
Herinneringen
Leestijd: 7 minDoor Sven Verveld
De jeugd van nu kan het zich nauwelijks voorstellen: een jaar lang – verplicht – op de kazerne om Defensie te dienen. Toch kijken dienstplichtigen van toen opvallend vaak positief terug op hun dientijd. Visie verzamelde de mooiste verhalen.
“Ik was in mijn diensttijd behandelaar van reserveonderdelen voor helikopters. Dagelijks reed ik met de vrachtwagen op en neer tussen vliegbasis Deelen en vliegbasis Soesterberg om de door mij bestelde reserveonderdelen op te halen. Op een ochtend, in de winter van 1986-1987, moest ik even naar de andere kant van de basis. Om brandstof van de vrachtwagen te besparen, vroeg ik of ik de landrover mocht lenen van onze groep. Dat mocht. Niet veel later moest ik de luitenant bellen om te vertellen dat ik de buitenspiegel had beschadigd. Hij vroeg hoe dat gebeurd was. “De geleende landrover ligt er bovenop”, antwoorde ik. Daar kon hij absoluut niet om lachen.
Ik was door gladheid in de slip geraakt en dwars op een strook gras beland, om uiteindelijk enkele keren over de kop te slaan. Door een aantal engeltjes op mijn schouder kwam ik er wonder boven wonder zonder verwondingen vanaf. En de landrover? Die was total loss. Vanaf toen heette de bocht waar het gebeurde de ‘Kikkert-bocht’, mét een straatnaambordje met mijn naam en het logo van ons squadron erop.”
Jérôme Kikkert, Welsrijp, lichting ‘86-4
“Er zat een knaap in mijn peloton die vegetariër was. Ik kan je vertellen: in die tijd stond het woord vegetariër in niemands woordenboek, dus iedereen kreeg hetzelfde opgeschept. Op den duur wist ik natuurlijk dat die jongen zijn vlees niet zou opeten, en ging ik expres achter hem in de rij staan en naast hem aan tafel zitten. De gelovigen kregen een moment om te bidden, en daarna begon iedereen tegelijk te eten. Steeds als ik na mijn gebed mijn ogen opendeed en iedereen een fijne maaltijd wenste, keek ik die vegetariër even aan. En ja hoor: dan vroeg hij mij weer of ik zijn stukje karbonade, kip of ham wilde. Dat vond ik als fervent vleeseter hélemaal niet erg.”
Jan Oostra, Boekelo, lichting ’67-5
“Het was 1959, en als 20-jarige dienstplichtig militair was ik in de rang van sergeant gestationeerd op een basis in Bergen op Zoom. In de diensttijd hadden ze garnizoenselftallen: teams van militairen die als hobby een potje wilden voetballen. Ik stond tijdens zo’n wedstrijd als doelman in het veld en bij een aanval van de tegenpartij werd ik zodanig in mijn gezicht geschopt, dat mijn mond totaal in de vernieling lag. Ze voerden me af naar de kazerne en ik werd naar de militaire tandheelkundige dienst gebracht. Daar stelden ze vast dat de beschadiging dusdanig ernstig was, dat alle kiezen en tanden eruit moesten. En zo geschiedde. Met mijn mond vol watten – want het was één grote bloederige massa – keerde ik terug op de basis en moest ik appel roepen over het hele terrein. Dan kwamen alle pelotonsergeants naar mij toe om te melden dat de ploeg compleet was, en dat meldde ik dan weer aan de commandant. Ik meende dat ik dit die avond niet kon doen: hoe kon ik immers praten met mijn mond vol watten? De commandant maakte mij daarop duidelijk dat hij dingen in de oorlog had meegemaakt die véél erger waren en dat ik gewoon appel moest roepen. Nou, het klonk van geen kant en de soldaten lagen dubbel. Het is onnodig te zeggen dat ik niet blij was.”
Theo Davidse, Middelburg, lichting ’58-1
“Op zaterdag 18 mei 1963 zouden mijn vriendin en ik ons verloven. Dat viel ongeveer samen met het einde van mijn militaire dienst, die ik doorbracht op vliegbasis Woensdrecht. Op maandagavond 13 mei 1963 kwam ik laat terug op de basis. Een kamergenoot had kamerwacht, maar hij wilde graag naar bed. “Ik neem het wel van je over”, zei ik. “Ik ben toch nog wel even bezig.”
Dat laatste had ik beter kunnen inslikken
Normaal kwam de sergeant van de week rond 22.30 uur controleren of iedereen aanwezig was. De kamerwacht moest dan aangekleed bij zijn bed staan om te rapporteren. Toen ik me had klaargemaakt voor de nacht, was er nog steeds geen kamerinspectie geweest. Het werd 23.00 uur, 23.15 uur. Om 23.30 uur kroop ik ook maar in bed. Na een kwartier kwam de sergeant binnen. “Wie is hier kamerwacht?” vroeg hij. “Dat ben ik, sergeant.” “Zou je dan niet eens uit je nest komen?” “Nee,” zei ik. “Je kunt mijn maten zo toch ook wel tellen?” En ik voegde eraan toe: “U bent trouwens veel te laat. Het is nu ruim 23.45 uur. U hoort hier om 22.30 uur te zijn.” Dat laatste had ik beter kunnen inslikken; het zou worden gerapporteerd aan de squadroncommandant.
Dinsdag 14 mei zou ik eigenlijk afzwaaien. Maar de squadroncommandant dacht daar anders over en gaf mij vijf dagen verzwaard arrest. Ik heb mijn vriendin gebeld dat de verloving niet door kon gaan. Dat ik achter de dikke deur zat op de vliegbasis. Dat telefoongesprek vergeet je niet.
Het eerstvolgende weekend, 25 mei, werd de verloving alsnog gevierd.”
Jaap Hollebrandse, Apeldoorn (inmiddels bijna 62 jaar getrouwd met zijn verloofde van toen), lichting ’61-4
“Op 1 mei 1966 ging ik in militaire dienst. Na mijn aanmelding in de kazerne van Ossendrecht verliet ik verdrietig het hoofdgebouw en liep ik over een groot en open terrein richting de slaapzalen. Ik had een ontzettend sterk gevoel van heimwee naar huis. Maar opeens hoorde ik door de luidsprekers het popliedje ‘Sloop John B’ van de Beach Boys. Het vrolijke nummer beurde mij in eerste instantie een beetje op, totdat de zanger zong: I feel so broke up, I wanna go home (Ik voel me zo gebroken, ik wil naar huis). En daar was het ellendige gevoel weer. Ik voelde me ontzettend naar en miste mijn ouders en twee broertjes. Gelukkig ging het in de dagen die volgden steeds beter en had ik uiteindelijk een prachtige diensttijd. Maar ik zie me nog zo plompverloren lopen met dat vrolijke deuntje op.”
Ronny Bettelheim (Uithoorn), lichting ’66-3
“Ik was ingedeeld bij de geneeskundige troepen. Er was alleen één probleem: ik kon ontzettend slecht tegen bloed. Ik volgde de basisopleiding geneeskunde, maar daar leerden ze je niet vaccineren. Ze meenden dat je dat wel leerde in de praktijk. Maar onze leermeester, de sergeant, deed dat door laksheid niet. Een poos later had ik dienst en was er een soldaat opgenomen die driemaal daags een penicillinespuit in zijn bil moest hebben ter voorbereiding op een operatie. Ik had weleens gezien dat iemand een vaccinatie gaf, maar had het nog nooit zelf uitgevoerd. Er was geen dokter aanwezig, dus werd besloten dat ik deze daad zou uitvoeren. Het voorbereiden van de spuit ging nog goed, totdat deze in de bil gezet moest worden en de spuit over de bil heen schampte. Na de mislukking gaf de patiënt aan dat ik het nog maar eens moesten proberen: wat een moed van hem! Uiteindelijk mislukte de vaccinatie, waardoor we de dokter moesten bellen. Die gaf op zijn beurt de sergeant op zijn mieter omdat hij ons niet had geleerd hoe we moesten vaccineren. Daar was de sergeant dan weer niet blij mee, en hij gaf ons de schuld. Niet in woord, maar wel in daad. We moesten op vrijdagmiddag om 16.30 uur ineens de medische apparatuur steriliseren. Hij wist natuurlijk dat dit langer dan een uur ging duren, waardoor we onze bus van 17.00 uur naar huis misten. Zo konden wij ruim een uur wachten op de volgende bus voordat we naar huis konden.”
Andries Groenink (Enschede), lichting ’68-1



Kom op 5 juni naar het grootste worshipconcert van Nederland
Ontdek meer