
Reportage
Leestijd: 10 minDoor Esther Tims-Van Helden
In Lourdes, het wereldberoemde bedevaartsoord in Zuid-Frankrijk, draait alles om Maria. Pelgrims komen hiernaartoe om te bidden, te hopen en te danken. Als protestant is Visie-redacteur Esther benieuwd wat al die mensen zoeken op deze plek vol kaarsen, rolstoelen en rituelen. Brengt zo’n bezoek hen dichter bij God?
De vroege ochtendlucht is kil en de keitjes op straat zijn nog vochtig van de nacht, als ik Lourdes binnenloop. De bewoners van het bedevaartsstadje slapen nog; de houten luiken van de typisch Franse huisjes zijn gesloten. Hier en daar liggen sporen van de pelgrims die me voorgingen: papieren koffiebekers, een paraplu, een vertrapte roos.
Ik wandel naar het Heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, het bedevaartsterrein rond de grot van Massabielle. Hier zou Maria in 1858 achttien keer zijn verschenen aan Bernadette Soubirous, een meisje van 14. Volgens het verhaal vroeg Maria haar te bidden, boete te doen en bij de grot water te zoeken. Rond die ene grot groeide een compleet heiligdom, met basilieken, pleinen en baden.
Ik zou hier alle kanten op kunnen, maar eerst ga ik naar de mis. Als protestant heb ik dat niet eerder gedaan, afgezien van die ene keer dat ik tijdens een kerkbezoek op vakantie per ongeluk in een viering belandde.
Naast me schuift een ijzeren roldeur ratelend omhoog. Voor zijn winkel staat een oude man, zijn hand nog aan het koord, terwijl achter de roldeur langzaam honderden Mariabeeldjes, sleutelhangers, rozenkransen en wit-blauwe kaarsen verschijnen. Niet alleen deze souvenirs, álles lijkt in Lourdes te wijzen naar Maria, óf naar Bernadette. Posters op de ramen, hotelnamen en zelfs in de straatstenen zitten klinkertjes met het portret van Bernadette verscholen. Ik moet wennen aan deze wondere wereld; Maria is voor mij grotendeels onbekend terrein. Afgezien van de kerstverhalen die ik lees, heb ik me nauwelijks in haar verdiept. Jaarlijks trekken miljoenen katholieke gelovigen naar Lourdes. Ik wil weten wat ze hier zoeken – en wat ze vinden.
Met die vragen in mijn achterhoofd loop ik verder. Als ik via een kleine stenen brug het heiligdom nader, stroomt onder me helder water uit de Pyreneeën. Een lichtgrijs gebouw met drie puntige torens doemt voor me op. Het bouwwerk doet me eerder aan een kasteel denken dan aan een kerk. Tussen de grijze wolken breekt een waterig zonnetje door. Dan verschijnt er een teken aan de hemel: een regenboog welft zich over Lourdes. Ik blijf staan, onder de indruk. Een Franse vrouw met rugzak en waterfles in de hand passeert me, kijkt blij omhoog, wijst naar de lucht en slaat een kruis. “Très très joli”, zegt ze. Heel mooi.
Op het grote open plein voor de rots, het centrum van het heiligdom waar Maria aan Bernadette verscheen, staan rijen stoelen klaar, terwijl zich langzaam steeds meer pelgrims verzamelen voor de eucharistieviering. Ik kan het gevoel niet van me afschudden dat ik hier vooral toeschouwer ben, geen deelnemer. Misschien is het een protestantse huiver: een rots die telkens opnieuw wordt aangeraakt, als bron van kracht, zelfs van genezing?
Een vrouw van middelbare leeftijd legt haar gebloemde sjaal op de grond en knielt erop om te bidden. Een oudere man – grijzend haar onder zijn rieten hoed – heft zijn handen op naar het levensgrote Mariabeeld in de rots. Wat verderop staat een groep mensen in ceremoniële kleding en witte verpleegsterskapjes. Ze wachten geduldig tot ze plaats kunnen nemen in de mis. Sommigen duwen blauwe rolstoelen voor zich uit. Waar kijk ik naar?
Als een jonge vrouw eventjes uit de groep stapt, spreek ik haar aan. Ze blijkt deel uit te maken van de Orde van Malta, een oude katholieke ridderorde die tegenwoordig vooral bekendstaat om zorg en hulpverlening. Er zijn vertegenwoordigers uit de hele wereld; zij komt zelf uit Hongkong. “We zijn hier vooral voor de mensen die het nodig hebben: de zieken, de ouderen”, zegt ze. “Iedereen die hier komt, voelt zich beter. Want je moet geloof hebben om hier te komen, en geloof doet je goed.”
Is dat wat Lourdes mensen geeft? Het gevoel dat de hemel in beweging kan komen, als jij zélf ook in beweging komt?
In een van die blauwe rolstoelen zit een oudere vrouw met wit haar. Ze schikt een gehaakt dekentje over haar benen en kijkt vol verwachting naar de rots, waar intussen alles voor de mis wordt klaargezet. Ik probeer te peilen of ze Engels spreekt. Helaas. Maar dan begint ze enthousiast in het Frans tegen me te praten. Ze heet Yvonne en is 92 jaar. Ze legt een hand op mijn arm en kijkt me aan alsof ze een groot geheim deelt. Uit de flarden schoolfrans die ik nog beheers, maak ik op dat ze vertelt over Bernadette en de diepe liefde die ze bij moeder Maria vond omdat zij juist aan haar verscheen, een 15-jarig meisje uit een arm gezin. De ogen van de vrouw lichten op, alsof ze zich herkent in Bernadette. Dan legt een begeleider een vinger op de lippen en gebaart dat we stil moeten zijn.
De mis begint. Mannen in witte gewaden – priesters vermoed ik – prevelen zinnen die door de menigte plechtig worden herhaald. De sfeer is gedragen, eerbiedig. Achter de rolstoelen houden de begeleiders zich stil op de achtergrond. Ergens ontroert het me: al die mensen met ziekte en nood, van heinde en verre gekomen, zijn hier voor verlichting, voor troost. Dan wordt de muziek opgewekter. “Halleluja, halleluja”, klinkt het. Het voelt warm en vertrouwd. Hoopvol ook. Misschien omdat ik deze woorden vanuit mijn protestantse achtergrond ken, maar heel even voel ik me minder toeschouwer dan daarvoor.
Rechts van de rots waar de mis plaatsvindt, bevindt zich een lange rij waterfonteinen. Hier ontmoet ik Hans en Marga, terwijl Marga met beide handen water in haar gezicht schept. Ze zijn met een grote groep uit het bisdom Utrecht naar Lourdes gereisd. Voor vandaag stond eigenlijk een excursie vanuit het bisdom op het programma, maar die slaan ze over. “We hadden er geen zin in. Even een rustige dag.” Marga wijst naar de klaterende fontein waar ze naast staat. “Het is heel apart: als je dit water op je gezicht doet, is het zó droog.” Ze lacht om mijn ongelovige blik. “Echt waar! Verderop op het heiligdom liggen de baden van Lourdes, gevuld met hetzelfde bronwater als uit deze fonteintjes. Pelgrims geloven dat ook daar iets van de bijzondere kracht van het water voelbaar is: zelfs als je helemaal ondergaat, kom je er volgens velen amper nat weer uit.”
Marga legt uit waarom ze graag naar Lourdes wilde. Haar moeder – die inmiddels is overleden – voelde zich sterk verbonden met deze plek en wilde er altijd heen, maar vond het te ver. “Ik ben hier nu voor haar, en neem haar in gedachten mee.” Hans knikt: “Als je hierheen gaat, ga je nooit alleen. Je neemt mensen mee, niet alleen in je gedachten, maar ook in je gebeden.”
Ze lopen door naar de nabijgelegen Chapel of Candles, waar ik later ook beland. Deze overdekte plaats is speciaal opgericht voor pelgrims, om een kaarsje aan te steken voor gebed en reflectie. Daar zoek ik mijn weg langs honderden flakkerende kaarsen: sommige klein en bescheiden, andere bijna manshoog.
Ik stuit op een luidruchtige familie uit Oxford. Felle shirts, veel tatoeages, de nieuwste New Balance-sneakers. Ze springen meteen in het oog. Toch blijkt onder die uitbundigheid iets kwetsbaars te schuilen. Ze dragen een grote kaars met daarop Pray for all the family (‘Bid voor de hele familie’), en beplakt met foto’s van dierbaren. “Onze vader heeft een beroerte gehad”, zegt een van hen. “Sindsdien kan hij niet meer lopen of praten. Deze kaars steken we aan voor hem.”
Het is niet de eerste kaars die ze hier aansteken. Een van de mannen, Arthur, laat me ook de kaars zien voor zijn overleden vrouw. Op zijn arm staat My beautiful wife getatoeëerd: ‘Mijn prachtige vrouw’. Als ik vraag wat Maria voor hem betekent, hoeft hij geen seconde na te denken: “Ze is de moeder van Jezus. Voor mij is zij de beste manier om bij Jezus te komen: bidden tot zijn moeder. Want een zoon luistert altijd naar zijn moeder.”
Ik glimlach. Ik volg zijn redenering, denk ik. Hij doet er nog een schep bovenop en vertelt over een man uit Londen die, naar eigen zeggen, na een bezoek aan de baden genas van kanker. “Dat is dus wat Lourdes doet”, zegt hij stellig. Voor hem is daarmee de zaak gesloten, maar mijn gedachten gaan nog even door. Ja, ik geloof dat God wonderen doet. Maar gebruikt Hij daar dan ook déze plek voor?
Ssst, fluistert een medewerker herhaaldelijk
Een van de dochters, een dertiger met gitzwart haar, komt haastig aanlopen met twee doorzichtige plastic tassen vol zakdoekjes. “Kom, we gaan naar de grot”, zegt ze, terwijl ze de anderen gebaart haar te volgen. Ik loop met hen mee. Ondertussen vertelt Christy, de zoon van Arthur, over een tatoeage die zijn hele rug bedekt: een afbeelding van het Laatste Avondmaal. “Drie dagen tatoeëren, hè. Ik heb nog nooit zo veel pijn gehad.” Waarom dit symbool? Hij lacht. “Ik vond het gewoon mooi. Er zijn slechtere manieren om God groot te maken, toch?”
Bij de grot halen ze de stoffen zakdoekjes uit de verpakking en wrijven de witte doekjes langs de rots (“Voor de mensen thuis”). John, de oudste van de kinderen, legt familiefoto’s op de grond, maar wordt door een beveiliger op de vingers getikt. John haalt zijn schouders op en laat de foto’s liggen. “Ze zeggen altijd dat het niet mag, maar wij vinden dit belangrijk.”
De familie uit Oxford verzamelt zich weer. Vanavond moeten ze het vliegtuig halen en ze willen nog één ding doen. Ze lopen een gebouwtje binnen waar je voor 21 euro een mis-intentie kunt opgeven. De naam van hun vader, voor wie ze willen laten bidden, wordt dan genoemd tijdens een volgende mis.
Als de schemer valt en ergens een klok negen uur slaat, staan er al zo’n honderd mensen klaar voor de lichtprocessie. Biddend lopen ze met kaarsen rond, ter ere van Maria, de draagster van het Licht – en daarmee van Jezus, het Licht van de wereld. De stoet komt in beweging en onderweg sluiten steeds meer mensen aan. Het kaarslicht maakt de gezichten om me heen zachter.
“Ssst”, fluistert een medewerker van het heiligdom herhaaldelijk door de microfoon, in een poging het laatste geroezemoes tot zwijgen te brengen. Ik moet even grinniken, maar dan overvalt me een gevoel van dankbaarheid. Dankbaarheid dat ik hier mag lopen en een glimp opvang van wat pelgrims hier vinden: troost, rituelen die houvast geven, verbondenheid. Nee, ik zie Maria zelf niet als brug naar God, maar ik begrijp mijn katholieke medegelovigen wel. Ik moet denken aan het verhaal van Betesda: een man wacht 38 jaar, in de hoop het heilzame water in te gaan en te genezen. Uiteindelijk is het niet het water dat hem redt, maar Jezus zelf, die hem daar ontmoet.
Ik denk terug aan de regenboog van vanmorgen. Nee, God heeft zulke tekens niet nodig. Wij wel. En juist in die menselijke behoefte komt Hij ons, ook mij, tegemoet. Hij vindt mensen waar ze zijn: in hun verlangen, in hun pijn, in hun hoop. Ook hier, in Lourdes.

