Ga naar submenu Ga naar zoekveld

Rikko Voorberg: ‘Radicale theologie helpt je om het uit te houden met wat je niet weet’

‘Onzeker weten’ heet het nieuwste boek van Rikko Voorberg, Gerko Tempelman en Bram Kalkman. Marieta sprak er kort over met Rikko en selecteerde een leesfragment.

Deel:

‘Aswoensdag vonden we een goede dag voor onze boekpresentatie’, vertelt Rikko. ‘Het is de eerste dag van de periode waarin je vast van je zekerheden en die uitmondt in iets dat het dichtst bij de dood van God komt en het sterven van alle hoop. Dat past bij de radicale theologie waarvan we iets willen uitleggen met ons boek.’

Deconstructie van systemen

Die radicale theologie waar Rikko het over heeft is een kleine stroming binnen de theologie, het ‘spreken over God’. Misschien ken je het van filosofen Peter Rollins of John Caputo, moderne boegbeelden die je ook ‘Onzeker weten’ tegenkomt. In het boek wordt deze stroming zo omschreven: Radicale theologie weigert mee te gaan in de valse tegenstelling tussen ‘liberaal’ en ‘conservatief’, in zowel theologie als politiek. Dus geneert ze zich er niet voor om orthodoxe en traditionele ideeën in te zetten. Tegelijk kijkt ze verder dan de grenzen en im­passes van het liberalisme, ongeacht hun aantrekkelijkheid of af­stotelijkheid.

Radicale theologie vindt z’n oorsprong in de filosofie, bijvoorbeeld in de ideeën over deconstructie van Jacques Derrida en in het gedachtegoed van Slavoj Žižek. Die filosofie wordt toegepast op theologische thema’s. Zoals Bram Kalkman in ‘Onzeker Weten’ schrijft: ‘Radicale theologie is niet bang om systemen, structuren en concepten uit te kleden (destructie) om te ont­dekken wat ze waard zijn (constructie). Dat wil zeggen: syste­men, structuren en concepten binnen de kerk en theologie, maar net zo goed daarbuiten.’

Die radicale theologie heeft dus niets met zekerheden, maar ‘het helpt je om het uit te houden met dat wat je allemaal niet weet’, vertelt Rikko. ‘Radicale theologie is voor sommigen een boeiend denkspel, maar voor anderen een bevrijding uit systemen waarin ze zijn vastgelopen. Voor mij is radicale theologie diep-christelijk. Het is wat Jezus doet: het ondergraven van zekerheden met een beroep op dezelfde bronnen waar ook zekerheden uit gehaald worden. Ik denk dat het ook recht doet aan een God die ongrijpbaar is voor de mens. Het heeft me geleerd om te geloven door te doen. Maar ik heb er ook Jezus door herontdekt en hoe bijzonder dat christelijke verhaal eigenlijk is. Deze manier van geloven laat me in m’n hemd staan, maar dat maakt me ook benaderbaarder dan wanneer ik in mijn harnas van zeker weten was gebleven.’

Avontuur zoeken

Rikko vond in deze theologie woorden voor datgene waar hij in de praktijk al mee bezig was en die hij in het boek beschrijft. ‘Ik heb tien jaar geëxperimenteerd met nieuwe vormen midden in een totaal geseculariseerde context en als ik nu terugkijk, dan zie ik dat er een verhaal in zit. Het is een coherent geheel, in de radicale theologie vond ik woorden voor dat wat we al aan het doen zijn op zoveel terreinen.’

De opbouw van ‘Onzeker Weten’ (oorsprong, theorie en praktijk) maakt het tot een soort handboek waarin de basisbeginselen van het radicaal theologisch denken uitgelegd worden. Rikko hoopt dat ze daarmee kerken, maar ook allerlei andere maatschappelijke clubs inspireren om het ‘avontuur’ te zoeken. ‘Want iedereen kan hiermee experimenteren.’

Leesfragment

Dit is een fragment uit het boek waarin Gerko Tempelman uitlegt wat de radicaal-theologische kijk op geloven is.

‘In de radicale theologie bestaat er een geheel andere kijk op het christelijk geloven. Het is een interpretatie met goede vroeg­ christelijke papieren, die ‘geloven’ in christelijke zin eerder op­ vat als ‘ongeloof’ dan als geloof.

Uiteraard wordt er vaak gezegd dat een bepaalde mate van twijfel helemaal niet ondermijnend hoeft te zijn voor het ge­loofsleven en er misschien zelfs wel gezond voor is. Maar de ra­dicale theologie gaat verder op het spoor van het verwijt dat de eerste christenen kregen in het Romeinse Rijk: christenen gelo­ven meer niet dan wel. In de brieven van Paulus is het een groot thema. In hoeverre is het voor christenen nog toegestaan (of ver­standig) om mee te doen aan een heidense religieuze cultus? Paulus is er opvallend mild over – in plaats van zijn medegelovi­gen de wet voor te schrijven, kaatst hij de bal terug. Schat in wat je zelf kunt waarmaken, houdt hij hun voor.

Oefenen van ongeloof

Maar de teksten van Paulus maken vooral inzichtelijk dat de vroege christenen nog wel eens atheïst werden genoemd – hun christen­zijn verklaarde een heel legioen aan (Romeinse) goden morsdood. Hun christen­zijn impliceerde het niet-meedoen, het geen waarde hechten aan allerlei culturele offerfeesten en riten. Christen­zijn impliceerde in de ogen van de Romeinen het han­teren van een gigantisch transcendent scheermes, het creëren van een theologisch slagveld, waarin slechts enkele leerstellin­gen overeind bleven.

In dat spoor ziet de radicaaltheologische denktraditie christe­lijke kerken juist als plekken waar een bepaalde vorm van onge­loof geoefend kan worden. Daar zijn verschillende redenen voor. Zo stelt de 19e­ eeuwse denker Chesterton al dat er voor het aan­ hangen van christelijke overtuigingen meer denkwerk nodig is, omdat die christelijke overtuigingen in de seculiere wereld min­der vanzelfsprekend zijn. Het is niet moeilijk om je opvattingen te verdedigen in een context waarin iedereen ze deelt – veel las­tiger is het iets te (willen) geloven en als zodanig te proberen te verantwoorden dat door veel mensen wordt gezien als achter­haald. Juist gelovige christenen zijn er goed in om zich ideolo­gisch te verhouden tot de tijd en wereld waar ze in leven.

Blind voor de eigen ideologie

Žižek wijst zijn lezers erop dat deze eigenschap belangrijker is dan ooit. Juist in de postmoderne tijd waarin het idee heerst dat we ideologisch neutraal zouden zijn, onttrekt de wel degelijk be­staande ideologie zich nog meer aan ons zicht, zo analyseerden we in deel 1 van dit boek. Als voorbeeld hamert Žižek steeds op de allesverzwelgende en volstrekt vanzelfsprekende kapitalische ideologie, maar iets vergelijkbaars geldt voor de sociale gebrui­ken uit het begin van dit hoofdstuk. We zijn in de postmoderne tijd niet alleen blind voor de eigen ideologie (zoals dat in elke ideologie gebeurt) – we denken ook nog er geen een te hebben. Het zijn juist de mensen met afwijkende overtuigingen, gelovi­gen (maar net zo goed complotdenkers), die zich bewuster zijn van de aanwezigheid van een bestaande ideologie. Zij hebben sleutels in handen om ook anderen er bewuster van te maken. Christelijke kerken zijn plekken waar uitgebreid wordt geoefend met ongeloof – aan de heersende structuren en ideeën.

Maar ook theologisch ziet Žižek een belangrijke rol voor christelijke kerken als plekken van ongeloof. In zijn opruiende ideologiekritiek wijst hij het christendom aan als een ideologie die zichzelf ondermijnt. Jezus, de incarnatie van God zelf, het ul­tieme idool in het (toenmalige) joodse denken, sterft immers aan een kruis. Jezus voldoet expliciet niet aan de heersende ver­wachtingen van God. Hij draagt alle bestaande godsbeelden met zich mee de dood in. In deel 1 werkten we uit dat Žižek deze dood van God ziet als een uitwerking van het idee dat er niet zoiets be­ staat als perfectie – alles waar ons (onbewuste) ideologische denken altijd weer naar uitgaat, het utopische, de verwachting van de ultieme bevrediging van al onze verlangens; alles wat een ideologie ons voorhoudt als een wortel aan stok. Door het ultie­me object van verlangen binnen een religieus wereldbeeld te doen sterven aan een kruis, bezit het christelijke verhaal al het materiaal om het postmoderne idee vorm te geven dat we sinds de dood van God echt stuurloos zijn geworden. Het christelijke verhaal bevat alle ingrediënten voor ongeloof om vandaag de dag echt postideologisch te zijn.

Voor Žižek zouden christelijke gemeenschappen zich moeten heruitvinden vanuit die gedachte: ze komen samen om de God die stierf te gedenken, ze komen samen om de ultieme omdraai­ing van alles wat we ooit van God (of zelfs van andere ultieme objecten van begeerte) verlangden, te vieren. Ze drinken wijn en eten brood om het gebroken lichaam van hun God te gedenken en verzamelen zich daarmee rondom het idee van gebroken­ heid, onvolledigheid, falen en tekortschieten.

De kerk is de plek waar de schijn niet hoog hoeft te worden gehouden, het is zogezegd het tegengif tegen een Facebook­cul­tuur, waarin we alles mooier maken dan het is, omwille van de schijn van succes. In de kerk worden verhalen gedeeld van ge­brokenheid, van de hardvochtigheid van het systeem waarin we met elkaar, vaak zonder het door te hebben, beland zijn. In de kerk is er ruimte voor mislukkelingen, mensen die zijn uitge­kotst, mensen die ergens onderweg een gigantische fout hebben begaan, of mensen die hun leven lang hebben gedaan wat er van hen verwacht werd en zichzelf onderweg zijn kwijtgeraakt. In de kerk worden bestaande sociale structuren ontmaskerd en wor­den hun lelijke kanten getoond. In de kerk worden vastgeroeste gebruiken en ideeën blootgelegd, natuurlijk als het gaat om ex­pliciet religieuze gebruiken en ideeën, maar net zo goed als het gaat om maatschappelijke structuren.

De kerk is de plek waar kan worden geoefend met het omarmen van deze onvolledig­heid, zegt Žižek. Dat maakt de kerk tot een radicale gemeen­schap. Hij ziet een enorm revolutionair potentieel in die gedach­te.’

De weergave van deze video vereist jouw toestemming voor social media cookies.

Toestemmingen aanpassen

Onzeker Weten – een inleiding in de radicale theologie | Rikko Voorberg, Gerko Tempelman en Bram Kalkman | KokBoekencentrum | 192 pagina’s | € 20.
Hier vind je meer info en kun je het boek bestellen.

Geschreven door

Marieta van Driel

--:--