
Inspiratie
Leestijd: 7 minDoor Pieter-Jan Rodenburg
Wat hebben koning Radboud, een barrevoetse zendeling, een speermoord op Sulawesi en een AI-tool in Iran met elkaar gemeen? Meer dan je denkt: samen werpen ze licht op de soms rauwe geschiedenis van zending. Visie selecteerde zeven verrassende verhalen.
Voordat Willibrord in 690 bij Katwijk voet aan land zet (al denken sommige historici dat hij een kleine honderd kilometer zuidelijker bij de Schelde aan land is gekomen) en Bonifatius in 754 bij Dokkum wordt vermoord, zijn er al missionarissen die het christendom in Nederland proberen te vestigen. De Ierse Wigbert is een van de eersten. Rond 680 vertrekt hij naar het Friese rijk. Maar zijn boodschap vindt geen weerklank. De Friezen houden – onder leiding van de beruchte koning Radboud – liever vast aan goden als Wodan en Donar. Na twee jaar preken en proberen, keert Wigbert teleurgesteld terug naar Ierland. Tien jaar later wordt koning Radboud verslagen en trekt Wigberts leerling Willibrord naar het Friese rijk om diens werk voort te zetten. Een paar decennia later volgt Bonifatius, die de kerk in het Friese rijk verder opzet – en in 754 bij Dokkum wordt vermoord.
Misschien wel de oudste Nederlandstalige tekst (al discussiëren taalkundigen of het Oudengels, Oudsaksisch of Oudduits is) is de gelofte die Friezen en Saksen aflegden bij hun doop. Waarschijnlijk stamt hij uit de tweede helft van de achtste eeuw, toen Bonifatius in Dokkum was. Dit is de tekst: “Ec forsacho diabolae, end allum diobolgeldae, end ec forsacho allum dioboles wercum and wordum, Thunaer ende Woden ende Saxnote ende allum them unholdum the hira genotas, sint. Ec gelobo in Got alamehtigan fadaer. Ec gelobo in Crist gotes suno. Ec gelobo in Halogan Gast.” In hedendaags Nederlands: “Ik zweer de duivel af en alle duivelsoffers, en zweer af alle duivelse werken en woorden, Donar, Wodan, Saxnot en alle afgoden die hun gezellen zijn. Ik geloof in God, de almachtige Vader. Ik geloof in Christus, de Zoon van God. Ik geloof in de Heilige Geest.”
De Nederlandse zendingsgeschiedenis heeft heel wat kleurrijke figuren voortgebracht. Een van hen is Johannes van der Kemp, oprichter van de eerste Nederlandse zendingsorganisatie: het Nederlandsch Zendings Genootschap, opgericht in 1797. Volgens het Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek uit 1912 was hij een bijzondere man. Hij vroeg zijn vrouw ten huwelijk toen hij haar hoorde zingen, zonder haar ooit eerder te hebben ontmoet. Nadat ze tijdens een boottochtje was verdronken, besloot hij dominee te worden. Hij richtte de NZG op en trok naar Zuid-Afrika om daar het evangelie te verspreiden.
De manier waarop de oorspronkelijke bewoners werden behandeld, raakte hem. Keer op keer klaagde Van der Kemp bij de Nederlandse – later Engelse – regering over de behandeling van “de arme heidenen”. Het Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek schrijft: “Zijn liefde voor hen ging ten slotte zover, dat hij, om zijn zwarten in alles gelijkvormig te zijn, evenals deze barrevoets en blootshoofds door de straten van Kaapstad wandelde.” Hij trouwde uiteindelijk met de dochter van een door hem vrijgekochte tot slaaf gemaakte vrouw uit Madagaskar. Johannes van der Kemp stierf in 1811.

Een vrouw als zendeling? Daar moest de Nederlandse kerk eeuwenlang niets van hebben. Maar Jacqueline Cornélie Rutgers groeide als domineesdochter op met alleen broers en liet zich niet zomaar tegenhouden. Als notulist bij de gereformeerde synode van 1896 hoorde ze over het zendingswerk op Java en besloot daarnaartoe te gaan. Dat mocht – als verpleegkundige. Samen met vriendin Johanna Kuyper ging ze aan de slag op Java. De twee runden een ziekenhuis, maar Rutgers leerde daarnaast Javaans, schreef boekjes, publiceerde vier tijdschriften en een succesvolle kalender met christelijke en islamitische feestdagen en stichtte scholen voor de lokale bevolking.
Haar man, die ze op verlof in Nederland ontmoette, nam ze mee naar Java. Hij kon er aan de slag als betaald zendeling, terwijl zij als getrouwde vrouw niet betaald werd voor haar werk. Rond 1940 coördineerde ze – in haar eentje – 56 lokale scholen. Haar man overleed tijdens de oorlog in een Japans kamp, zij overleefde er verschillende en keerde na de oorlog terug naar Nederland. Daar overleed ze een paar dagen voordat een door haar gecorrigeerde Javaanse Bijbelvertaling gepubliceerd werd.
Op de veranda van een huis in het dorpje Bori, op Zuid-Sulawesi, zit Antonie Aris van de Loosdrecht. Het is 26 juli 1917, en Van de Loosdrecht is de eerste zendeling die namens de zestien jaar eerder opgerichte Gereformeerde Zendingsbond is uitgezonden. Hij is op reis door de provincie Toraja. Na een lange dag rust hij uit en leest net vertaalde Bijbelverhalen in de Toraja-taal. Dan schiet uit het donker een schim met een speer in zijn hand de veranda op, steekt toe en verdwijnt weer. Van de Loosdrecht wankelt naar binnen en valt op bed. Hij zegt tegen een bediende: “Ik wil nu bidden” en overlijdt.
Van Loosdrecht wankelt naar binnen, valt op bed en overlijdt
De man met de speer, Pong Masanka, is leider van een groep opstandelingen en ziet Van de Loosdrecht als onderdeel van het onderdrukkende koloniale bewind.
Vierendertig jaar later, in 1951, wordt er een doopdienst gehouden. Een van de mensen die zich laten dopen, is Pong Masanka. Zijn nieuwe naam: Paulus Pong Masanka. En nog steeds staat Toraja bekend als de meest christelijke provincie op Sulawesi; vrijwel ieder dorp heeft een kerk in de kenmerkende Toraja-stijl, met een dak in de vorm van een boot.
Veel zendingsverhalen gaan over de zendelingen, en weinig over de ontvangende partij. Maar hoe beleven lokale bewoners deze buitenlanders met hun nieuwe religie? De laatste jaren zijn er veel studies naar gedaan, maar soms is een klein verhaal veelzeggender. Zoals dat van de elf Surinaamse vrouwen die in maart 2014 vanuit Nederland naar Denemarken reizen om op verjaardagsvisite te gaan. Ze bezoeken er Magda Martinsen, die 85 wordt en die zij kennen als ‘Zuster Magda’. Tijdens haar studie voor basisschoolleerkracht voelde ze een sterke roeping voor de zending. Ze hoorde over een kinderschool in het Surinaamse plaatsje Alkmaar, vertrok naar Nederland om Nederlands te leren en belandde vervolgens in het Surinaamse dorp. Daar bleef ze 35 jaar lang, waarvan 26 jaar als hoofd. In 1990 ging ze met pensioen en terug naar Denemarken. Maar haar band met de school bleef bestaan: jaarlijks bezochten tientallen oud-leerlingen – van wie velen naar Nederland waren verhuisd – haar in Denemarken.
Ze is voor zeker duizend kinderen een moeder geweest
Het verjaardagsbezoek van de elf dames blijkt haar laatste bezoek uit Nederland: ze overlijdt kort daarna. Hoeveel impact Magda Martinsen heeft gehad, blijkt na haar overlijden. Op talloze plekken getuigen oud-leerlingen over de “big mama” van het weeshuis. “Ik voelde me bij haar altijd op mijn gemak”, schrijft een vrouw. “Ze was een moeder voor ons allemaal.” En een ander: “Ze is voor de zeker duizend kinderen die ze mocht helpen, een moeder geweest. Vol liefde en geloof.”
Hoe bereik je mensen in een land waar het streng verboden is anderen te vertellen over het christelijk geloof? In bijvoorbeeld Iran, waar veel hoogopgeleide, technisch onderlegde mensen wonen, stellen zoekers vragen aan AI-tools als ChatGPT. De organisatie Transform Iran haakte in op die ontwikkeling en maakte een eigen AI-hulpmiddel: Kairos. Waar modellen als Claude of ChatGPT het hele internet gebruiken als bron, komt de input van Kairos van theologen en apologeten. Om te voorkomen dat gebruikers achterhaald worden, ontwikkelde Transform Iran bovendien een VPN, een technische tool die zorgt dat de identiteit en locatie van gebruikers niet te achterhalen is.



Kom op 5 juni naar het grootste worshipconcert van Nederland
Ontdek meer