
Op zoek naar groen in de stad: 'Hier vind je meer soorten planten en dieren dan op veel plekken op de Veluwe'
Reportage
Leestijd: 13 minDoor Elodie Harreman
Rotterdam grijs en grauw? Welnee! Wie zijn ogen en oren ervoor opent, ontdekt de groene wereld die deze havenstad rijk is. Redacteur Elodie ging op stap met een stadsecoloog en deed verrassende inzichten op. “Je hoeft echt niet te weten hoe elke soort heet om je te verwonderen.”
Verwondering
“Kijk, daar staat-ie! Dit is de reden dat ik jullie heb meegenomen naar deze plek. Een cederboom zo majestueus als deze, zie je haast nergens. En hier vind je ’m gewoon midden in de stad!” Mijn ogen moeten even wennen aan het gebrek aan licht, maar dan zie ik overal om me heen groen, in allerlei schakeringen. We blijken te zijn omringd door torenhoge bomen en dichtbegroeid struikgewas. Verderop schittert een vijver in de regen. Waar zijn we terechtgekomen, en vooral: hoe zijn we hier beland?
Originele flora en fauna
Het is op een doordeweekse dag dat ik samen met fotograaf Dieuwertje heb afgesproken bij het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Daar ontmoeten we Niels de Zwarte, adjunct-museumdirecteur en als stadsecoloog verbonden aan de bijbehorende onderzoeksafdeling Bureau Stadsnatuur. De reden? We zijn op zoek naar onontdekte natuur waarover we ons kunnen verwonderen. En dat op een plek waar je het misschien het minst verwacht: Rotterdam.
De havenstad staat niet bepaald bekend om haar originele flora en fauna. Maar daar hoopt Niels maar al te graag verandering in te brengen. Wanneer ik hem telefonisch benader met de vraag of hij ons de groene kant van de stad wil laten zien, reageert hij direct enthousiast. “Dat is precies waar ik van het weekend nog een lezing over heb gegeven. En waar onze nieuwste tentoonstelling in het museum over gaat: Nationaal Park Rotterdam. Ik wil mensen meegeven dat ze niet naar de Veluwe hoeven om in de natuur te zijn. Die vind je namelijk ook veel dichterbij. Bovendien is de natuur hier in de stad veel interessanter.”
- Download gratis de nieuwe Visie-app en lees Visie waar en wanneer je wilt!
Download gratis de nieuwe Visie-app en lees Visie waar en wanneer je wilt!
Opgezette vlinders
Als geboren en getogen Rotterdammer waag ik dat laatste te betwijfelen, maar vooralsnog geef ik Niels het voordeel van de twijfel. Voordat we op pad gaan, verzamelen we ons in de kantine van het museum. Terwijl Niels koffiezet, nemen wij plaats aan de grote tafel in het midden van de ruimte. We kijken onze ogen uit: aan de muren hangen rijen vol lijsten met daarin opgezette vlinders, kevers en andere insecten. Het is duidelijk: hier zitten we goed om de nodige kennis op te doen voordat we de stad ingaan.
Als Niels erbij komt zitten, begint hij meteen te vertellen. Hoe inmiddels al zo’n dertig jaar geleden het museum besloot een onderzoeksafdeling te starten. Toen werkte er slechts één iemand, nu zijn het er tien. Dat is bijna de helft van alle mensen die in het hele museum werken. De twee afdelingen werken nauw samen. Lachend: “We grappen weleens: ‘Wij zijn de afdeling leven, het museum is de afdeling dood.’”
De combinatie van het museum en de onderzoeksafdeling is uniek in Nederland, vervolgt Niels. Waar andere musea vaak horeca nodig hebben om geld in het laatje te krijgen, doen ze dat hier door kennis te verzamelen en deze te verkopen tijdens excursies, bijvoorbeeld. “Bovendien is het een win-winsituatie: als wij tijdens een van onze rondleidingen in de stad een dode vogel tegenkomen, nemen we ’m mee naar het museum. Daar krijgt-ie dan een mooi plekje.”
Een dode vogel nemen we mee naar het museum
Zeehonden in de stad
Het is trouwens pas sinds een jaar of vijftien dat Rotterdam zich inzet voor meer natuur in de stad. Stadsecologen waren er dan ook relatief laat: van de grote steden was Rotterdam een van de laatste die ze aanstelde. “Ergens is het ook wel logisch: de stad had andere prioriteiten, zoals armoedebestrijding. En Rotterdam moet ook wel echt van ver komen als je het vergelijkt met steden die dichter bij een natuurgebied liggen, of die een groene structuur tot in de stad hebben. Kijk bijvoorbeeld naar de haven. Daar wordt enorm veel gebouwd en is veel bedrijvigheid. Voor de natuur lijkt daar dan geen ruimte. Maar niets is minder waar. De haven is juist een uitstekende plek voor de natuur om haar gang te gaan. En daarvan hebben we sinds kort ook bewijs”, zegt Niels trots. “Als je in het centrum van de stad komt, heb je ze misschien al weleens voorbij zien zwemmen: zeehonden. Wij hebben advies gegeven bij het opzetten van het Beereiland: een klein stukje land bij de Maasvlakte, waar ze sinds een paar jaar hun jongen grootbrengen. Een mooier bewijs bestaat niet, toch? Zelfs in de haven gaan natuur en mensen dus heel goed samen.”
En precies dat is de reden dat Niels graag werkt op een plek waar natuur niet vanzelfsprekend is. “Mensen vragen me weleens of ik als ecoloog niet liever in een natuurgebied werk. Maar de stad ís een natuurgebied. Wist je bijvoorbeeld dat je in Rotterdam bijna 25 procent van alle Nederlandse biodiversiteit kunt vinden? Per vierkante meter vind je hier meer verschillende soorten planten en dieren dan op veel plekken op de Veluwe. Dat komt doordat het landschap in de stad veel diverser is. Er is meer afwisseling tussen droog en nat en zon en schaduw, bijvoorbeeld. Dat trekt meer soorten planten en dieren aan.”
Ongelofelijk nuttig
Het is een van de grootste uitdagingen in zijn werk: mensen zover krijgen dat ze ruimte willen maken voor de natuur, zonder dat ze er zelf per se iets aan hebben. “Hier stuitte ik voor het eerst echt op dat verzet”, zegt Niels. We zijn inmiddels naar de benedenverdieping gewandeld, waar de tentoonstelling Nationaal Park Rotterdam te zien is. Het is de nieuwste expositie van het museum, waar Niels aan de telefoon al over vertelde, en staat er nog zo’n twee jaar. “Daarna hopen we de stad ook echt zo te noemen: een nationaal park. Rotterdam zou daarmee het vijfde nationale stadspark ter wereld worden, naast Breda, Londen, het Australische Adelaide en Chattanooga in Amerika. We zijn nu volop bezig met de aanvraag, en hopen zo mensen te laten zien dat dit idee helemaal zo gek nog niet is. Maar daar denken veel mensen anders over. Want toen we dit bord plaatsten” – al pratend zijn we bij een bruin-wit recreatiebord beland, waarop Nationaal Park Rotterdam staat – “kreeg ik voor het eerst paniekerige reacties. Mensen vroegen zich af: ‘Waar kan ik dan wonen?’”
Even later zegt hij: “Ergens vind ik dat we dit soort vragen helemaal niet zouden moeten stellen. De natuur heeft een intrinsieke waarde, en hoeft ons mensen niet per se tot nut te zijn. Waarbij ik wel wil benadrukken dat de natuur ongelofelijk nuttig voor ons is. Je ervaart erdoor in welk seizoen je zit, en dat helpt je aarden in het moment van het jaar. Inmiddels weten we ook wat de natuur doet met je gezondheid: je ervaart er minder stress door.” Na een korte stilte: “Ik vind eigenlijk dat elk kind hoort op te groeien met een boom binnen een paar honderd meter van zijn huis, zodat hij daarin kan klimmen en er ook eens uit kan vallen. Het klinkt misschien gek, maar ik gun het iedereen om een keer uit een boom te vallen. Dat is gewoon goed voor je, het hoort bij opgroeien.”
Ik gun het iedereen om een keer uit een boom te vallen
Lust en rust
Precies op het moment dat we naar buiten willen stappen, regent het. We besluiten er hoe dan ook voor te gaan. Sterker nog: de nattigheid zet onze missie kracht bij. Want geloof mij: op zoek naar natuur in Rotterdam is één, maar je daar in de stromende regen ook nog eens over willen verwonderen, is een tweede.
Op de fiets zetten we koers richting het Euromastpark. Ik ken het als geen ander, en heel eerlijk? Dit is niet echt de plek waar ik direct aan denk als ik behoefte heb aan een rustgevende, natuurlijke omgeving. Het luidruchtige verkeer en de opengebroken straat onderweg ernaartoe dragen niet bij aan mijn verwachtingen. En net wanneer ik denk dat het stoplicht bij de oversteekplaats het enige groen is dat we vandaag zullen tegenkomen, roept Niels opgetogen: “Hier is het!” Hij wijst naar een zwaar, stalen hekwerk, pal achter een oranjegekleurde bouwkeet. “Je zou er zo aan voorbijlopen”, merk ik op. “Klopt,” glimlacht Niels, “en als je eenmaal naar binnen loopt, denk je helemáál: waar ben ik?”
Het is inderdaad precies de vraag die ik stel als Niels ons de eerdergenoemde cederboom laat zien. We zijn in Park Schoonoord, een historische tuin van ruim één hectare groot in het Scheepvaartkwartier in Rotterdam. “Vroeger heette het Tuin Lust en Rust. Dat spreekt toch wat meer tot de verbeelding, vinden jullie ook niet?”
We vervolgen onze weg, stil van verbazing dat deze groene oase zich zomaar midden in de stad bevindt. Het is groen zo ver ons oog reikt, en als de graafmachine aan de overkant even zwijgt, horen we geluiden waarvan ik dacht dat ze alleen in de dierentuin te horen zijn. Net wanneer ik me begin af te vragen wie hier dan eigenlijk wie bekijkt – het is wel duidelijk dat al het groen een thuis vormt voor allerlei vogelsoorten, insecten en andere beesten – wijst Niels ons op een boomstam met dikke naalden. “Een taxus zo groot als deze zie je ook niet gauw. We kennen allemaal die keurige taxushaagjes wel, maar deze dikke stam vol met zachte twijgen en naalden is van een heel andere orde. En als we geluk hebben, zien we ook de vaste bezoekers van deze boom: het vuurgoudhaantje.”
Blauwe flits
Terwijl Dieuwertje Niels fotografeert, blijf ik geconcentreerd richting de vijver kijken. Ik hoop eindelijk eens een ijsvogel te zien: een vogelsoort die door de hogere temperaturen steeds vaker in de stad vertoeft, vertelde Niels eerder vanmorgen. “Blijf goed kijken!” roept hij tussen het poseren door. “Zoek naar de blauwe flits!” Maar helaas: nog geen vangst voor mij vandaag.
Die hogere temperaturen en grote variatie van bloeiende planten in de stad zijn ook aantrekkelijk voor insecten, leerde Niels ons vanochtend tijdens de koffie. “Sterker nog: ze komen liever hier dan in intensieve agrarische gebieden. Daar worden bestrijdingsmiddelen gebruikt. In de stad zien we mede daardoor meer insecten.” Zorgt dat niet voor problemen, zo veel insecten in de stad? “Nee”, verzekert Niels me. “De voedselpiramide zorgt voor een goede balans. Dus geen zorgen: al die insecten zijn alleen maar méér voedsel voor alle vogels en vleermuizen die hier komen.”
Onderweg naar de uitgang van het park attendeert Niels ons op de eeuwenoude bloembollen (“Zo’n bleek sneeuwklokje met zulke brede bladeren zie je zelden!”), een verlaten nest van de Aziatische hoornaar (“Geweldig hoe groot, toch?”) en een hoge piep (“Daar heb je toch nog een vuurgoudhaantje!”). Je zou er makkelijk aan voorbijlopen, maar daar steekt Niels maar al te graag een stokje voor. “Het liefst neem ik iedereen mee op pad, de natuur in. Want om natuur te ervaren moet je vertragen. En als je gaat vertragen, kun je je gaan verwonderen, en als je je gaat verwonderen, ga je ervan houden. Pas dan krijgen we mensen mee om zich voor de natuur in te zetten om de natuur zelf, en niet omdat wij er per se iets aan hebben.”
Schone lucht
Terwijl we onze ontdekkingstocht vervolgen, mijmert Niels nog wat verder. “De laatste jaren zie ik echt wel een groter draagvlak voor meer natuur in de stad, hoor. Mensen snappen dat we dood hout niet in het bos laten liggen vanwege gemeentebezuinigingen of slordigheid. Het is een schuilplek en voedselbron voor allerlei dieren. En veel mensen zijn enthousiast over de bloemrijke bermen. Daar moest je een jaar of twintig geleden echt niet mee aankomen. Nu zetten mensen zich er zelfs zelf voor in – al komt dat meer door de lobby voor de bij, een paar jaar geleden. Toen bekend werd dat het met de bij niet zo goed ging, maakten mensen zich massaal hard voor het behoud van dit insect. Omdat we er anders zelf aan zouden gaan… ‘De’ bij bestaat overigens niet. Mensen denken al gauw aan de honingbij, maar in Rotterdam komen zeker 110 andere wilde bijensoorten voor.”
We zetten koers richting Delfshaven, en onderweg zie ik Niels steeds om zich heen kijken. “Wat ik aan het doen ben? Ik bekijk de korstmossen op de bomen. Die zeggen namelijk veel over de luchtkwaliteit van dit deel van de stad.” Manoeuvrerend door wat nauwe – hier en daar opnieuw opgebroken – straatjes, komen we na een minuut of tien op de tweede locatie aan. We parkeren onze fietsen, en Niels bekijkt ondertussen een boom van dichterbij. “Op deze stam tel ik al zo’n zes verschillende soorten mossen. Deze mix vertelt mij dat de lucht hier redelijk schoon is.”
Aan de overkant zien we opnieuw een grote stalen poort. Het is de ingang van de Schat van Schoonderloo. “Deze tuin is fantastisch”, zegt Niels, terwijl we naar binnen stappen. “Tussen al deze gebouwen vind je dus dit onontdekte stuk groen. Het is een bewonersinitiatief: dat is toch geweldig? Dit soort dingen zou je eigenlijk elke paar honderd meter moeten tegenkomen, vind ik.”
Imitators eersteklas
Bij binnenkomst klinkt ineens een hard piepend geluid. Direct spitsen we onze oren, wat is dat? Na een korte stilte weet Niels het: “Een spreeuw!” Lachend: “Hij doet een buizerd na. Die vogels zijn imitators eersteklas. Moet je eens opletten als je op Rotterdam Centraal bent: daar imiteert er eentje het geluid van een piepende deur!”
“Ik ben wel blij om ’m te horen,” vervolgt Niels, “want met de spreeuwen gaat het niet zo goed. We hebben onder andere te weinig gazon met insecten, terwijl spreeuwen daar juist zo van houden.”
De tuin is niet groot, maar ademt van alle kanten rust en creativiteit uit. “Ik vind deze plek enorm inspirerend. Het laat precies zien dat we allemaal iets kunnen doen om de stad te vergroenen. Een bewonersinitiatief dat een plek oplevert als deze, om even te mijmeren over het leven of een boekje te lezen… Prachtig, toch?”
Om natuur te ervaren moet je vertragen
Niet moeilijk
De regen is inmiddels overgegaan in hagel, en we stappen snel weer op de fiets. We gaan naar de SAWA op de Lloydkade: een grote woontoren van wel zeventien verdiepingen hoog, bijna helemaal van hout. Niels heeft er met een collega twee jaar aan meegewerkt. “In een vroeg stadium van het proces dachten we direct mee over hoe we natuurinclusief konden bouwen.” We lopen een rondje om het imposante bouwwerk. “Zie je die kasten aan de zijkant hangen? Dat zijn nestkasten voor de huismus, gierzwaluw en vleermuizen, 140 in totaal. En in die bloembakken zijn specifiek geselecteerde planten gezaaid, zodat er het hele jaar bloemen groeien waar insecten iets aan hebben. En daar,” Niels wijst omhoog, “boven op het dak hebben we een plek voor de slechtvalk gecreëerd. Daar hebben we negen paartjes van in Rotterdam. Hopelijk besluit binnenkort het tiende paartje hier te gaan broeden.”
Het houtkleurige gebouw steekt scherp af tegen de grijsblauwe lucht. Hier komen mens en natuur letterlijk samen. “De bewoners wonen hier naast de vleermuizen en tussen het groen”, besluit Niels met gepaste trots. “Zo zie je maar: leven in een groene stad hoeft helemaal niet onmogelijk te zijn. Sterker nog: je hoeft echt niet te weten hoe elke plant- of diersoort heet om je erover te kunnen verwonderen. En dat begint allemaal in je eigen achtertuin: haal die tegel eruit, strooi wat zaadjes in de grond en zie wat erop afkomt.”
Van nanometer tot sterrenstelsel: 'Wat je ziet, is verpletterend ontzagwekkend!'
Auteurs









