Navigatie overslaan
Sluit je aan
Uitgelichte afbeelding

Roel kijkt verder: ‘Ik zie de mens, niet de dementie’

Column

Leestijd: 3 minEva

Achter de deuren van verpleeghuizen schuilen talloze levensverhalen. Zo ook van Nico (82), een boom van een vent die in zijn hoofd nog steeds automonteur is. Als verpleegkundige Roel hem meeneemt naar de parkeerplaats voor auto-advies, lichten Nico’s ogen op. “Dít is zorg, en dit vind ik het allerleukste van mijn werk.”

Speciaal voor Eva schrijft Roel van Schilt, verpleegkundige bij Thebe Aeneas en Zorgprofessional van het jaar 2025, over zijn meest bijzondere ervaringen in zijn werk met mensen met dementie.

De 82-jarige Nico is heel zijn leven automonteur geweest. Het is een boom van een man en nog steeds trots op zijn vak. Zijn ogen lichten op bij verhalen over motoren en garages. Hij woont op de afdeling waar ik werk. Maar hij wil steeds naar huis, terug naar zijn huis met zijn eigen werkplaats. Dat is niet meer veilig. Zijn onrust raakt me diep – hij houdt zich vast aan wie hij was.

In mijn werk met mensen met dementie draait het om het zien van de mens achter deze ziekte – de mensen met een rijk verleden, passies en een identiteit die blijft. Ze leven vaak in een eigen realiteit. Ik ga daarin mee, met geduld, creativiteit en eerbied. Zo vraag ik de bewoners met dementie regelmatig om adviezen, zodat deze mensen voelen dat ze ertoe doen en hun kennis wordt gewaardeerd. Kennis afkomstig uit het brein dat hen de laatste jaren zo vaak heeft doen twijfelen aan zichzelf.

Ik vraag de bewoners met dementie regelmatig om advies, zodat ze voelen dat ze ertoe doen.

Raar geluid

Op een ochtend, als Nico weer over thuis begint, betreed ik zijn wereld. “Nico, mijn auto maakt een raar geluid en dus moest ik aan jou denken”, begon ik. “Kun jij mij advies geven? Het is iets met de remmen, vermoed ik.” Een verzonnen probleem, maar zijn gezicht klaart meteen op. “Misschien versleten remblokken”, zegt hij, gebarend met een denkbeeldige moersleutel.

Ik neem hem mee naar de parkeerplaats, naar mijn auto. Hij wijst naar de wielen, deelt zijn kennis over remschijven. Hij voelt zich nuttig, gewaardeerd. Het ‘naar huis’ gesprek is niet meer. “Je hebt er verstand van, hè?” merk ik op. Hij glimlacht: “Ik vind dit het mooiste wat er is, jongen.” Ik zie op dat moment de mens, niet de dementie.

Bij dementie verdwijnen passies en identiteit niet.

Passie en identiteit

Ik stap in zijn wereld, waar hij nog monteur is en alles weet over auto’s. Op dat moment wordt Nico niet geconfronteerd met alle valkuilen die zijn dementie veroorzaken. Door zijn advies te vragen, laat ik hem voelen dat hij ertoe doet. Bij dementie verdwijnen passies en identiteit niet. Ze zijn er, klaar om aangesproken te worden.

Als hij straalt bij het geven van zijn deskundig advies, weet ik: dít is zorg, en dit vind ik het allerleukste van mijn werk. Hem laten voelen wie hij is en dat hij ertoe doet. Want wat er echt toe doet? De mens achter de dementie.