Ga naar submenu Ga naar zoekveld

Otto Ruff stond nabestaanden van de Bijlmerramp bij

‘Ik kom in opstand tegen de dood’

Toen hij in de jaren na de Bijlmerramp door de Bijlmer liep, zeiden mensen: “Dat is onze dominee!” Otto Ruff begeleidde nabestaanden van de ramp die daar op 4 oktober 1992 plaatsvond, en zag hoe Pasen werkelijkheid werd op de puinhopen die deze tragedie achterliet.

Over de vraag of hij met Visie in gesprek wilde gaan over zijn tijd als pastor voor nabestaanden van de Bijlmerramp hoefde hij geen moment na te denken. Dominee Otto Ruff (1958) deelt graag zijn ervaringen. Het interview zelf getuigt daarvan; het gesprek is nog maar net vijf minuten oud als hij glimlacht, gaat verzitten en zegt: “We springen wel van de hak op de tak. Laten we bij het begin beginnen.” In die vijf minuten heeft hij het gehad over zijn persoonlijke trauma, de geschiedenis van respectievelijk de Molukkers en de Papoea’s, boude uitspraken van regeringsleiders en het ervaren van een roeping.

Hyperventileren

Het begin van Ruffs verhaal ligt in het toenmalige Hollandia, tegenwoordig Ja­yapura: de hoofdstad van het Indonesische deel van Papua. Het was het laatste stukje Nederlandse kolonie, waar hij als Molukse zoon van een militaire politieman de eerste vijf jaar van zijn leven woonde. Het was een roerige tijd, waarin de strijd voor onafhankelijkheid volop woedde.

Over Otto Ruff

Dominee Otto Ruff (17 oktober 1958, toenmalig Nederlands-Nieuw-Guinea) studeerde theologie in Leiden en was jarenlang pastor in de Koepelgevangenis in Haarlem. Na de Bijlmerramp schreef hij een handleiding voor kerken na grote rampen. Hij stond aan de wieg van SKIN (samenwerkingsorganisatie van migrantenkerken) en was predikant in verschillende Molukse gemeenten. Op dit moment is Ruff hoofd van de geestelijke verzorging in de zorginstelling Sint Jacob in Haarlem.

Hoeveel impact die eerste jaren op zijn leven hebben gehad, ontdekte hij pas tientallen jaren later, op weg naar een pastoraal gesprek in Zeeuws-Vlaanderen. “Het moet in 2003 of 2004 zijn geweest; ik reed door de nog maar kort geopende Westerscheldetunnel. Halverwege de tunnel haalde ik in. Ineens begon ik te hyperventileren, te trillen, ik remde af, de auto’s achter me toeterden: ik wist niet wat me overkwam. Ik zag de borden aan de kant van de weg: nog vier kilometer, nog drie kilometer. Volhouden, Otto, volhouden. Net buiten de tunnel vond ik een plek om even veilig stil te staan. Ik snapte er niets van.”

Eenmaal thuis leek het weer beter te gaan, tot hij ’s ochtends vroeg wakker werd van het geluid van heien, vlakbij. “Ik schrok wakker en was helemaal in paniek; ik kon niet op adem komen en moest naar buiten om rustig te worden.”

Zo ben ik mijn trauma tegemoet getreden

Toen hij deze ervaringen deelde met zijn oudste broer, vertelde die hoe Ruff als klein jongetje onder het bed dook met de handen op de oren als er gebombardeerd werd in de buurt waar ze woonden. “Toen snapte ik het. Ik pakte de auto, reed richting Zeeuws-Vlaanderen en ben de Westerscheldetunnel in gereden. En weer terug, heen en weer; pas na een keer of acht voelde ik rust. Zo ben ik mijn trauma tegemoet getreden. Want ook ik draag een trauma mee. Ik had het weggestopt, maar het kwam naar boven. Misschien begrijp ik daarom iets van wat anderen soms doormaken.”

Mooie krul

Wellicht ligt in deze roerige jeugd – vijf jaar in een land dat door oorlog wordt verscheurd en daarna de overgang naar Nederland – het verlangen om anderen bij te staan. Hoe dan ook, Ruff wist al op zijn achtste of negende dat hij predikant wilde worden. Het was de laatste vraag op een schoolformulier: wat wil je worden? “Dominee”, schreef de jonge Otto. Met een mooie krul aan de D. En die overtuiging heeft hem nooit losgelaten; niet tijdens zijn jeugd, niet tijdens de studie theologie. “Daar worden teksten die je lief en dierbaar zijn op de exegetische slachtbank geplaatst. Jezus is niet echt opgestaan hoor, werd dan gezegd. Ik antwoordde: ‘Dat mag je denken; als jij dat vindt, is dat prima. Ik geloof iets anders.’”

Otto Ruff
Credits: Ruben Timman.

Draaideurcrimineel

Het was die overtuiging die hem ertoe bewoog te reageren op een vacature, kort na die bewuste zondagavond van 4 oktober 1992. ‘Gezocht: pastoraal werker voor getroffenen van de Bijlmerramp. Liefst met ervaring in crisispastoraat.’ Die ervaring had Ruff, na jaren van gevangenispastoraat. “Ik heb in de gevangenis geleerd dat de basis van pastoraat is: een naaste zijn. Ik herinner me een draaideurcrimineel met vluchtgevaar, wiens vriendin overleed. Hij wilde afscheid nemen van zijn vriendin, maar er was niemand die met hem mee wilde: te gevaarlijk. Als niemand wil, dan wil ik wel. Normaal gesproken deden ze een stok in de broek, zodat diegene niet weg kon rennen, maar dat wilde ik niet. Ik vroeg hem alleen om bij me te blijven. Op weg naar de aula kreeg hij het te kwaad; hij – een grote crimineel van twee meter – leunde op mij, de kleine dominee. Volgens mij is dát pastoraal werk: als mens naast een ander mens staan. Vertrouwen geven. Er gewoon zijn. Na al die jaren word ik er nog emotioneel van. Niet omdat ik het goed deed, maar omdat het God is die zo mensen bijstaat. En daar mag ik een klein beetje aan bijdragen.”

We gingen twee keer per jaar op retraite; heel heilzaam

Huisbezoek

Zo ging hij op bezoek bij mensen die direct getuige waren geweest, en bij mensen die naasten verloren bij de vliegtuigramp. “Altijd bij hen thuis. Dat is belangrijk, want de dood kwam binnen in hun vertrouwde huis. Dan moet het gesprek en de heling ook op een vertrouwde plek plaatsvinden. Zulke details zijn belangrijk!” Om meteen daarop met een klein lachje te vervolgen: “In de psychologie is het niet vanzelfsprekend om bij mensen thuis te komen, maar in de kerk doen we dat natuurlijk al eeuwen. Daar noemen we het huisbezoek. Als kerk hebben we wat te bieden: eeuwenlange ervaring met leed. En we zijn er voor iedereen, ongeacht achtergrond of afkomst. Dat moet je niet onderschatten.”

Pasen

En dan komt hij bij het hart van zijn werk als pastor: Pasen. “Ik geloof in de opstanding, daar kom ik voor. Ik kom om op te staan tegen alles wat doods is, alles wat het leven doet ophouden. De mensen die 4 oktober 1992 hebben ervaren, die hebben de dood ervaren. Bij mensen die daar een dierbare verloren, is ook iets gestorven. Daar kom ik tegen in opstand! Want het leven ís niet opgehouden met die dood, omdat het leven van Jezus Christus niet is opgehouden met zijn dood. Hij is opgestaan; opgestaan tegen alles wat het leven doet ophouden. Maar let wel: Hij is opgestaan met een getekend lichaam. De littekens blijven. Daarom zet ik me in voor iedereen die geconfronteerd is met de dood; iedereen die littekens met zich meedraagt.”

Tegenstem

Jarenlang hield hij het contact met de nabestaanden warm, mede door stichting NaBij (Nabestaanden Bijlmerramp) op te richten. “We gingen de eerste jaren twee keer per jaar met een groepje op retraite. Heel heilzame momenten waren dat.” In de loop van de dertig jaar is het contact wel wat minder intensief geworden. “Hoewel een moeder die haar zoon is verloren juist weer contact met me heeft gezocht; ze woont in het buitenland, maar wil graag weer naar Nederland komen. Daar help ik haar dan bij.”

In de jaren na de Bijlmerramp raakte Ruff steeds meer betrokken bij bestuurlijke functies. Hij stond aan de wieg van kerkenvereniging SKIN, schreef voor de Protestantse Kerk een boek over wat de kerk kan doen na zo’n ramp (“Ik heb niet het idee dat het nog vaak uit de kast wordt getrokken na een heftige gebeurtenis”) en vervulde verschillende bestuurlijke functies. “Tot mijn oudste dochter op een avond zei, toen ik op het punt stond naar de zoveelste vergadering te gaan: ‘Pap, ga je nu alweer weg?’ Ik besefte: dit is Gods stem. Of, zoals mijn vrouw zei: je bent zo druk met kerkelijke zaken dat je God vergeet. Zij is een echte tegenstem; een tegenover. Die heb je nodig.”

Het zorgde er bij Ruff voor dat hij terugging naar zijn eerste roeping: het bijstaan van mensen die het nodig hebben. Nu in de ouderenzorg. “Mijn oproep aan iedereen in de kerk is: wees bezig met de mensen om wie het gaat!”

Otto Ruff 2
Credits: Ruben Timman.

Olifanten

Het is niet altijd eenvoudig werk. “Soms word ik er moe van. Vooral van de manier waarop er op hogere niveaus met mensen wordt omgegaan. Hebben we dan niets geleerd? Waar is het geduld, waar de menselijke maat? Ik ben geen profeet, maar ik snap dat Elia op een gegeven moment zegt: ‘God, alstublieft, laat me maar gaan. Laat me alstublieft gaan.’ Ik moet er voor mezelf voor waken dat ik mijn enthousiasme niet verlies. Maar dan zeg ik: ‘Heer, U roept mij om mensen bij te staan. Om hen weer even mens te laten zijn. En U bent met me.’ En als ik het beu dreig te worden, kom ik weer terug naar de oorsprong: de achtjarige jongen die opschreef: ik wil dominee worden.”

Zo zet Ruff zich in voor de mensen die hem zijn toevertrouwd. Met de ingrediënten die hij al die jaren bij zich draagt: trouw en tijd. “Pas zat ik een tijd zwijgend naast een man met vergevorderde dementie. Na een lange tijd stilte zei hij: ‘Ik zie daar olifanten.’ Ik antwoordde: ‘O ja, meneer? Is dat zo?’ Toen ik goed keek, zag ik cactussen bij het raam die enigszins de vorm van olifanten hadden. Dus zei ik: ‘Ik zie ze ook! Wat zouden ze daar doen?’ Het opende bij hem de deur om zijn levensverhaal te vertellen. Door de rust, de tijd en door het feit dat ik hem mens liet zijn. Je hoeft niet moeilijk te doen; wees er gewoon.”

Geschreven door

Pieter-Jan Rodenburg

--:--