Ga naar submenu Ga naar zoekveld

Elise (20) liep een pelgrimstocht via Santiago de Compostela

‘Er is een plan, dus het komt goed’

Elise Jacobs is nog maar achttien jaar als ze besluit een pelgrimstocht te lopen van het Spaanse Hondarribia, naar Fisterra, via Santiago de Compostela. Hoe bereidde ze zich voor? Vond ze het spannend om alleen te reizen? En waar sliep ze elke avond?

“Tijdens een kookavond met mijn vader en een vriend van hem, vertelde die vriend iets over een pelgrimstocht naar het Spaanse Santiago de Compostela. Ik dacht meteen: dat klinkt gaaf. Ik was bijna geslaagd voor de middelbare school en wilde niet direct studeren. Verrassend genoeg ontmoette ik daarna overal mensen die een pelgrimstocht hadden gelopen. Vervolgens wist ik intuïtief: ik moet dit doen. Al begreep ik niet waarom. Nu weet ik dat mijn intuïtie de stem van God is, want mijn gevoelens zijn soms zo puur. Dus wie ben ik om dat pad niet te bewandelen?”

Vond je het spannend om alleen te reizen?
“Nee, ik doe veel dingen alleen en vertrouw op God aan mijn zijde. Mijn vader heeft me opgevoed met dat ik dingen zelf moet doen. Hij kon me dan ook goed loslaten. Mijn moeder had in het begin veel stress, dat werd later minder. Of ik bang was voor mensen met verkeerde bedoelingen onderweg? Nee, ik voel snel aan of iemand een goed persoon is of niet. Merk ik negativiteit, dan ben ik snel weg. Potentieel gevaarlijke mensen voelen die zelfverzekerdheid, dus ik ben geen makkelijk doelwit. Ik heb dan ook geen nare ervaringen gehad.”  

Hoe bereidde je je voor?
“Door het bekijken van filmpjes en het lezen over en luisteren naar mensen die zo’n tocht hadden gelopen. Na een tijdje wilde ik niks meer opzoeken, dan voelde het alsof ik de reis al gereisd had. Ik wilde alleen nog mijn tas inpakken op goed gevoel en met een beetje verstand. Tot op de laatste dag wist ik niet welke route ik zou lopen. Mijn moeder gaf me een cadeautje: een boekje met informatie bij noordroute Camino del Norte – deze loopt langs de noordkust in Spanje. Dus daar koos ik voor.”

Klooster Taizé

“Ik startte mijn algehele reis in het klooster Taizé in Frankrijk. Drie jaar geleden kwam ik er voor het eerst met mijn vriendin Mirte. Het voelt als thuis. Voordat ik van het schoolleven naar het pelgrimsleven zou gaan – waarin ik elke dag loop en leef met de natuur – wilde ik een week in het klooster doorbrengen. Het dagelijks leven gaat zo snel, maar hier staat het stil. Daardoor kwam ik weer met beide benen op de grond én werd mijn band met God sterker. We vierden drie keer per dag een kerkdienst en tussendoor waren er eetmomenten en Bijbelstudies. Gods liefde was voelbaar in het contact met elkaar en doordat we samen God lief hadden.”

Het klooster voelt als thuis

Liften naar Hondarribia

Daarna reed ik met twee Spaanse meiden mee naar Barcelona, vandaar liftte ik richting het noorden van Spanje. Ik stapte niet zomaar bij iemand in de auto: ik wilde eerst met diegene kletsen om te voelen of de intenties goed waren. Een fijne manier om te liften, was het aanspreken van mensen bij een tankstation. Eenmaal in Hondarribia begon mijn pelgrimstocht.”

Plande je waar je zou slapen?
“Nee, ik vertrouwde op God, op de mensen en op mezelf. Ik liep met weinig of zonder geld. Meestal vond ik pas een slaapplek rond half tien ’s avonds. Ik vroeg regelmatig aan locals of zij wisten waar ik mijn tent kon opzetten. Soms mocht dat in hun tuin. Op een avond genoot ik van mijn wijntje in de enige bar in het dorp – dat bestond uit één straat. Een voor een druppelden de inwoners binnen. Ik had nog geen idee waar ik zou slapen, want buiten vroor het. Ik had net geaccepteerd dat ik het later vanavond wel zou zien, toen de dorpelingen vertelden dat ik in het leegstaande dorpshuisje mocht overnachten. Ik kon wel huilen. God beloonde me omdat ik mijn leven compleet in zijn handen legde.”

Elf dagen alleen lopen

“Halverwege mijn tocht kwam ik een Spaans meisje tegen. Zij vertelde me dat ik drie dagen richting het zuiden moest lopen, naar Santo Toribio, richting de Picos de Europa. Dat scheen onwijs mooi te zijn. Ik ging ervoor en eenmaal daar aangekomen wilde ik een bus terug nemen, maar dat idee voelde niet goed. Na een gesprek met God besloot ik de doorsteek te maken. Ik liep elf dagen lang zonder bekenden. Toch voelde ik me nooit alleen; ik was met God. Gaandeweg kwam ik erachter dat ik een mooi doel had op deze route: ik ben voor een paar mensen een engeltje geweest.”

Ik ben voor een paar mensen een engeltje geweest

Wat mooi, kun je een situatie navertellen?
“Een ochtend ging ik naar de kerk, waar ik fijn met God heb gebeden. Ik voelde zo’n immense vrede. Die namiddag kwam ik tijdens het lopen een herberg tegen. Ik was nog niet moe, maar voelde dat ik naar binnen moest. Na een wijntje bleef ik gitaarspelen. Ondertussen kwam er een Franse vrouw binnen. Ik wilde weggaan – ik had geen geld voor een slaapplek – maar de vrouw van de herberg zei dat ik mocht blijven zo lang als ik wilde, als ik af en toe gitaar zou spelen. Eenmaal in mijn slaapvertrek vond ik de Franse vrouw. Vanuit ons stapelbedje hebben we een intiem gesprek gevoerd over het vuurtje aanwakkeren in jezelf. Zij vertelde dat ze mij die ochtend in de kerk had zien zitten. Ze had aan God gevraagd of hij iemand kon sturen om haar aan te moedigen, want ze voelde zich energieloos. Sindsdien kwam ik haar onderweg nog een paar keer tegen, altijd op de momenten dat zij mij het meeste nodig had.”

Geen slaapplek

“Ik heb zelf ook engeltjes ontmoet. Tijdens mijn doorsteek had ik nog weinig geld over. Ik kwam in een dorpje waar een slechte energie hing. Alle herbergen waren dicht, jonge mensen zaten aan de zuip. Ik had al veel gelopen en het was donker. Ik kwam op adem op de stoep, en raapte mezelf bij elkaar. Ik wist: er is een plan, dus het komt goed. Een man vertelde dat er een camping achter het dorpje zat, daar liep ik heen. Onderweg kwam ik een man tegen die naar de sterren stond te kijken. Hij vond het erg laat om een slaapplek te zoeken. Ik zei: ‘Dat is het leven van een pelgrim.’ Toen hij dat hoorde, overlegde hij met zijn vrouw; ik mocht in de kelder slapen en kreeg avondeten.”

Santiago de Compostela

Uiteindelijk heb ik ongeveer duizend kilometer gelopen in twee maanden. Santiago de Compostela was het officiële eindpunt van de pelgrimsroute. Daarna liep ik nog door naar Fisterra. Daar eindigde de reis echt voor mij. Er stond een vuurtoren, net als in het dorpje waar ik begonnen was. In Fisterra realiseerde ik mij dat ik duizend kilometer heb moeten lopen om te beseffen wat ik altijd al wist. Het lopen hielp me het ook te vóélen: ik leef nu lichter met God, en ik verspreid op alle mogelijke manieren liefde. Want God is liefde.”

Ik verspreid op alle mogelijke manieren liefde

 

Tekst: Anouk van de Schootbrugge

--:--