God van het heelal, omdat U ervoor gezorgd hebt dat er graan gegroeid is waardoor wij te eten hebben.” Of, als variant: “Gezegend bent U, God van hemel en aarde, omdat U zorgde voor licht en water waardoor er voedsel op de akker kon groeien.”
Zo’n gebed kan ook gebeden worden als er sprake is van ziekte: “Gezegend bent U, grote Heelmeester, omdat U koning bent over alles en dus ook over mijn lichaam. Breng het tot herstel, zoals U het hebt bedoeld.”
Of, als je dankbaar bent voor de vakantie: “Gezegend bent U, God die de rust bedacht heeft en die mij leert dat ik me geen zorgen hoef te maken voor de dag van morgen.”
Met andere woorden: het zegengebed dat Jezus bidt (voordat het wonder plaatsvindt), is gericht op God! Op de Gever, op de Schepper, op de Volmaakte. En daar valt veel van te leren. Ergens in de geschiedenis is hier een iets andere focus ontstaan. Wij ‘zegenen’ ons eten – en dat is op zich niet fout. Maar de Joodse traditie leert ons de Gever van het eten te zegenen.
Bij ons thuis zeggen we het geregeld tegen elkaar, rond de maaltijd: zullen we een ‘beracha’-gebed doen? En eerlijk: ik moest mezelf aan het begin echt inhouden om na dat ‘Gezegend bent U, God, dat U voorziet in een tafel vol eten’ niet toch óók te bidden ‘en zegent U dit eten alstublieft’.
Probeer het eens! Gericht zijn op de Gever in plaats van op het voedsel is oprecht goed!
