Ga naar submenu Ga naar zoekveld

Ron van der Spoel: 'Ik ben mijn geloof kwijt geweest'

Maar God pakte Ron bij zijn lurven

Meer dan eens stond het geloof van dominee Ron van der Spoel zwaar onder druk. Tijdens zijn studietijd, maar ook later, toen twee jonge kinderen in zijn gemeente kort na elkaar stierven. “Op de een of andere manier - vraag me niet hoe - kwam ik toch weer aan Jezus’ voeten terecht.”

Wat er overblijft zonder geloof? Ron (1968) leunt aan het eind van het gesprek achterover, zijn handen gevouwen onder zijn kin. “Zonder geloof blijft er een heel drukdoenerig mannetje over, dat bang is dat hij dingen mist en dat hij vergeten wordt.”

Conferentie nummer zoveel

Opmerkelijke woorden voor de man die – naast het leiden van een eigen gemeente – tot een paar jaar terug op diverse conferenties sprak, met zijn beweging ‘Passie voor preken’ predikanten toerustte, betrokken is bij Open Doors en regelmatig bij de EO te horen was. Vier jaar geleden ervoer hij een roeping om namens het Leger des Heils een inloopcentrum te beginnen in Maastricht. “Het heeft misschien met mijn leeftijd te maken, maar ik geniet veel meer van wandelen met de Heer – hier, door de heuvels van Limburg – dan van spreken op conferentie nummer zoveel. Ik hoef mezelf niet meer zo te presenteren. Liever blijf ik – net als Maria – dicht aan de voeten van Jezus.”

Letterlijk een stem

Zijn roeping voor het Limburgse heuvelland was niet zijn eerste. Al jong wist hij zich letterlijk geroepen door God om dominee te worden. Hij was een jaar of 10, maar herinnert het zich nog als de dag van gisteren. “Ik stond me ’s ochtends aan te kleden om naar school te gaan en ik werd geroepen. Ik hoorde een stem, die riep: ‘Ron!’ Ik dacht: o, dat is papa of mama die me roept. Tot ik ineens wist: nee, dit is God! Net als bij Samuel. Ik heb iets geantwoord als: ‘Spreek, Heer.’ Op datzelfde moment wist ik: ik moet dominee worden. Ik zeg weleens: ‘Mijn geloof ben ik kwijt geweest, mijn roeping nooit.’”

Op zijn knieën

Ron werd als oudste van vier kinderen geboren in Middelharnis. Zijn vader was oudgereformeerd, zijn moeder hervormd-confessioneel en ze vonden elkaar binnen de Gereformeerde Bond van de Nederlandse Hervormde Kerk. Vooral de gesprekken met zijn vader staan Ron nog helder voor de geest. “Hij had een sterk karakter, maar was tegelijkertijd gevoelig. Hij vroeg regelmatig: ‘Joh, hoe is het nu tussen God en jou?’ Ik proefde daarin zijn liefde en zijn relatie met God.”

Ron weet nog goed hoe hij op een avond in zijn eentje op zijn zolderkamertje lag, uit zijn bed stapte en op zijn knieën viel om zijn hart aan Jezus te geven. “Ik was een jaar of 7, 8, maar was me heel bewust van de bevrijding die ik op dat moment ervoer: nu hoor ik ook bij Jezus en nu mag ik een kind van God zijn.”

Jeugdfoto Ron van der Spoel
Jeugdfoto van Ron van der Spoel: “Mijn vader had een sterk karakter, maar was tegelijkertijd gevoelig. Hij vroeg regelmatig: ‘Joh, hoe is het nu tussen God en jou?’".

Bang voor de dood

Vanwege het werk van zijn vader – hij zat bij de rijkspolitie – gingen de gesprekken aan tafel vaak over leven en dood. Dat maakte dat Ron in zijn jonge jaren heel bang was voor de dood. “Als ik ging slapen, hield ik mijn ogen open, want als ik ze dichtdeed, was ik bang dat ik niet meer wakker zou worden. Gelukkig hebben mijn ouders dat goed begeleid. Als ik niet kon slapen, kwam mijn vader bij mijn bed zitten om te praten. ‘Hij houdt van je’, zei hij dan. ‘Hij zorgt voor je en je bent een kind van God.’ Als ik mijn geloofsopvoeding moet samenvatten, zeg ik: diep ontzag en ongelofelijk dichtbij. Het is de heilige God die je papa mag noemen.”

Op eigen benen

Die onvoorwaardelijke acceptatie door God heeft Ron zijn eigen drie dochters ook meegegeven. “Ze staan nu op eigen benen, maar we hebben hun altijd voorgehouden: God heeft je gemaakt, Hij kent je door en door en Hij houdt van je. En we bidden elke dag voor hen, en voor de twee schoonzoons die we inmiddels hebben.”

Ron spreekt open met hen over het geloof, al doet hij dat anders dan zijn vader. “Mijn vader vraagt ook aan onze kinderen hoe het met hun leven met God staat – en dat vinden ze waardevol. Maar mijn vrouw en ik doen dat niet op die manier. Bij ons gebeurt het meer naar aanleiding van gebeurtenissen in het leven.”

Handtekeningen verzamelen

Ron trok met zijn vader op zondagavond regelmatig door de regio, om naar dominees te luisteren die “heel diep” konden preken. Ook gingen ze op zaterdagavond vaak samen naar orgelconcerten. “Ik verzamelde handtekeningen van die organisten. Dat geloof je niet hè?” zegt hij, terwijl hij zich lachend voor het hoofd slaat. “Toch waren het mooie, intieme momenten. Ik had niet eens zoveel met dat orgel, maar wel met mijn vader. Als we luisterden naar een preek die ons raakte, zaten we allebei met tranen in onze ogen. Op de terugweg in de auto spraken we daarover.”

Koelkast plunderen

Er schiet hem iets te binnen: “Er is één beeld uit mijn puberteit dat ik nóg voor me zie. Als puber sloop ik ’s nachts eens de trap af om de koelkast te plunderen. Ik hoorde wat en dacht: hé, er is iemand in huis. Ik deed het licht aan en zag daar mijn vader op zijn knieën voor de bank liggen bidden. Nou, ik kan je vertellen: er is geen beter ‘geloofsopvoedingsmoment’ dan dat. Ik mompelde iets als ‘sorry pap’ en ging diep onder de indruk weer naar boven.”

Veranderde je geloof tijdens je tienerjaren?

“Zeker! Ik werd kritischer. Toen ik rond mijn 18e theologie ging studeren, werd alles overhoopgegooid en raakte ik mijn geloof zelfs kwijt. Daar, op de universiteit in Utrecht, bleek er van al die mooie en ontroerende geloofszaken niets meer te kloppen. Het begon al toen een van de professoren op de eerste dag zei: ‘Er zijn van die mensen die denken dat ze door God zelf geroepen zijn om theologie te gaan studeren.’ Heel die collegezaal bulderde van de lach. Terwijl ik dacht: je gaat dit toch niet doen als je niet geroepen bent? Vervolgens werden tijdens colleges Oude en Nieuwe Testament alle Bijbelverhalen die mij zo dierbaar waren, onderuitgehaald. En dan op zo’n wetenschappelijke, overtuigende manier, dat ik in dat eerste studiejaar mijn geloof verloor. Ik heb twee jaar lang niet gebeden en alleen maar technisch uit de Bijbel gelezen voor mijn studie. Vergeet niet, het was de tijd van Harry Kuitert, die leerde: alle spreken over boven komt van beneden. Bidden was een soort zelfreflectie, er luisterde niemand.”

God heeft me bij mijn lurven gepakt

Kon je je twijfels bij je ouders kwijt?

Direct: “Er was altijd ruimte om met mijn vragen te komen. Zij hadden vaak ook de antwoorden niet, maar ze namen me wel serieus. Voor mijzelf was het de meest eenzame tijd in mijn leven, want ik miste het geloof verschrikkelijk. Maar ik kon niet doen alsof.”

Hoe kwam je terug op het geloofsspoor?

“God heeft me bij mijn lurven gepakt. Dat was toen ik een essay moest schrijven over Blaise Pascal. Ik deed dit vanuit een Frans-Latijnse vertaling, en dat was pittig, dus ik zat echt te spellen. Tot ik bij dit zinnetje kwam: ‘Wie God zoekt met een hoogmoedig hart, vindt Hem niet; wie God zoekt met een nederig hart, zal Hem ontdekken.’ Bij die zin sloeg de bliksem in. Opeens wist ik: ik ben hoogmoedig. God moet in mijn doosje passen en anders wil ik Hem niet. 

Ik ben letterlijk – echt letterlijk – van mijn stoel gevallen, op mijn knieën gegaan en heb gebruld. En om vergeving gesmeekt. Op datzelfde moment was de twijfel weg en was God er weer. In één keer ging het gordijn weer open en het is nooit meer dichtgegaan – gelukkig!”

Geflitst op de A9

Het gordijn ging nooit meer dicht, al waren er wel periodes van donkere wolken boven Rons geloofsleven. Zo stierven er binnen drie maanden onverwacht twee jonge kinderen in de hervormde gemeente van Harderwijk waar Ron destijds net predikant was. Een kind van 10 en kort daarna een baby van anderhalf. “Beide keren had ik urenlang intensief met en voor deze ouders gebeden om het leven van hun kind. Toen ik na de dood van het tweede kindje midden in de nacht naar huis reed, werd ik op de A9 geflitst. Ik reed te hard. Op dat moment brak ik. Ik heb de auto aan de kant van de weg gezet, en heb gehuild, gevloekt en getierd naar de Here God. Ik had de hele nacht gebeden en iedereen keek naar mij – ik was immers de dominee: als hij bidt, gaat God misschien iets doen. En voor de tweede keer ging een kind dood. Ik dacht: als je wilt sterven, moet je míj voor je laten bidden, dan ga je in ieder geval dood. Ik was zó cynisch en zo verschrikkelijk boos op God. ‘Bid en je zult ontvangen’, staat er in de Bijbel. Nou, dacht ik, dat is dus gewoon niet waar.”

Brief voor de kerkenraad

Bij thuiskomst kroop Ron achter zijn bureau en schreef een brief naar de kerkenraad waarin hij zijn ambt neerlegde. “Als het zo moest, kapte ik er liever mee. Ik ging daarna naar bed en vertelde aan mijn vrouw Annette wat er was gebeurd en dat ik een brief had geschreven. ‘Dat snap ik’, zei ze. ‘Maar laat ’m één dag liggen.’

Ik heb gehuild, gevloekt en getierd naar God

Op de een of andere manier kwam ik toch weer aan de voeten van Jezus terecht. Ik kon alleen maar zeggen: ‘Ik weet het niet meer, help me alstublieft.’ Want ik wist: ik kan niet meer mét deze God, maar ook niet zónder Hem. 

Wat ik heel erg heb moeten leren”, besluit Ron, is: “‘Heer, ik vertrouw U, al begrijp ik U niet.’ En geloof me, soms is het meer een kwestie van dit heel hard uitspreken, wetend dat je het ook zo gaat ervaren, dan dat het direct voor het grijpen ligt.”

Beeld: Nathalie van der Straten

Geschreven door

Mirjam Hollebrandse

--:--