Ga naar submenu Ga naar zoekveld

‘Ik ben geen heldin geweest’

Portret van een vergeten verzetsstrijdster

3 mei 2022 · Leestijd 12 min

Annie Vastenburg zette zich in de Tweede Wereldoorlog – samen met haar man Klaas – in voor onderduikers, was betrokken bij illegaal drukwerk in haar eigen huis en deed koerierswerk. Het verzetswerk bleef tot bijna het einde van de oorlog verborgen voor de Duitsers, tot die ene fatale dag, 1 maart 1945. Een portret van een vrouw die nooit erkend werd voor haar verzetsdaden.

“Ik herinner me hoe ik na de oorlog met mijn vader een aantal keer op Annies verjaardag kwam. Ze woonde driehoog achter in Amsterdam. Ik zie haar nog voor me: een boze, verbitterde vrouw, die niet de erkenning had gekregen die ze verwacht had.”
De Joodse oorlogsoverlevende Louk de Liever (1939) werd in 1942 door Annie Vastenburg op een fiets met houten banden van Nijkerk naar een Amsterdams onderduikgezin gebracht.

Bang, doodsbang

Eigenlijk was Annie erop tegen dat haar man Klaas in het verzet ging. “Ik heb gesmeekt of hij niet in het verzet wilde gaan,” zei ze jaren na de oorlog in verschillende kranteninterviews. “Want ik zag het aankomen. Ik zei: ‘Klaas, we raken elkaar kwijt.’ Ik was bang, doodsbang. Maar ik zei: ‘Als je gaat, doe ik mee. We horen bij elkaar.’ Die oorlogsjaren zijn we zij-aan-zij geweest.” Ook vertelde ze: “Niets leek me erger dan als treurende weduwe achterblijven. Sterven is niet erg, het achterblijven wel.”

Een geweldige man

Annie van de Weem werd op 6 juni 1902 geboren in Amersfoort, in een streng katholiek gezin. Op 4 augustus 1926 trouwde ze met de Nijkerker Klaas Vastenburg (1897). Hij was meteropnemer bij elektriciteitsmaatschappij PGEM en al voor de oorlog raadslid van de SDAP (de huidige PvdA) in Nijkerk. In een interview uit 1970 zei ze over hem: “Het was een geweldig man, heldhaftig in zijn idealisme. Hij was niet sterk, een kasplantje eigenlijk.” Wat hij precies mankeerde, wordt niet duidelijk, maar in een ander interview gaf ze aan: “Fietsen kon hij beter dan lopen. Door zijn ziekte konden we geen kinderen krijgen, de dokter raadde ons dat af. Dus wat doe je dan, dan gooi je je op wat anders. We hadden niet alleen de SDAP, maar er waren nog zo veel andere dingen. Ik had mijn leesclubs thuis, ik had een toneelvereniging waarvan ik later regisseuse werd. Ik droeg altijd gedichten voor. Je was toujours bezig, wij allebei.”

Woest en wild figuur

Hun relatie was close, maar die met haar schoonfamilie moeizaam. De familie Vastenburg zag Annie niet als geschikte huwelijkskandidaat voor de protestantse Klaas. Niet alleen omdat ze uit de grote stad – Amersfoort – kwam, maar ook omdat ze katholiek was. Op 11-jarige leeftijd was ze van huis weggelopen; ze kon het strengkatholieke milieu waarin ze opgroeide niet meer verdragen. “Door mijn vader werd ik de kerk in getrapt, zodat ik er de andere deur weer uit vloog,” verklaarde ze daarover. “Klaas’ familie dacht dat ik een woest en wild figuur was. Maar Klaas nam me zoals ik was.”

Zomaar een zoen

Ook het verzetswerk van Annie en Klaas vond haar schoonfamilie maar niets. “Ze hadden het idee dat ik mijn man in het verzetswerk had gebracht, en daar waren ze op tegen. Maar dat is nimmer het geval geweest. Klaas wilde zelf.”
Dat verzetswerk begon al in 1933, toen Duitse studenten hun land ontvluchtten. Ze vonden onderdak in het huis aan de Lazarusweg, nu de Bruins Slotlaan in Nijkerk. Door Klaas’ politieke activiteiten stond hij bekend als ‘rooie’ en was Annie de ‘rooie duivel’. Het was een stel apart. “We gaven elkaar op de openbare weg zomaar een zoen. Ik wist dat er Nijkerkers waren die dat niet leuk vonden. Maar daarom deed ik het juist.”

Niets leek me erger dan als treurende weduwe achterblijven

Zestig kilometer fietsen

In de oorlogsjaren gingen Klaas en Annie als Cees en Hans door het leven, waardoor de Duitsers dachten dat ze met een man van doen hadden. Ze haalden overal onderduikers vandaan die ze zelf onderdak boden of elders onderbrachten. Veel deden ze op de fiets. En zo vervoerde Annie in het voorjaar van 1942 de 2-jarige Loek de Liever, een Joods jongetje uit Nijkerk, naar een onderduikadres in Amsterdam, zo’n zestig kilometer fietsen. “We hadden ook een drukkerijtje,” vertelde Annie later. Illegaal, er werden onder meer pamfletten gedrukt. “Het drukkerijtje was van de familie Van de Ridder, die ons ongelooflijk heeft geholpen. Zij hebben papier geleverd en de familie Hof verborg dat papier. Hun kinderen waren mijn koeriersters, kinderen van 16 en 17 jaar.”
Het huis was bovendien het centrum van spionage voor de Amsterdamse verzetsgroep Rolls Royce en vanuit de ruime woning stond men in contact met Londen.

‘Ik smeekte om de kogel’

Twee keer werd Annie (Hans) opgepakt. De eerste keer was op 1 oktober 1944, tijdens de razzia van Putten. Klaas was op tijd gewaarschuwd. Annie: “Ik zei altijd maar: ‘Die is aan het fietsen.’” Met een aantal anderen zat Annie vast op het gemeentehuis, waar ze na vier nachten en drie dagen werd vrijgelaten. Een paar maanden later, in februari 1945, was het opnieuw mis. Ze werd gearresteerd, maar ook deze keer kwam ze vrij. In haar aantekeningenboekje uit die tijd schreef ze daarover: “In februari 1945 door de Hollandsche politie gearresteerd en in de cel gesmeten, doch maar kort.”

Tot de ochtend van 1 maart 1945. Rond acht uur werd het huis aan de Lazarusweg 2 omsingeld door de Duitsers. Waarschijnlijk zijn ‘Cees en Hans’ door verrader Anthonie van der Waals, die zich als spion het verzetswerk had binnen gewerkt, aan de SD overgeleverd.
“Al onze goederen werden in beslag genomen,” schreef Annie in haar verslag. “Weggevoerd als politieke gevangenen naar Apeldoorn. Drie weken daar gevangengezeten.” In een interview vertelde ze over die tijd: “Ik werd ondervraagd door de Duitsers, die ik smeekte om de kogel. Want ik was als de dood voor martelingen. De Duitsers wilden weten welke mensen wij in huis hadden gehad. Maar wij kenden de namen van de mensen die we in huis hadden niet.”
Op 21 maart werd Annie op transport gesteld naar Westerbork.

Laatste glimp

Drukkerij2

Ook Klaas werd die ochtend van 1 maart opgepakt. Een dag later, tijdens het verhoor in Apeldoorn, zag Annie haar man voor het laatst – al wist ze dat toen nog niet. Op de trap van de gevangenis – de huidige Koning Willem III-kazerne – ving ze een laatste glimp van hem op. “We hebben elkaar nog aangekeken. Ik draag dat beeld altijd bij me.” 

Zelf had Klaas nooit het gevoel dat hij opgepakt zou worden, zei ze. “Hij had zo’n godsvertrouwen. Hij had de gedachte: dat kan God me niet aandoen. Hij was een christen. Elke avond baden wij.”
Zeven dagen later, op 8 maart 1945, werd Klaas Vastenburg met 116 andere Nederlanders doodgeschoten bij de Woeste Hoeve, vlak bij Apeldoorn. Het was een vergeldingsactie van de Duitsers voor de aanslag op SS-leider Hanns Albin Rauter, die daarbij overigens niet om het leven kwam.

Mars naar Groningen

In de tussentijd verrichtte Annie dwangarbeid, drie weken lang, elf uur per dag, zo schrijft ze in haar dagboek. Op 11 april moest ze samen met 115 andere vrouwen op mars naar Groningen. Vandaar gingen ze verder – deels te voet, deels met wagens – richting Leeuwarden. Maar op 16 april werden de vrouwen ter hoogte van Grijpskerk door de geallieerden bevrijd. Op de ochtend van 21 april kwam Annie via Zwolle, Apeldoorn en Putten terug in Nijkerk. De stad was toen net een dag bevrijd. Haar huis aan de Lazarusweg was leeg. Pas toen hoorde Annie het verschrikkelijke bericht over haar man.
In haar memoires schreef Annie over haar terugkomst: “Na verlost te zijn uit het concentratiekamp (Westerbork, red.), kwam ik thuis; leeg, geschokt, doelloos. Een gevoel van ‘waarom moet ik weer beginnen’ spookte door mijn hoofd. En toch moest ik weer, er was niets aan te doen.”

Klaas werd op 29 mei herbegraven in Nijkerk, onder begeleiding van de Binnenlandse Strijdkrachten en onder belangstelling van duizenden bezoekers. Liever was Annie samen met Klaas terechtgesteld. In diezelfde memoires schreef ze: “Steeds was dat verkillende gevoel in me, niet dankbaar te zijn dat ik gespaard was gebleven. Ik was jaloers op mijn man. Het leven drukte me eindeloos zwaar.” Bij zijn herbegrafenis zei ze dan ook: “Klaas, we hadden toch afgesproken dat we samen zouden gaan? Wat moet ik nu alleen?”

Ernstig verwond

Op de vraag of ze de Duitsers haatte, antwoordde ze jaren na de oorlog: “Haat? Ik heb nooit geweten wat het is. De Duitsers waren mensen, dat moest je je goed realiseren.” Al gaf ze ook toe dat de oorlog haar ernstig verwond heeft, vooral psychisch. “Er is nog altijd een enorme druk. Als ik maar lees, naar muziek luister of reis, dan ben ik een vogel. Het is een soort vlucht en toch ook weer niet.”
Het ergste vond ze dat ze klaar was voor de dood, die niet kwam. “Waarom Klaas wel en ik niet? Ik was er kapot van. (…) Ik wilde niet meer. Ik bad God dat Hij me weg zou nemen.”
Toch wist ze ook: “Er gebeurt niets zomaar. Het is niet doelloos gebeurd. Er is een God die het leidt. Dat geloof ik, ook al kom ik nooit in de kerk. Het is niet allemaal toevallig.”

Ik bad God dat Hij me weg zou nemen

Diep tragisch

Op 4 juni 1945 werd Annie Vastenburg aangesteld als kampcommandante van het bewarings- en interneringskamp Laan 1914 in Amersfoort, waar NSB-mannen en -vrouwen gevangenzaten. Ze schreef daarover: “Het kampleven was me niet vreemd, met dit verschil dat ik nu de lakens kon uitdelen. Mijn resoluut optreden dwong dan ook verbazing en verwondering af. (…) Een groots ogenblik was tevens diep tragisch, toen ik onder de gedetineerden Liesbeth Faasen ontdekte, een van degenen die mij in de gevangenis gedrild had. (…) Haar schrik was groot, zeer begrijpelijk. Doch om mijn hart was een ijskorst, ik trilde nauwelijks. Ik denk dat al degenen die voor de dood hebben gestaan, zoiets onnatuurlijks overhouden.
(…) Spontaan lachen of huilen kon ik niet. Zelfs bij het graf van mijn man wilden de verlossende tranen niet komen, ik was van binnenuit volkomen verhard. (…) Dat er onder hen (de gevangenen, red.) waren die me belaagden en belasterden, liet me Siberisch koud. Wat kon me gebeuren? Alles was me onverschillig.”

Geen wraak

AnnieDef

Overigens deed ze dit werk niet uit wraak. Want, zo schreef ze: “Ook was het mij duidelijk geworden dat ik dit werk zuiver en alleen deed om nog een taak te vervullen, niet uit haat.” Al zag ze er soms geen gat meer in. “Veel mensenkennis heb ik opgedaan, ook ellende en hartzeer. Had de oorlog ons zo weinig geleerd? Zouden de besten toch gevallen zijn?”
Op 12 januari 1946 nam Annie ontslag na conflicten met haar superieuren.

Ze bleef actief

“Uitgerekend zij komt terug,” zou Annies schoonfamilie hebben verzucht, toen ze in april 1945 in Nijkerk terugkeerde. Nam ze hun die uitspraak kwalijk? “Ze weten niet anders.” Al deden de woorden haar ongetwijfeld pijn en was het wellicht mede de reden dat ze op 29 januari 1947 haar biezen pakte en naar Amsterdam vertrok. Daar pakte ze haar oude beroep als sociaal werkster weer op. Ook op hoge leeftijd bleef ze actief. Zo zette ze zich in voor hulpbehoevende ouderen en verzorgde ze een Joodse man, die invalide was.

Uitslag op handen en armen

Maar ook in Amsterdam ontkwam ze niet aan de gevolgen van het leed dat haar was aangedaan. “Echt ontvluchten kun je de herinneringen niet. Elk jaar op 1 maart komt het terug. Dan voel ik het aankomen. Ik ben gespannen, krijg uitslag op handen en armen. Dan beleef ik steeds weer die acht dagen, helemaal. Dan zie ik Klaas die gang weer maken. Achteraf, nu je het kunt navertellen, nu je het kunt beredeneren, had ik dit leven voor geen duizenden willen missen. Ondanks het verdriet, de ellende, het bloed en de tranen. Want het heeft je rijk gemaakt. Het heeft je gevormd. Er is een bedoeling bij. Maar je gaat kapot aan de teleurstelling van je eigen mensen.” En: “Ik kan me aan niemand meer binden. Daar heeft de oorlog voor gezorgd. Veel vriendschapsbanden zijn kapotgegaan. Toen werd ik blind aan één oog. Er is me bijna niets meer overgebleven.”

Een godsgeschenk

Was Annie Vastenburg-van de Weem inderdaad die boze, verbitterde vrouw van driehoog achter? Bekend is dat ze acht jaar na de oorlog instortte. Zelf zei ze daarover: “Toen ik het jaren later niet meer zag en zelfmoordplannen had, zei mijn psychiater: ‘Je moet de moed opbrengen om eerst door de hel te gaan. Anders kun je het leven nooit meer aan.’” Maar ook: “Ik ben dankbaar voor het leven. Ik kan nog bidden en ik kan nog voor vijftig procent zien. Dat is een godsgeschenk.” En, waarschuwde ze: “Ik ben geen heldin geweest. Nooit. Ik was altijd doodsbang.”

Op 30 augustus 1984 overleed Annie Vastenburg-van de Weem in haar woonplaats Amsterdam.

Voor dit artikel is gebruikgemaakt van diverse interviews met Annie Vastenburg, gepubliceerd in 1973 en 1980 in lokale, Nijkerkse kranten. Helaas is niet bekend welke kranten dit precies zijn.
Met dank aan Museum Nijkerk en het Verzetsmuseum Amsterdam voor het beschikbaar stellen van foto’s, persoonlijke documenten en memoires van Annie Vastenburg

Annie Vastenburg onderdeel van expositie ‘11 vrouwen uit de historie van Nijkerk’

Museum Nijkerk brengt tot eind 2022 elf vrouwen uit de Nijkerkse geschiedenis voor het voetlicht. Een van hen is Annie Vastenburg-van de Weem. Conservator Saskia van den Berg verdiepte zich in haar stadsgenoot en is blij dat ze Annie Vastenburg uit de vergetelheid kon halen. “Want hoe moedig moet je zijn om in de oorlog de bezetter het hoofd te durven bieden!”

Waarom is ze in de vergetelheid geraakt? Waarschijnlijk omdat ze het heeft overleefd, stelt Van den Berg. “Haar man kreeg alle aandacht, want hij was gefusilleerd. Voor hun voormalige woonhuis ligt één struikelsteen, voor Klaas. Maar Annie kwam terug, dus zij kreeg nooit een gezicht. Terwijl we waarschijnlijk nog niet half weten wat voor belangrijk werk zij samen hebben gedaan. Ik hoop daarom dat we haar met deze expositie kunnen eren.” 

Museumnijkerk.nl

Geschreven door

Mirjam Hollebrandse

--:--